+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

25.

De beide anderen, die achtergebleven waren, kwamen ook aan de voet van de heuvel Moeilijkheid. En wat zullen deze mannen, die als reizigers naar Sion zo hoog van hun geloof kwamen op te geven, nu doen? Zullen zij de heuvel Moeilijkheid als door des Heerenhand aanvaarden? Of zal het zijn een komen tot het kiezen van een dwaalspoor?

Daar het geloof, dat de Heere aankleeft en liefheeft, in het hart van deze reizigers gemist werd, waren zij door het klimmen over de muur op de weg gekomen en daarom kon en wilde het hart de heuvel van geloofsbeproeving niet aanvaarden.

„Maar toen zij zagen dat hij steil en hoog was en dat er nog twee andere paden waren, besloten zij, in de veronderstelling dat die twee wegen zouden uitkomen op dezelfde plaats, waarheen de Pelgrim zich begaf, die paden in te slaan”.

Van meet af zijn deze reizigers bij een godsdienstige veronderstelling gaan leven. In de veronderstelling dat het goed met hen stond al waren zij door te klauteren over de muur op de weg gekomen, leefden zij voort. En zo zijn zij van de ene veronderstelling tot de andere gekomen, en eindelijk stelden zij vast dat het houdbaar voor de eeuwigheid zou zijn. In de veronderstelling dat de wegen om de heuvel Moeilijkheid heen hen ook zouden voeren naar de berg Sion, stond het voorben vast op het goede pad te zijn. Nog nooit heb ik een godsdienstig mens, levend vanuit het godsdienstige principe van een vrome veronderstelling, ontmoet in achterdochtigheid omtrent zichzelf. De gedachte: zou mijn weg wel recht zijn, mijn grond van verwachten voor de eeuwigheid wel houdbaar wezen? komt in het hart van deze mensen niet op. Beproeving kennen zij niet, van bestrijding weten zij niet, daar zij niet in het geloof zijn.

„Nu heette het ene pad Gevaar, en het andere Verderf’. Maar wisten deze reizigers dat wel? Welzeker, dat wisten zij wel, maar het weten is nog niet een geloven dat het zo is. Al weet men dat er een hel is, dan gelooft men dat nog niet. Maar deze mensen geloven toch! Ja, dat doen zij als het hun te pas komt. Een geloof dat leeft bij veronderstellingen, leeft niet uit de Schrift, al spreekt men nog zo vaak over de Schrift. En daarom is het weten van deze reizigers niet een zeker weten, niet het weten des geloofs. Met de woorden Gevaar en Verderf houdt men dan geen rekening. Daar wij, en zo denken zij, op reis zijn naar Sion, bestaat er voor ons geen gevaar, kan het verderf ons niet treffen. AI gaan zij desnoods door een danszaal heen, dan nog niet.

Zo sloeg dan de één het pad in. Gevaar genaamd, en kwam terecht in een uitgestrekt woud, terwijl de ander onmiddellijk het pad Verderf koos en uitkwam op een woeste, rotsachtige vlakte, waar hij struikelde en viel, om nooit weer op te staan. En zie, dat is nu het einde van de reizigers, die leefden bij de veronderstelling, dat zij wedergeboren en bekeerd waren, en voor wie het vast stond, dat zij als hemelburgers zouden komen in de heerlijkheid van het hemels Sion.

Wat dunkt u, zou het niet noodzakelijk zijn ons innerlijk leven gedurig te beproeven, of wij het nieuwe leven der genade wel deelachtig zijn? Laat ons van dag tot dag bidden om hartvernieuwende genade. Al zijn wij door genade de levendmaking deelachtig, dan nog is het nodig ten opzichte van de heiligmaking. Wij kunnen best naast elkander gaan zitten en bidden om de levendmakende werkingen van de Heilige Geest. Want dat hebben wij allen nodig, hetzij statelijk of standelijk. Laat ons dan blijven bidden om wederbarende genade.

„En ik zag de Pelgrim verder de heuvel bestijgen en bespeurde hoe hij eerst snel, daarna langzaam liep en tenslotte kruipen moest op handen en voeten, omdat het klimmen hoe langer hoe moeilijker viel”.

Van ganser harte heeft deze reiziger naar Sion de heuvel der beproeving aanvaard, want dat was de wil des Heeren. De weg des Heeren is goed, is recht, al is hij voor ons vlees en bloed nog zo slecht. Door Zijn genade is het altijd mogelijk met vlees en bloed niet te rade te gaan.

Maar desniettemin is en blijft de heuvelweg een weg van beproeving. Hoewel het eerste gedeelte nogal mee viel. Onze dromer bespeurde dat de Pelgrim eerst snel liep. En begrijpelijk, want hij was fier en moedig door het drinken uit de levensbron. Maar anderzijds was zijn snelle vaart toch ook nog een bewijs van zijn geringe ervaring in het bestijgen van de heuvel Moeilijkheid. Wij zijn geneigd onze krachten te overschatten, daar wij zo weinig van onze zwakheid beseffen. En daarvan moesten wij nu juist meer kennis hebben. Zelfkennis is toch het begin van alle wijsheid. Naarmate wij kennis van onze zwakheid en afhankelijkheid hebben, wordt onze vaart er door beheerst als de weg des Heeren over de heuvel Moeilijkheid loopt. Het moet wel enigszins een traag begin zijn, want dat houdt wijsheid in. „Ik keerde mij — zegt de Prediker — en zag onder de zon dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden”. De Heere wil ons door de beproeving van het geloof tot de kennis brengen van onze zwakheid en hulpbehoevendheid. Het schuim van ons godsdienstig kennen en kunnen moet door deze beproeving uit ons hart en leven verwijderd worden. Wat wij vermogen te doen door te volharden in de beproeving, is van de Heere. Alleen door Zijn kracht is het mogelijk tot verheerlijking van Zijn naam te volharden op de weg van beproeving, al wordt hij steeds moeilijker.

Door het stijgen van de heuvel werd de Pelgrim in zijn vaart getroffen, dat deed hem langzamer lopen. Die heuvel is inderdaad een grote moeilijkheid. Hij breekt onze kracht,hij brengt ons op de knieën om nog te kunnen gaan op handen en voeten. En dan nog maar zo pas op de weg.

Maar als de Heere nu eens niet de weg gebaand had over deze heuvel, dan was voor ons de mogelijkheid er op te komen, afgesneden geweest. De Man van smarten is als de tweede of laatste Adam verzocht door satan en beproefd door Zijn God. Zijn weg liep van stap tot stap door de dood der onmogelijkheden heen. Niet één mens was in staat over satan te triomferen en God te gehoorzamen tot in de vloekdood van het kruis. Maar dat heeft Christus gedaan om de weg te banen naar het hemels Sion. Zo moet het ons tot vreugde zijn dat de weg gebaand is. Laat ons dan letten op de voetstappen van Christus. Voor ons was het banen van de weg een totale onmogelijkheid. Maar dat heeft nu de Zoon Gods gedaan. Hij heeft de weg gebaand door de dood der onmogelijkheden te verslinden tot overwinning. En nu is het gaan over deze heuvel in Christus niet meer een onmogelijkheid, maar wel een moeilijkheid. In de beleving van onze zwakheid draagt de Heere ons hier op Zijn vleugelen.

Voor ons vlees en bloed is het o zo moeilijk op de knieën te komen, om te kruipen op handen en voeten. Dat druist tegen de verdorvenheid van ons bestaan in.

Maar mogen wij in deze vernedering komen voor het aangezicht des Heeren, zodat het wordt een gewillig kruipen op handen en voeten, dan gaat het als vanzelf. Al Gods kinderen kunnen er van getuigen hoe moeilijk zij het hadden toen de kracht om verder te gaan begon te verminderen. Maar toen u op uw knieën mocht komen om te kruipen op handen en voeten, werd het u gemakkelijk gemaakt. Toen David zich te Ziklag mocht sterken in de Heere zijn God, waren de omstandigheden niet veranderd, maar toen mocht hij alles biddende en smekende in de Heere verwerken en toen ging het o zo gemakkelijk.

Heeft Christus de weg naar Sion niet op Zijn knieën biddende en smekende gebaand? In zware strijd zijnde bad Hij des te ernstiger. Welnu, Christus wil dat wij op de weg, die Hij knielend en biddend gebaand heeft, knielen om kruipend op handen en voeten te volharden in Zijn kracht.

Let er maar op en het zal u steeds duidelijker worden, dat de Heere de beproevingen wil gebruiken om ons op onze knieën te brengen, om al kruipend op handen en voeten steeds hoger te klimmen, want daar op de top van de heuvel zijn de voorportalen des hemels. En de Heere wil u louteren in het vuur der beproeving om dan straks met een hemelsgezind hart in de zoete voorsmaak van de zalige hemelvreugd uw God en Heere te verheerlijken.

U wordt gesteld in het vuur der beproeving opdat het werk der genade, het beeld van de Heere, met des te meer klaarheid zou gaan schitteren. Dat moet boven komen, van het onze gezuiverd worden. En door Zijn beeld in uw hart en leven te aanschouwen, laat Hij u delen in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht tot versterking van het geloof dat de wereld overwint. Maar zal de Pelgrim in deze beproeving staande blijven?

„Halverwege de heuvel was een lief priëel, dat de eigenaar van de heuvel daar had laten plaatsen, opdat vermoeide reizigerserzouden kunnen uitrusten. Ook de Pelgrim kwam daar en vlijde zich daar neder”. Hier wilde de Heere hem in zijn beproeving verkwikken en versterken.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.