+ Meer informatie

Erve Brooks

"Veel mesen hollen voortdurend achter iets nieuws aan; dat heb' wij nooit gedaan"

15 minuten leestijd

Wie wat bewaart, die heeft wat. Zeker als je voorouders er ook al zo over dachten. Voor de bewoners van erve Brooks is het inmiddels een hele toer om het erfdeel van vele generaties Broekhuis te conserveren. Een eeuwenoude hoeve, aardewerk, antiek meubilair, vooroorlogs gereedschap, een kast vol Gelderse knipmutsen. En als klapstuk het Gelderse kabinet met hnnengoed. Alles op z'n vaste plaats. De doopjurk, het trouwhemd, de stof voor het daagse goed, het doodslaken. Huisvlijt die de gang door het leven symboliseert. Niets is hier blijvend. Maar wat was, is waard om in ere gehouden te worden. Daarom strooit Gerrie Marsman nog een zandtapijt in de pronkkamer en nodigt de buren op slachtvisite. Omdat moeder dat ook deed. En grootmoeder. En overgrootmoeder.

Welkom zijn we wel, tijd heeft ze eigenlijk niet. Bedrijvig draaft Gerrie Marsman, geboren Broekhuis, door haar eeuwenoude boerderij. Aan reclame doet ze nauwelijks. Toch weten jaarlijks duizenden uit binnen- en buitenland haar erve in Gelselaar te vinden. Waar eens het vee stond wordt nu de menselijke have gevoederd. Met als speciahteit verschillende soorten pannekoeken, bereid volgens oud recept. Net als de "kruudkoek" bij de koffie. En de "hummesoep", waarvan de ingrediënten grotendeels afkomstig zijn uit de kruidenhof achter de boerderij. Ook een liefhebberij van Gerrie. Tussen al haar andere bezigheden door verwijdert ze het onkruid en bevochtigt het kruid met water uit de romantische put. De duif in het hok tegen de buitenmuur koert weemoedig.

Vestingboerderij
Ze wordt in haar veelomvattende taak bijgestaan door een dochter en een schoondochter. Haar negentigjarige moeder scharrelt wat rond voor de aardigheid. Vader Marsman en zoon runnen het veeteeltbedrijf, waarvoor een deel van de hoeve nog steeds wordt gebruikt. In vroeger tijden leefden de bewoners van de monumentale vestingboerderij uitsluitend van de landbouw. De horeca sloop geleidelijk binnen. Er waren er die de keuken van Brooks wel 's wilden zien. Het moest een van de mooiste en best bewaarde Saksische keukens zijn. Hun verwachting werd niet beschaamd. Ze zeiden het voort. De enkelingen werden tientallen. De tientallen honderdtallen. Het werd tijd om wat voor de koffie te gaan vragen, want het werd nu toch al te gortig. En als mensen van ver komen en wat flauw zijn moeten ze ook iets kunnen eten. Vooruit, een pannekoek erbij. Zo werd Brooks een pannekoekboerderij.

Reisgezelschap
De pot is voortreffelijk, de accommodatie niet alledaags. Waar zit je aan de koffie op een eeuwenoude deel, al dan niet onder de hilde waarop nog niet zo lang geleden het stro werd bewaard. Maar dè grote trekker is Gerrie, prototype van de vooroorlogse Nederlandse boerin. Ijzersterk, goedlachs, een blauwgeblokte schort over de kraakheldere witte blouse. Ze schenkt koffie en bedient, verkoopt tussendoor mosterd of banket uit eigen bakhuis, vertelt over de jaarlijkse schoonmaak van de hoeve en strooit zandfiguren op de betonnen vloer. Langs de boerderij nadert een drom bezoekers. Een reisgezelschap, afkomstig van hotel Eureka in Zeddam. "Kom der in, dan koj d'r oet kiek'n", nodigt een bordje op de buitendeur. Een advies dat het gezelschap gehoorzaam opvolgt. Ze staan meteen op de originele keitjesvloer van de befaamde "kokken" van Brooks. De verbazing overheerst. „Gunst, het lijkt wel het Openluchtmuseum", fluistert een bejaarde dame. „Hier valt heel wat te poetsen", is het praktische commentaar van een vriendelijke heer, die ernaar uitziet dat hij wekelijks het koperwerk voor zijn vrouw onder handen neemt. „Loop maar door naar de deel", roept Gerrie. „Hier komen we zo nog wel terug."

Bakhuis
Het brood en banket op de ouderwetse toonbank aan het begin van de deel is ambachtelijk bereid in het bakhuis achter de boerderij, waar de oven nog wekelijks gestookt wordt met takkebossen uit de houtwal rond het huis. Drie bakkers maken regelmatig een dag vrij om het vak nog eens op ouderwetse wijze te beoefenen. Uit liefhebberij. Brooks levert de faciliteiten en mag in ruil daarvoor de produkten hebben. Terwijl ze koffie met Saksische "kruudkoek" en appelgebak serveert, vertelt de inmiddels befaamde inwoonster van Gelselaar haar bezoekers over de voorwerpen aan de wand en de oude gebruiken die op Brooks nog worden gehandhaafd: op slachtvisite gaan, midwinterblazen vanaf de eerste adventsdag tot de zesde januari, honingslingeren, spinnen, weven, het beoefenen van de nabuurplichten. „Zo leefden ze vroeger", zegt ze vastberaden, „en ik ben daar zelf ook in grootgebrach' dus daar veranderen wij gewoon niet wat an. Da's misschien een heel eigenaardig iets, maar zo is dat. Het zit in de famihe. M'n grootvader bewaarde ook alles, tot z'n medicijnpotjes toe. En ze zijn altijd heel zuinig geweest op hun spulletjes. Met de schoonmaak werden niet alleen de balken met een bezem afgeveegd, maar moesten ook de spleten ertussen gereinigd worden. Met de ganzepen. Dat heb ik zelf nog gedaan, als kind. Op de knieën erbij."

Linnenkast
Over het antieke Gelderse kabinet vol linnengoed in de hoek van de "kokken" kan ze als het moet een dag vertellen. In haar jeugd ging de trots van de vrouwelijke lijn van het geslacht Brooks één keer per week open. Zondagochtend na kerktijd. Het was een bijna sacrale handeling. Terwijl de huisgenoten koffie dronken blikten ze naar het kabinet, waarin voor een vermogen aan textiel lag opgeslagen. Allemaal huisvlijt, zogenaamd pellegoed van eigen vlas dat werd gepeld, geroerd, gebraakt, gerepeld, gevlaskamd, gesponnen en vervolgens geweven. Het goed in de kast dateert uit de periode tussen 1840 en 1904. Een deel is gedragen geweest. Het grootste deel was voorraad. Omdat je nooit wist wat voor kommervolle tijden er nog eens aan konden breken. Onderaan liggen de rollen ruwe stof, waarvan hemden, slopen en lakens werden gemaakt. Gevouwen in roos- en hartmotieven. Alles had z'n vaste functie en z'n vaste plaats. Ondergoed, doeken voor het poetsen van zilver bestek en glaswerk, tafellakens en servetten voor Kerst en oudejaarsavond, een trouwhemd voor de bruidegom met houten knoopjes en lange slippen, bruidsslopen voor de eerste huwelijksnachten, een wit laken voor de huifkar.

Vlugzout
Voor het linnengoed staan missalen, kerkboeken en een karaf, geflankeerd door het bruidegoms- en het bruidsglaasje. Alleen te gebruiken op huwelijksdagen, voor het aanbieden van een welkomstdrankje aan het bruidspaar. Wie z'n huwelijksdag op Brooks viert, kan volgens traditie nog altijd kiezen uit een rode wijn of een brandewijn als welkomstdronk. Ook de reukflesjes en het vlugzout werden uitsluitend gebruikt op de grote dag. Het vlugzout heeft z'n functie verloren. Geen bruidje wordt vandaag meer zo strak ingesnoerd dat de aanwezigheid van vlugzout gewenst is om haar weer bij te brengen als ze dreigt te bezwijmen. Nu is een reëler gevaar dat ze het bewustzijn verliest vanwege onderkoeling, door de wel erg luchtige kledij, tot in het winterseizoen toe. De laden van het kabinet zijn gevuld met het kleinere textiel, zoals mutsen en zakdoeken. Onderin gingen de wollen en zijden rokken en jakken, beschermd door motteballen, munt en gedroogde tabaksbladeren. Waardevolle sieraden en kleinodiën werden bewaard in de geheime openslaande knieën van de kast.

Hennekleed
Rechts bovenin ligt het ouderwetse hennekleed, het doodslaken. Een lange lap met een brede zoom. „Van m'n opa geweest", zegt Gerrie. „Die zei: bewaar het maar als museumstuk. In zijn tijd was de mode alweer anders. Katoen en kant zat er toen aan. De heren een strik en de vrouwen kant. Zo'n doodshemd kostte elf vijftig. Dat was destijds veel geld. Toch hebben we er ook daar een paar van liggen. Je had altijd voorraad. Vroeger leefden we nooit van de hand in de tand, bij de boeren. Als er een baby geboren werd, begroeven ze de nageboorte ergens in de hof Daar werd een eik op geplant. Als die boom groot genoeg was, werden er zes planken van gezaagd die netjes in de hilde werden bewaard en regelmatig werden gedraaid, om te voorkomen dat ze krom trokken. Als het zo ver was dat je ze nodig had, ging de buurman de hilde in, bracht de planken naar de timmerman en die maakte er een kist van. Zo werd voor alles gezorgd, van de wieg tot het graf Werd er midden in de nacht getimmerd, dan zei je tegen elkaar: er is er een overleden."

Zandtapijt
Achter de keuken ligt de zogenaamde "endtskamer", waarin de ouwelui zich na de maaltijd konden terugtrekken. Een van de bedsteden is intact gehouden. Tegen de achterwand staat de kast met een collectie Gelderse knipmutsen. Daagse mutsen, zondagse mutsen, rouwmutsen, gehaakte mutsen... Ook een hobby van Gerrie. Net als weven, kantklossen, kruiden verbouwen, zand strooien... Als meisje strooide ze een compleet zandtapijt in de pronkkamer. Nu komt daar zelden meer van. Maar voor bezoekers is ze altijd bereid een demonstratie te geven. Niet ver van de hoeve ligt een bult met fijn "kökkenzand", die voorlopig nog niet uitgeput is. Op het zand in de zinken emmer die de boerin van Brooks voor het strooien gebruikt ligt een kleine waaier, waarmee ze met vaste hand een kunstig patroon op de betonnen vloer van de deel "zaait". Eronder strooit ze uit de saamgeknepen hand een korenaar, die ze met de vinger verder uitwerkt. „Vroeger deden we dat altijd op zaterdagavond. Als je dan zondag uit de kerk kwam en de pronkkamer binnenliep, zag het er feestelijk uit. Na een kwartier was het mooiste er alweer af Alleen aan de kant was het motief nog heel. De rest was kapot gelopen. Zo ging dat. Niemand die het zonde vond. Het zand schuurde de vloer goed schoon. Ik heb het altijd graag gedaan, een zandtapijt maken. Het is heel ontspannend werk. Je komt erdoor tot rust."

Schoonmaak
Ook de traditionele schoonmaak in de meimaand is gehandhaafd. Er zijn bezoekers die speciaal in deze periode naar erve Brooks komen, om te zien hoe de bewoners de hoeve op "olderwetse" wijze onder handen nemen. Van de zolder tot de kelder. De plafonds worden geboend, muren worden gewit, het goed gelucht, alles gaat van z'n plaats. „Heel leuk om te zien", vindt Gerrie. Het vrouwelijk publiek lacht instemmend. Inderdaad, heel leuk om te zien. Terwijl het gros van de Nederlandse huisvrouwen de jaarlijkse "uithaal" vaarwel heeft gezegd, wordt de voorjaarsschoonmaak op de hoeve in Gelselaar een steeds grotere operatie. Er komt alleen maar spul bij en er gaat niks af. Niet alleen de 17e- en 18e-eeuwse kledij van voorouders moet gelucht, maar ook Gerries eigen kindergoed. Jurkjes en schortjes uit haar prille jeugd, alles wordt liefdevol bewaard om het weer door te geven aan het navolgende geslacht. Om nog maar niet te praten over alle wandborden, de porseleinen lichtknoppen, het koperwerk, de prenten en schilderijen, het gereedschap, de oudhollandse spelen en het tegelpaneel achter de kolenkachel in de keuken, de plaats waar vroeger het open vuur brandde. Op elke tegel is een bijbels tafereel weergegeven, afkomstig uit zowel de canonieke als de apocriefe boeken. Onderaan staat vermeld waar de geschiedenis te vinden is. In een tijd van analfabetisme hadden de tegels een belangrijke functie in de huiscatechese.

Geen slaaf
De vraag of ze geen slaaf is geworden van haar eigen levenswerk, ontlokt de duizendpoot uit Gelselaar een aanstekelijke lach. „Och, dat weet ik niet. Ik vind het mooi om te doen. Iedereen moet toch werken. Wij moeten alleen wat meer werken dan een ander. Alle dagen, het hele jaar door. En een dag is maar zo om. Gelukkig ben ik nooit ziek. Alleen met een familiefeest of een bruiloft ben ik wel 's een dag of wat weg." Bezoekers die net zo'n dag treffen, reageren bijna zonder uitzondering teleurgesteld. De museumboerderij is mooi, maar hij komt pas tot leven als Gerrie gaat vertellen over de gebruiken van weleer, de levensgang van haar ouders en grootouders en de historie van de hoeve. Wie geen zin heeft om te luisteren kan zich vermaken met de ouderwetse spelen. Voor de kinderen staan buiten wat speeltoestellen en een paar hokken met kleinvee. Alles perfect onderhouden. „Als het regent kunnen we ze binnen ook wel bezighouden", zegt Gerrie. „Dan mogen ze zandfiguren strooien. Dat vinden ze prachtig. Er is hier eigenlijk altijd wel wat te doen."

Rotmeester
Onduidelijk is wie haar taak over moet nemen, als ze wegvalt. Zelf denkt ze daar nog maar niet al te veel aan. Ze komt uit een sterk geslacht. Moeder Broekhuis ziet er ondanks haar negentig jaren nog niet tegenop om wat mee te rommelen in het bedrijf en uren achter het spinnewiel te zitten. Overgrootvaderjan Aornt Brooks is 91 geworden. Hendrik-oom, de vader van Jan Aornt, haalde de 96. En dat ondanks hun zware leven. Ze runden niet alleen de hoeve, maar hadden als "rotmeester" ook leiding te geven aan het "rot", het buurtschap. In blijde en droeve dagen. Zo leverden de rotmeesters van Brooks onder meer de paarden voor de lijkwagen, als een van de naburen was overleden. En Jan Aornt bakte voor een begrafenis zelf de dodenkoeken. Het is alles verleden tijd. Ook voor de sterken komt het einde. Door hun eigen paarden werden ze naar het kerkhof gegebracht, waar hun lichaam volgens vast gebruik een paar keer rond de kerk werd gedragen eer het aan de aarde werd toevertrouwd.

Eerbetoon Voor Gerrie is het levend houden van de gebruiken van dit stoere voorgeslacht meer dan liefhebberij. Het is een plicht. Een eerbetoon aan vergeten generaties die de schepping zorgvuldiger beheerden dan het huidige geslacht, dat leeft of er geen volgende generatie meer komt. „Veel mensen hollen voortdurend achter iets nieuws aan. Dat heb' wij nooit gedaan. Ze vonden ons ook vroeger al olderwetse mensen. Ech' olderwets. We heb' liefde voor onze spullen. We eten ook nog net als vroeger. Niks geen apartigheden. Veel met kruiden uit de eigen hof. Allemaal biologisch. En we bemesten met as uit de bakoven en de kachel. Dat maakt de grond heel vruchtbaar. Niks gooien we weg." Als ze de moderne samenleving gadeslaat, kan ze alleen maar het hoofd schudden. Terwijl op Brooks zelfs de as nog wordt gebruikt, wordt elders met geld gesmeten. „Neem nou al die subsidies. Ik heb dat zelf ook wel gezien en gehoord op verenigingen. Ze heb' nog niks gedaan of er wordt al subsidie an'evraag. Kijk, daar gaat de gemeenschap aan kapot. We kunnen hier ook wel subsidie voor aanvragen. Dat is makkelijk zat. Maar dat doen we toch niet. Wij redden onszelf wel."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.