+ Meer informatie

Om het behoud van een kerk

7 minuten leestijd

(2)

De leeruitspraak van 1931

In hoofdstuk 2 {Naar een theologisch herkenbare gestalte) staat de leeruitspraak van 1931 centraal. Die heeft veel te maken met de gesprekken die sinds 1919 waren gevoerd met de Christelijke Gereformeerde Kerk over een mogelijk samenleven. De gesprekken werden in 1928 als beëindigd beschouwd 'vanwege een gebrek aan tegemoetkoming'. En dat laatste kunnen we weer niet loszien van een publicatie van ds. J.

Jongeleen van de CGK, waarin hij een wezenlijk onderscheid aanbracht tussen het verbond der verlossing en het verbond der genade. In die visie werd het genadeverbond niet door de verkiezing beheerst. Dit betekent onder meer dat alle gedoopten tot het genadeverbond behoren. Voor ds. Kersten is de gedachte dat niet-uitverkorenen deel zouden hebben aan de goederen van het verbond der genade onaanvaardbaar. En zo begon de strijd over de twee of drie verbonden, die zou voortduren tot in de jaren dertig. De polemiek werd met toenemende scherpte gevoerd. Soms te scherp, zo toont Golverdingen aan, namelijk wanneer de persoonlijke integriteit van de deelnemers in het geding werd gebracht. Laten we het verleden wat dat betreft maar niet te veel idealiseren. Ook toen was het wel wat op kerkelijk erf.

Naast de discussie over de verbonden met de CGK voltrekt zich nog een ontwikkeling, die om theologische reflectie vroeg. Dat had te maken met de prediking van de gebroeders Overduin (D.C. en J.), waarin veel te weinig de notie van de verantwoordelijkheid van de mens gehandhaafd bleef. De 'Overduintjes' konden behoorlijk radicaal zijn. Zo moest ds. D.C. Overduin op de PS-Noord de vraag beantwoorden hoe hij oordeelde over 'den Wille Gods'. Hij antwoordde: 'Eén wil, de wil des besluits. En het is knoeierij van Hellenbroek te spreken van een wil des besluits en een wil des bevels'. Het liep er op uit dat de gebroeders Overduin zich afscheidden en zo ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in hersteld Verband (te Rotterdam, Sliedrecht en Giessendam). Het is duidelijk dat door de ontwikkeling rond de gebroeders Overduin ook de bezinning op de verantwoordelijkheid van de mens aan actualiteit won. Op 20 februari 1929 werd te Rotterdam een bidstond gehouden voor de PS-Noord. Het Woord werd bediend door ds. J. Fraanje, die tijdens de preek met nadruk zei dat Christus het Hoofd is van het genadeverbond voor al de uitverkorenen en die alleen. Vervolgens werden op de Synodevergadering naar aanleiding van de bidstond vragen gesteld over het genadeverbond. Er ontwikkelde zich een brede bespreking, die resulteerde in een zestal uitspraken. In die zes uitspraken wordt gezegd dat het verbond der genade staat onder de beheersing van de verkiezing, dat de Schrift slechts twee verbonden kent, dat het gaat om twee Hoofden (Adam van het Verbond der Werken en Christus van het Verbond der Genade), dat een verbond in zijn wezen twee partijen kent, dat er wat het verbond der genade betreft onderscheid gemaakt moet worden tussen 'bediening 'en 'wezen' en dat op elk mens verantwoordelijkheid rust.

De leeruitspraken zijn, zo moet achteraf vastgesteld worden, op een wat ongewone wijze tot stand gekomen. Ze vormden geen punt op de agenda van de Synode. Er was ook geen ingekomen stuk dienaangaande. Er waren slechts enkele vragen naar aanleiding van de bidstond. De door de DKO voorgeschreven gang van zaken werd dus niet in acht genomen. Wel besloot de Synode het oordeel van de Generale Synode over de uitspraken te vragen. We mogen de uitspraken vanzelfsprekend niet relativeren om de wijze waarop ze tot stand gekomen zijn. Golverdingen merkt terecht op: 'Het feit dat aan de uitspraak oorspronkelijk een kerkrechtelijke basis ontbrak, doet aan de geldigheid daarvan niets af, omdat de leeruitspraak door de herhaalde uitspraken van meerdere vergaderingen als zodanig is geaccepteerd'.

Overigens bleek ds. De Blois wat genuanceerder over het genadeverbond te denken en verder kwam er kritiek van de zijde van prof Van der Schuit van de CGK, waardoor ruimschoots vóór de GS van 1931 de zaak reeds op een predikantenconferentie werd besproken. Op de GS zelf was er overigens sprake van een brede en aangename bespreking over de zes punten en de bewoordingen van de eerste leeruitspraak werden zo gekozen, dat ook ds. De Blois ermee kon instemmen.

Wat beoogde nu eigenlijk deze leeruitspraak van 1931 in het geheel van de ontwikkelingen van de Gereformeerde Gemeenten? Golverdingen schrijft dat het vooral gaat om het innemen van een evenwichtige positie, waarbij recht gedaan wordt aan de bijbelse leer van het geheim van de verkiezing én van de verantwoordelijkheid van de mens. Ds. Kersten heeft '1931' vooral gezien als een verduidelijking van de leer van het verbond in de confessie.

Ds. Golverdingen gaat in dit hoofdstuk terecht ook nog in op de interpretatie van de leeruitspraken door J. Blaauwendraad, die enkele jaren geleden enkele geruchtmakende boekjes schreef Volgens de laatste zou de leeruitspraak een compromis zijn tussen de 'Kersten'-vleugel en de 'Kok'-vleugel. Golverdingen toont duidelijk aan, dat die interpretatie geen enkele steun vindt in de primaire bronnen. Wel hebben de leeruitspraken ervoor gezorgd (en dat is positief), dat de Gereformeerde Gemeenten hierdoor een theologisch herkenbare gestalte verkregen. De uitspraken van 1931 waren zeker niet bedoeld om de belijdenis aan te vullen of een vierde belijdenisgeschrift toe te voegen. Het ging om een dogmatische verduidelijking van de leer.

Jaren van consolidatie

In hoofdstuk 3 spreekt de schrijver over de jaren dertig als jaren van consolidatie. Dit hoofdstuk draagt een heel wat minder dogmatisch karakter dan het vorige over de leeruitspraken van 1931. Persoonlijk ben ik er heel blij mee, dat br. Golverdingen in dit boek ook aandacht schenkt aan het (bevindelijk) leven van Gods kinderen in deze jaren. Anders zou een buitenstaander wellicht denken dat men alleen maar op dogmatische wijze sprak en hevig discussieerde over de verbonden en over het aanbod van genade. De jaren dertig moeten gezien worden als een periode van bloei in het kerkelijk leven van onze Gemeenten, waarbij een grote trek naar de gemeenten in de grote steden opviel. Ook kwamen opvallend veel mensen over vanuit de Nederlandse Hervormde Kerk, die zich aangetrokken voelden door het schriftuurlijk-bevindelijk karakter van de prediking en het geestelijk leven.

Golverdingen tekent vervolgens het gezelschapsleven, waaruit een belangrijk deel van de Gereformeerde Gemeenten ontstaan is. En: 'Het goede gezelschap is een oefenplaats van levensechte, authentieke vroomheid'. Namen worden genoemd als die van I.J. Hage, Bart Roest, blinde Marie den Doelder en het echtpaar Witte-Welleman. Overigens konden de gezelschappen ook schaduwzijden hebben. Zeker als men elkaar ging opbouwen in een gevoelig, gestaltelijk leven. Met name ds. G.H. Kersten heeft in woord en geschrift de gemeenten opgeroepen om die prediking en die gezelschappen te schuwen, die een zondaar een funda- ment willen geven buiten Christus. Van dat laatste was Anna Schot overtuigd. Zij vertelde over de zegen die zij te Poortvliet mocht ontvangen onder een preek van ds. Fraanje. Volgens haar aantekeningen zei hij: 'Als mensen een oud huis afbreken, om het opnieuw weer op te bouwen, zeggen we wel: Laat het oude fundament maar zitten, daar kunnen we wel weer op bouwen. Dat doet de Heere niet, die breekt het oude fundament af waar de mens op wil bouwen: goede werken, tranen, goede gestalten, toezeggingen enz. De Heere blijft twisten met de ziel, tot ze alle eigen steunsels kwijt is en de Heere een nieuw fundament legt, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen'. In het algemeen kan gezegd worden dat de nadruk in de prediking op de noodzaak van de kennis van Christus en de zekerheid van het geloof zeer zegenrijk gewerkt heeft. Elke gemeente kende wel enkele geoefende christenen. Vanzelf komen in dit hoofdstuk ook ter sprake zaken als de economische crisis, de standpuntbepaling ten aanzien van de NSB en de diaconale hulp. Er bleek bij sommige predikanten een grote pastorale betrokkenheid te zijn bij de nood van de gemeenteleden. Ook dat zorgde voor de werfkracht van het kerkverband in de jaren dertig. Maar het belangrijkste was de opvallende vrucht op de prediking als het werk van Gods Geest. We behoeven niet terug te verlangen naar de armoe van de jaren dertig, maar we mogen toch wel uitzien in onze dagen naar de vrucht van de werking van Gods Geest zoals die toen waarneembaar was.

(wordt vervolgd)

N.a.v. Golverdingen, M. Om het behoud van een kerk. Uitg. Den Hertog, Houten. Prijs: € 22, 50. 302 pagina's.

's Gravenpolder,

ds. J. Schipper

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.