+ Meer informatie

EEN RIJK BOEK OVER DE NADERE REFORMATIE

6 minuten leestijd

Het was een grote verrassing de reeds eerder aangekondigde bundel studies over de Nadere Reformatie in handen te krijgen. Kennisname van dit omvangrijke boek deed mij ertoe besluiten er een kort artikel aan te wijden.

Het boek is geschreven door dr. Brienen, drs. Exalto en de hoogleraren Van Genderen, Graafland en Van ’t Spijker. Deze vijf auteurs hebben twaalf artikelen voor hun rekening genomen. De inleiding is geschreven door Van ’t Spijker en de uitleiding, onder de titel: „Kernen en contouren van de Nadere Reformatie”, door Graafland. Daartussenin treffen we een artikel aan over Willem Teellinck (Exalto), over Gisbertus Voetius (Van ’t Spijker), over Jacobus van Lodenstein (Graafland), over Jacobus Koelman (Van ’t Spijker), over Wilhelmus à Brakel (Van Genderen), over Herman Witsius (Van Genderen), over Bernardus Smytegelt (Brienen), over Wilhelmus Schortinghuis (Exalto), over Theodorus van der Groe (Brienen) en tenslotte over Alexander Comrie (Graafland). De keus van deze auteurs wordt gerechtvaardigd door de ondertitel waarin we de beperking tegenkomen: haar voornaamste vertegenwoordigers. Ik heb met deze keus vrede, al moet ik zeggen dat het mij spijt dat Amesius ontbreekt. Ook Taffin en Udemans had ik graag behandeld gezien. Wat mij betreft zou men aan het eind er dan wel een hebben mogen laten vallen.

Deze kritische opmerking aan het begin betekent allerminst dat mijn aankondiging van dit boek kritisch getoonzet zal zijn. Integendeel. De titel waaronder ik dit boek bespreek, geeft mijn waardering voor de inhoud aan.

Reeds lang was het wachten op een boek waarin een soort samenvattend overzicht gegeven zou worden van de voornaamste vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Met dit boek is die verwachting in belangrijke mate vervuld.

Boeiend is te zien hoe Van ’t Spijker een breed en diep opstel over Gisbertus Voetius schrijft. Ook zijn bijdrage over Jacobus Koelman acht ik van betekenis. Van Genderen besteedt aandacht aan Herman Witsius en diens tijdgenoot Wilhelmus à Brakel. Oriënterende artikelen waarin belangrijke themata uit hun leven en werk aan de orde gesteld worden. Het artikel van Exalto over Willem Teellinck is nogal kritisch uitgevallen, evenals zijn artikel over Wilhelmus Schortinghuis. Voor het laatste acht ik meer grond aanwezig dan voor het eerste. Graafland behandelt Jacobus van Lodenstein en Alexander Comrie. Het laatste overzicht is wel breed uitgevallen, maar we missen de detaillering die we bij andere opstellen aantreffen. In het algemeen moet gezegd worden dat de opzet en de aanpak van de onderscheiden auteurs nog wel wat verschillend is. Mij is dat geen overwegend bezwaar. Integendeel, door ieders eigen aanpak krijgen we een geweldig stuk informatie over de beschreven theologen en over de standpunten en problemen waarmee zij in aanraking kwamen.

Belangrijk is na te gaan hoe de desbetreffende vertegenwoordiger van de Nadere Reformatie zich opstelde ten opzichte van de Reformatie. Met name de plaats van de heiliging in verhouding tot de rechtvaardiging, en die van de wet ten opzichte van het evangelie, kunnen fungeren als een peillood om deze relatie te bepalen. Daarnaast is ook de prediking van de beloften een belangrijk gegeven om de afstand of de nabijheid tot de Reformatie te meten. Bij sommigen moet zelfs gesproken worden van een „voorwaardelijk evangelie”. Dit in tegenstelling tot de reformatoren.

In de inleiding gaat Van ’t Spijker in op de Nadere Reformatie. Hij tracht haar plaats te bepalen binnen het Europese piëtisme en binnen het piëtisme in het algemeen. Het gaat om drie kenmerken in de Nadere Reformatie: Er vindt een verschuiving plaats van de openbaring naar het subjectieve; van de gemeenschap naar de individualiteit; en naar de preciesheid waarmee de wet moet worden opgevolgd. In het verlengde van dit laatste ligt de uitgebreide aandacht voor de heiliging en de vroomheid, voor de praktijk van de godzaligheid. De schrijver wijst op de relatie met de Engelse puriteinen en de wederzijdse beïnvloeding. Het is een interessante introductie tot een belangrijk verschijnsel in de geschiedenis van de protestantse kerken in Nederland.

Graafland verzorgt wat ik noemde de uitleiding. Het heeft iets weg van de tegenhanger van de inleiding. Hij geeft een samenvatting en maakt in zekere zin de rekening op. Ik gebruik hierbij de aanduiding „in zekere zin” omdat hij op de voorlaatste bladzijde van zijn opstel zegt: „Dat we ons zoveel mogelijk aan een inhoudelijke beoordeling van de Nadere Reformatie dienen te onthouden”. Ik vind dit een merkwaardige zin. Wat in het voorgaande door verschillende auteurs werd gedaan, is toch niet minder dan een soort beoordeling geven van de Nadere Reformatie, al was het alleen maar onder het gezichtspunt van haar relatie tot de Reformatie. In het slothoofdstuk is tussen de regels door toch heel voorzichtige kritiek op de synode van Dordrecht te lezen. Ik wijs daartoe op de bladzijden 354 en 355, waar Graafland een ontwikkeling tekent waarvoor hij minder waardering heeft dan voor de Reformatie. Het gaat met name om de door hem aangewezen samenhang tussen nadruk op de verkiezing en op de wedergeboorte. Het wil mij voorkomen dat juist dit boek in het slothoofdstuk meer dan een historische plaatsbepaling moest geven. Hier mocht een inhoudelijke beoordeling verwacht worden, zoals die - ik memoreerde het reeds - door sommige auteurs ook wordt gegeven.

Nu ik toch bezig ben met het op papier zetten van wensen, zou ik ook graag willen zeggen dat een historische introductie in dit boek niet misstaan zou hebben. Ik bedoel daarmee uiteraard meer dan wat we in het eerste hoofdstuk aantreffen. Het gaat mij dan vooral om een tekening in grote lijnen van de situatie van de kerk en samenleving. Ik besef dat het wel wat veel gevraagd is om deze wens op tafel te leggen; te meer omdat de Nadere Reformatie op zijn minst twee eeuwen omvat. Toch zou een dergelijk historisch kader het bestaan van het verschijnsel en wellicht ook de nuanceringen binnen de verschillende stromingen scherper hebben doen uitkomen.

Graag wil ik nogmaals mijn grote waardering uitspreken voor wat de auteurs ons hebben geboden. De genoemde figuren worden zo beschreven dat men hun bedoeling kan onderkennen en met de hoofdlijn in hun geschriften vertrouwd wordt gemaakt. Wie iets van het gereformeerde protestantisme in ons land wil begrijpen, kan om dit boek niet heen. Bij alle verscheidenheid in aanpak kenmerkt één trek het werk van alle auteurs: dat is een grote liefde voor het werk van de beschreven vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie. Ook daar waar soms kritische noten gekraakt worden, geschiedt dat niet uit lust tot kritiseren, maar vanuit het verlangen om helder zicht te krijgen op de betekenis van deze belangrijke periode uit de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Graag wil ik dit boek aan alle ambtsdragers aanbevelen. Het is geen boek om in twee avonden uit te lezen. Het is wel een boek om steeds weer naar te grijpen en dan het ene opstel met het andere te vergelijken.

Dr. T. Brienen e.a., De Nadere Reformatie. Beschrijving van haar voornaamste vertegenwoordigers. 379 blz., f. 55,-. Uitgeverij Boekencentrum, ’s-Gravenhage 1986.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.