+ Meer informatie

VRAGENBUS

8 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan : j l 7'. MOLENAAR. Leede 18. Rotterdam Zuid

H. de W. te Gr.-A. vraagt of de bekering van Ninevé een waarachtige of uitwendige bekering was. J

Antwoord: Als de onderwijzer in Zondag 33 handelt over de waarachtige bekering, dan spreekt hij overeen hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben en die hoe langer hoe meer haten en vlieden, maar ook van een hartelijke vreugde in God door Christus en lust en liefde om naar de wille Gods in alle goede werken te wandelen.

Vinden we deze kenmerken nu in de Ninevieten? Immers neen! Deze bekering was geen inwendige, geen gevolg van het inzien van de zonde als schuld voor God, maar een uitwendige, zoals men dat noemen kan een nationale bekering. Een berouw over de uitwendige zondige daden en een poging om de zonde te mijden. Een bekering van de zonde tot de deugd.

Toch is zulk een bekering Gode niet. ongevallig. Ook op zulk een bekering wil de Heere de roede wegnemen, of het oordeel en de uitvoering van het vonnis opschorten.

We kennen de geschiedenis, die ik dus niet behoef te herhalen, maar ik wil toch de aandacht vestigen op het 5e vers van Jona's 3e hoofdstuk, waar we lezen: , , En de lieden van Ninevé geloofden aan God." Er staat dus niet, dat zij in God geloofden. Dat mag Gods volk uit genade doen. De satan gelooft ook aan God, maaibij siddert.

Als er gesproken wordt over het vasten, dat de Ninevieten deden, dan onderschrijf ik van harte wat Matth. Henry zegt: „Het is niet genoeg te vasten om de zonden, maar wij moeten ook vasten van de zonden.

Het werk van een vastendag is met één dag niet gedaan, maar dan begint het zwaarste en noodzakelijkste deel van het werk het eerst, hetwelk is van zonde zich te bekeren en een nieuw leven leiden en met de hond niet weder te keren tot zijn uitbraaksel."

En dat laatste is nu juist met Ninevé gebeurd. De Heere heeft in Zijn lankmoedigheid de straf verschoven, totdat deze grote heidense stad in haar ontwikkeling tot een anti-goddelijke wereldmacht de mate harer zonde had vol gemaakt.

De profeet Nahum heeft haar ondergang verkondigd.

H. de W. te Gr.-A. gaat verder en vraagt: ls het een uitwendige bekering is geweest hoe moet ik dan verstaan de uitspraak van de Heere Jezus in Matth. 12 : 41?

Antwoord: In Matth. 12 geeft de Heere Jezus de Farizeeërs geen ander teken dan van Jona en stelt tegen hun hardnekkigheid het voorbeeld der Ninevieten en van de koningin van het Zuiden, zeggende: „De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen, want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona en ziet meer dan Jona is hier!" enz.

Bij deze gelegenheid spreekt Christus over het treurig karakter en de ontzettend verharde toestand van het volk der Joden. Een geslacht, dat niet veranderd wilde worden en dus niet anders dan zijn ondergang tegemoet ging. De Heere Jezus schetste de gesteldheid huns harten, zoals deze bevonden zal worden te zijn in de dag des oordeels. Het is alsof de Heere Jezus wil zeggen: „De Ninevieten kwamen nog tot een bekering, al was het een nationale bekering en dat onder de bediening van een profeet. Maar Mij, Die tot u komt, als De Profeet, gelooft ge niet. Daarom zullen de Ninevieten in het oordeel tegen u getuigen en zal het hen draaglijker zijn dan u, want die de weg geweten en niet bewandeld zal hebben zal met vele slagen geslagen worden."

H. de W. te Gr.-A. vraagt eindelijk nog wat de betekenis is van Jona 4 : 11.

Antwoord: In Jona 4 vers 11 lezen we: En zou Ik die grote stad Ninevé niet verschonen, waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand en hun linkerhand; daartoe veel vee?

Het is kennelijk de bedoeling des Heeren, om Jona te doen inzien zijn ongestalte in betrekking het sparen van Ninevé. De Heere wil Zijn kind genezen, opdat hij Gods weg met Ninevé zal goedkeuren.

Daartoe spreekt Hij van de vele mensen, die in die stad wonen, benevens het vele vee, dat daarin is. Algemeen wordt verondersteld dat Ninevé een stad was van ruim zeshonderd duizend mensen.

Keil maakt bij deze tekst de volgende opmerking:

„Het einde van het zevende jaar is een zeer algemene grens van leeftijd, die wij ook wel met zekerheid bij de Hebreeën kunnen veronderstellen om het zevental. Honderd en twintig duizend kinderen tot het einde van 't zevende jaar zou een bevolking van zeshonderdduizend mensen voor Ninevé geven, daar het getal kinderen van die leeftijd een vijfde der gehele bevolking bedraagt en er geen reden is voor het Oosten een werkelijk andere verhouding aan te nemen. Deze bevolking komt geheel overeen met de grootte der stad."

Waar de Heere Zijn doen met Ninevé tegenover Jona rechtvaardigt, openbaart Hij Zich als een heilig en rechtvaardig God, maar tevens als een God Die barmhartig en genadig is, Die de zonde haat, maar de berouwhebbende zondaar genade wil bewijzen.

K. v. cl. W. te L. heeft mij enige lectuur toegezonden verband houdende met mijn lezing te L. over „Gezag en gehoorzaamheid", waarvoor mijn vriendelijke dank.

Nu vraagt hij mij iets mede te delen over de pluriformiteitsleer.

Antwoord: Pluriformiteit staat tegenover uniformiteit. Onder dit laatste verstaan wij de eenvormigheid der kerk, niet alleen geestelijk in haar wezen, maar ook zichtbaar in haar vorm, in haar openbaring.

Tien eeuwen lang heeft de Chr. Kerk onder de concilies, die de dogmatische geschillen beheersten, zich in haar uniformiteit geopenbaard. Toen de scheiding tussen de Oosterse en Westerse kerk in 1054 een voldongen feit werd, werd de uniformiteit der Apostolische, maar reeds lang door de hiërarchie verbasterde kerk, voor goed verbroken.

Rome houdt formeel aan de uniformiteit vast, doordat zij de onzichtbare en zichtbare kerk, wezen en vorm vereenzelvigt. Als de éne wereldkerk treedt zij naar buiten onder haar zichtbaar hoofd, de Paus van Rome.

Hoewel Rome de Oosterse kerk verklaarde als scheurkerk, was in 1054 het feit der pluriformiteit beslist. En die scheiding" werkt opnieuw krachtig door toen in de 16e eeuw de Protestantse kerken met Rome braken en een eigen kerkvorm gingen scheppen.

Zelfs tussen Luther en Calvijn kwam een diepgaand verschil, zodat er twee verschillende kerkformaties ontstonden.

En welk een verscheidenheid is er heden ten dage. De splijtzwam heeft zich i.z.h. in de 19e en 20e eeuw

Een pluriformiteit, die wegens verschil van volk en taal ontstaat, is gegrond op natuurlijke door God zelf gegeven verschillen, maar een pluriformiteit, zoals die thans in Nederland tussen verschillende kerken van Gereformeerde belijdenis bestaat, is gevolg van menselijke zonden.

De kerk waartoe wij behoren nl. de Geref. Gemeente achten wij niet gelijkwaardig aan andere kerken, omdat wij geloven, dat de Geref. Gemeenten een van de zuiverste openbaringen is van Christus' kerk op aarde, maar wij geloven toch ook weer niet, dat de Geref. Gemeente de éne ware kerk is, zodat de andere kerken valse kerken genoemd moeten worden.

We moeten ons wachten voor onverschilligheid 'ten opzichte van eigen kerk, maar deze lief hebben, maar aan de andere kant moeten we niet kerkistisch zijn alsof in andere kerken niets goeds ware, want het karakter van de pluriformiteit van Christus' kerk is, dat zij in het geestelijke één is, nl. haar zaligheid en verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de H. Geest, maar in het zichtbare zich pluriform d.i. in vele kerkvormen openbaart.

Wat het wezen der kerk betreft zij opgemerkt, dat zij is één lichaam en één geest, gelijkerwijs zij ook geroepen is tot één hoop harer roeping. Zij besluit één Heere, één geloof, één doop. De Heere Jezus bad in het Hogepriesterlijk gebed: „Dat zij één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader! in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt."

Wie deze eenheid, die de eeuwen door in de verschillende volken en talen, geslachten en natiën in verschillende kerkvormen tot openbaring komt, om allerlei bijkomstigheden verbreekt, verscheurt de kerk des Heeren in haar openbaring.

In de Hemel zal er geen gedeeldheid meer zijn. Daar zal het wezen: Eén Herder en één kudde.

Van Mej. W. d. H. ter T.A., van een vrieiul uit B. en van A. Jongbloed te Leeuwarden heb ik brieven ontvangen in verband het antwoord in een van de vorige nummers van „Daniël" over de vraag, welke Bijbel ik kon aanbevelen.

Ik heb toen aanmerking gemaakt op een Bijbel, die uitgegeven wordt bij Jongbloed en ik heb aanbevolen de Bijbel, die uitgegeven wordt bij J. Brandt.

Nu echter blijkt, dat ik wat eenzijdig ben ingelicht, wil ik het antwoord, wat te vinden is in de 5e jaargang van „Daniël" No. 10 nader aanvullen.

Uit de ontvangen brieven, „die mij worden toegezonden, blijkt dat Jongbloed, behalve de genoemde en gesignaleerde Bijbel, ook Bijbels uitgeeft, die ons wel voldoen en waarin de hinderlijke en foutieve vertalingswoorden niet voorkomen.

Voor mij ligt een mij toegezonden Bijbel van Jongbloed. Die is naar de ongewijzigde Statenvertaling en is verkrijgbaar gebonden in zwart kunstleer met goudtitel en gele snede voor de prijs van ƒ 7.60.

Ook die Bijbel, besteln. 06203, formaat 15 x 22 en voorzien van tekstwijzigingen tussen de verzen, plus familieregister kan ik ook van harte aanbevelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.