+ Meer informatie

OP BUURTBEZOEK

14 minuten leestijd

Het is al een hele tijd geleden dat we op bezoek geweest zijn bij onze „buren”. Met „buren” worden in dit verband bedoeld de bladen die in andere kerkgemeenschappen een overeenkomstige functie hebben als „Ambtelijk Contact” in onze kerken. De redactie was destijds van mening dat het goed zou zijn eens na te gaan wat er in deze bladen die in die andere kerkgemeenschappen ambtelijk contact onderhouden, aan de orde wordt gesteld, wat daar de aandacht vraagt en - als de ruimte ’t toelaat - hoe men een en ander trakteert. De redactie meende dat het zin had weer eens te gaan „buurten” bij die andere bladen. Vandaar dit artikel.

Ook in andere kerkgemeenschappen worden ten dienste van de ambtsdragers bladen uitgegeven die hen willen helpen hun ambtswerk zo goed mogelijk te verrichten. Informatie over dat werk, toerusting tot dat werk dat zo gevarieerd is als het gemeentelijk leven gevarieerd is, wordt allerwegen als een behoefte ervaren. Wie die behoefte niet kent noch in de praktijk leert kennen, bewijst alleen maar het ambt onwaardig te zijn, verstoken als hij blijkt te zijn van alle zelfkennis, laat staan van de „verborgen omgang” met de Ambtsgever. Waar informatie en toerusting serieus worden genomen - in wezen dus het ambt zelf -, zijn er mogelijkheden gezocht om die aan de ambtsdragers te verschaffen. Naast het gesproken woord - in broederlijke discussie van kerkelijke vergadering tot conferentie - is het geschreven woord in boek en blad hier van grote betekenis. We zouden van „vakpers” kunnen spreken, ware het niet dat „ambt” en „vak” onvergelijkbare grootheden zijn. Zodra ze op elkaar gaan lijken, hapert er iets aan het ambtsbesef en aan de ambtsbezinning! Het zal weinig tegenspraak wekken wanneer iemand z’n „vak” waardeert en beoefent als een „ambt”, een opdracht, een roeping, een dienst jegens God en de naaste. Wie echter z’n „ambt” alleen maar „vakmatig” ziet en beleeft, zal het verwijt dat ambt te denatureren moeilijk kunnen ontgaan. Daarom is regelmatige bezinning zo dringend nodig en zijn er instanties die bezinning en toerusting willen dienen door geregelde publikatie.

Is de uitgevende instantie bij ons „Ambtelijk Contact” het landelijk comité dat ouderlingen- en diakenenconferenties voorbereidt, bij onze „buren” zijn er die iets „officieler” worden uitgegeven. Het zijn de bladen die zich met het diaconaat bezig houden. „Het diakonaat, contactblad voor de gereformeerde diakonale arbeid” wordt weliswaar door Kok-Kampen uitgegeven, maar het „Algemeen Diakonaal Bureau” van de Geref. Kerken rekent deze uitgave als behorend tot zijn „dienstverlening aan diakenen”. „Diakonia, maandblad ten dienste van het diakonaat in de nederlandse hervormde kerk” is een uitgave van de „Generale Diakonale Raad ten dienste van het diakonaat in de Nederlandse Hervormde Kerk”. Het „Ouderlingenblad, maandblad voor ouderlingen en andere pastorale werkers in de gereformeerde kerken” verschaft geen informatie omtrent de uitgevende instantie. Het blad „Dienst” is een blad dat wat deze kant van de zaak betreft, het meest in onze buurt komt; het wordt uitgegeven door een comité als het onze nl. het „Comité voor de Centrale Diakonale Conferentie van de Gereformeerde Kerken, ten dienste van ouderlingen en diakenen” (ter verduidelijking: hier worden de „vrijgemaakte” kerken bedoeld). Officieel of minder officieel, kerkelijk of semi-kerkelijk uitgegeven - wilt u: ambtelijk of semi-ambtelijk - het moge een zwaar probleem zijn voor wie graag met het „probleem” van de verantwoordelijkheid sjouwen, wat de doelgroep (voor wie de publikatie bedoeld is) betreft, is er geen verschil. Bij al onze „buren” gaat het er om de ouderlingen en de diakenen te dienen, hetzij met één blad (vrijgem. - als bij ons zelf), hetzij met afzonderlijke bladen (geref. en ned. herv. - althans de diakenen). Hervormde ouderlingen moeten (kunnen?) het blijkbaar zonder een voorlichtend en toerustend blad stellen (misschien bestaat er wel een blad voor hen, maar in het „buurtverkeer” met ruilnummers is het de A.C.-redactie niet bekend).

Hoe richten deze „buren” zich nu op hun doelgroep? Sinds het laatste buurtbezoek in december 1978 zijn er vele, vele nummers verschenen. Het zou te ver voeren tot 1979 terug te gaan om deze vraag te beantwoorden. We beperken ons tot 1986 en beginnen met de twee diaconale bladen:

Diakonaat en Diakonia

die respectievelijk met de 83ste en met de 52ste jaargang bezig zijn. Deze „buren” zijn reeds jaren „samen op weg” - om in de lijn van de beeldspraak te blijven: wonen bijna onder één dak. Herhaaldelijk kom je dezelfde artikelen tegen in beide bladen. Evenals in voorgaande jaren wordt er ook in de voorliggende jaargang veel aandacht besteed aan het diaconaat over de grenzen. Niet altijd is daarbij de relatie met het diaconaat van de kerken even duidelijk. Bijvoorbeeld als het gaat over de apartheid („Steunt uw geld apartheid?” - volgens het gangbare recept: de extremen naar beide kanten nog extremer maken door de zeer uitgesproken stellingname). Dat het „Kairos-document” brede belangstelling krijgt - bijna een heel nummer wordt eraan gewijd -, zal niemand verwonderen die de visie op het diaconaat van beide bladen enigszins heeft gevolgd. De situatie in Oost-Europa komt aan de orde, maar ook „activiteiten in Latijns-Amerika, die zijn gericht op de verandering van maatschappelijke structuren in dat deel van de wereld”. Naast aandacht voor landbouwvoorlichting in Pakistan en voor werelddiaco-naat in Kenya is er aandacht voor wat er aan de hand is in Ethiopië en Eritrea en voor Afghaanse vluchtelingen. Er wordt over groeiend verzet in Afrika tegen vrouwenbesnijdenis geschreven, maar ook over 25 jaar Amnesty International. Het thema „Gaven delen - wereldwijd” dat voor de jaren 1985-1987 is gesteld voor zending, werelddiaco-naat en ontwikkelingssamenwerking, komt op allerlei wijze ter sprake. Als dan de politiek ook nog in de discussie komt (zelfs „in ruimere en in engere zin”!), dan zal voor wie zich de afkomst van met name Het Diakonaat realiseert waar men zo op scherpe onderscheidingen gespitst was (kerk als „organisme” en als „instituut”) en wars was van alle „grensoverschrijding” tussen de ambten, de vraag als vanzelf opkomen hoe zo’n „branchevervaging” - om ‘t zo eens te noemen - zich heeft kunnen doorzetten. Is het omdat de horizon zoveel wijder is geworden door de moderne communicatiemogelijkheden, dat ook de „armen en ellendigen” (waarover ons oude bevestigingsformulier spreekt) buiten de eigen gemeente in het vizier komen? Die diaken van weleer was aan de eigen gemeente gebonden, kwam slechts sporadisch over de grenzen van die gemeente heen - en dan doorgaans nog in nauwe betrekking tot die gemeente. Dáár oefende (typische uitdrukking!) hij in Christus’ naam barmhartigheid „niet alleen met uiterlijke gift, maar ook met troostelijke reden uit het Woord Gods”. Die diaken lijkt nu een figuur uit een grijs verleden. Barmhartigheid is immers voor velen bijna een besmet woord geworden - begrijpelijk voor wie denkt aan de „bedeling” van vroeger - en het „recht der armen” verdringt steeds meer de liefde tot de naaste - intussen praktisch afgekocht via sociale premies en belastingen. Toch zal de stelling nauwelijks bestreden worden dat een te scherpe scheiding tussen prediking en beleving van het Evangelie met het woord en met de daad („woorddienst” en „daaddienst”) met name in de praktijk niet verantwoord noch mogelijk is. Het ene kan niet zonder het andere in diaconale twee-eenheid. Maar als maatschappelijke en politieke „structuren” een diaconàle aangelegenheid worden, dreigt dan geen verclericalisering van het leven naar de ene en „ontkerkelijking” van de gemeente naar de andere kant? Afgedacht van deze en dergelijke vragen de gevarieerde informatie over wat er „wereldwijd” sociaal en politiek passeert, boeit hoe dan ook de aandacht!

Daarnaast komen ook zaken aan de orde, waaruit blijkt dat de „armen en ellendigen” dichtbij niet vergeten worden. De geestelijke verzorging van doven krijgt aandacht, maar ook het dementieprobleem („Steeds een stukje afscheid nemen”). Asielzoekers, „illegalen”, woonwagenbewoners, gehandicapten, vluchtelingen, ze trekken aan het diaconale oog voorbij, dat ook open is voor „vrouwen in kerk en samenleving”, voor ouderen èn jongeren, alsook „Als je niet alleen wilt blijven……”. Er zou in dezen nog meer te noemen zijn. En het is verleidelijk breder op elk aspect dat hier genoemd wordt, in te gaan. De beschikbare ruimte weerhoudt dat te doen. Over het algemeen zijn de desbetreffende artikelen vlot en informatief geschreven. Dat ook het plaatselijke werk bij zoveel breed diaconale inzet niet vergeten wordt, blijkt uit artikelen over het werk bijv. in Utrecht, Wormerveer, De Rijp, Deventer enz. en uit de regelmatig geplaatste „kroniek”. Ook deze informatie is leerzaam. Van de vroegere diaken die met „uiterlijke gift en troostelijke reden” de gemeente inging, moge niet zoveel overgebleven zijn, het is boeiend te volgen hoe men dat nu „vertaalt”.

Veel plaats in deze beide diaconale bladen wordt voor bezinning ingeruimd. Een heel nummer is gewijd aan „jongeren en diakonaat”, waarbij niet alleen de vraag gesteld wordt (en beantwoord) wat diaconaat is, maar ook hoe jongeren erbij betrokken kunnen/moeten worden („jongerendiakonaat” dóór jongeren vóór jongeren). Interessant is ook wat geschreven wordt over het „Diakonaat in de kerkdienst” (bij de inzameling der gaven, in de voorbede(n), bij de viering van het Avondmaal enz. - over de groet in de eredienst „genade en vrede” worden in dit verband rake dingen gezegd!).

Bezinnend van karakter zijn ook artikelen als „De richting van de diakonale gemeente”, „Diakonaat vandaag”, „De diakonia der verzoening” enz. In een artikel „Het diakonaat in de kerkorde” wordt nagegaan hoe het kerkordelijk met de zo juist genoemde „vertaling” is gegaan. Dat ook diakenen al dit werk niet zonder vergaderen kunnen verrichten…. „Erwòrdt wat vergaderd…..”constateren beide bladen die tegelijk vragen: „maar hoe?”! Vergaderen hoort inderdaad bij de kerk in onze bedeling. Mits we maar nooit vergeten dat Christus’ (kerk)vergaderend werk primair is, het eerst en het hoogst. Pas daarna komt ons vergaderen, „smal” of „breed” of „breedst”, tòt…. wij vergaderd wòrden. Moge het vergaderen èn vergaderd worden „in genade en vrede” zijn!

Na de twee diaconale bladen volgt het

Ouderlingenblad

dat in september met de 64ste jaargang begon. Ook bij dit blad gaan we op „buurtbe-zoek” om eens kennis te maken met wat bij deze (gespecialiseerde) buur gaande is.

In 1986 zijn (tot en met het oktobernummer) zoals bij dit blad gebruikelijk weer enkele themanummers verschenen. De volgende thema’s werden aan de orde gesteld: Kerkverlating; Huisbezoek; Als je je verstand gebruikt.…; Nieuwe wegwijzer voor de ouderling; Opvoeden vanuit de doop. Verder is er om de maand een aparte, uitneembare katern ingevoegd „waarin een praktische handreiking wordt gedaan aan ouderlingen met het oog op hun werk” (bijv. voor „groothuisbezoek”). De resterende vier nummers bieden artikelen van diverse aard. We willen een paar noemen zonder daarmee te zeggen dat de niet genoemde minder belangrijk zouden zijn: Het Woord en de woorden (over „het woord-karakter van de kerkdienst”); Eén alleen is soms verdrietig (de „alleenwonende”); Wat is een gemeentelid zonder kerkblad?; Kindernevendiensten, noodzakelijk kwaad of onmisbaar goed?; De Bijbel over het kerkelijk ambt (in de Schrift „ontbreekt een precies omlijnde taakomschrijving van de diverse ambten in hun onderlinge relatie”); Ook de vrouw in kerkelijke diensten („Dat echter een vrouw evenzeer als een man er voor in aanmerking komt, acht ik voor gegronde bestrijding niet vatbaar te zijn, al heeft de christenheid er lange tijd niet toe kunnen besluiten” - aldus prof. Nauta); Het formulier voor ambtsdragers („Ondertekening afschaffen?” - de „kerk is geen vrijblijvende club van mensen die het om welke reden dan ook nog met elkaar uithouden” - m.a.w.: de in wezen asociale ik-cultus van vandaag staat haaks op een dergelijke ondertekening d.i. de persoonlijke binding aan wat men op grond van Gods Woord overeengekomen is te belijden, want ik ben ik, leve mïjn vrijheid, ik vraag noch geef vertrouwen van/aan de ànder); Hoe omgaan met familieleden van psychiatrische patiënten?; Handoplegging en zalving als pastorale weg; Het uur van de waarheid (ook de broeders ouderlingen worden met Zuid-Afrika geconfronteerd!); Leven tussen gisteren en morgen (pastoraat aan mensen tussen 30 en 50 jaar); Bindend karakter van synodeuitspraken (kan „zonder meer” gesteld worden, maar is het altijd „beslist noodzakelijk” een „bepaalde vaste, voor alle kerken geldende uitspraak” te doen? Soms is te overwegen „of men niet beide opvattingen naast elkander geheel op gelijke voet een plaats kan gunnen in het kerkelijk bestel” desnoods met enige voorkeur voor de ene opvatting zonder dat de „meerderheid haar standpunt doorzet en vastlegt” m.a.w. ook in dezen is wederzijds het vertrouwen geven èn vragen jegens de ànder van cardinale betekenis); Christelijke scholen en moslim leerlingen. Het is niet bij een „paar” artikelen gebleven, zoals u merkt (en nog is de opsomming niet volledig!). Hopelijk ontvangt u enige kijk op wat geboden wordt!

Eigenlijk zou de inhoud van de genoemde themanummers ook kort samengevat moeten worden om die kijk wat te completeren. Elk aan de orde gesteld thema is dat zeker waard, maar ‘t zou te veel ruimte vragen. Bovendien: dit „buurtbezoek” bedoelt primair iets te vernemen van wàt er gaande is bij de „buren”! De titels van de themanummers spreken bijna alle voor zichzelf. Alleen bij het derde nummer „Ais je je verstand gebruikt……” is enige toelichting nodig. Onder dit motto wordt de spanning tussen geloof en wetenschap aan de orde gesteld. De één ontvlucht die spanning door in naam van de Bijbel dè wetenschap - i.c. de natuurwetenschappen - in de ban te doen, de ander doet dat door in naam van die wetenschap - in feite niet de natuurwétenschap, maar de natuurfilosofie - de Bijbel overboord te zetten. Hoe ook ontvlucht, in wezen komt men zó niet boven het niveau van de dooddoeners uit. Hier wordt - juist pastoraal erg belangrijk - een „derde weg” gewezen met behulp van „het nieuwere schriftonderzoek”. Of deze weg werkelijk begaanbaar is om boven de tegenstelling uit te komen? Misschien alleen voor academici zoals in dit nummer aan het woord komen? Er is m.i. nog wel iets meer te zeggen over het (schijn)conflict tussen geloof en wetenschap. Iets meer is er natuurlijk ook over de andere thema’s te zeggen, maar we haasten ons naar de laatste, negen jaar jongere „buur” nl. het tweemaandelijks blad dat ten dienste staat van de (vrijgemaakte) gereformeerde ouderlingen en diakenen

Dienst,

dat in 1986 met de 34ste jaargang bezig is. De journalistieke inslag die over het algemeen bij de drie andere „buren” opvalt, komt bij deze „buur” niet zo sterk naar voren, althans niet direct. Het accent valt ten volle op het ten-dienste-van de genoemde ambtsdragers zonder enige „branchevervaging” - zal ook wel niemand hier verwacht hebben.

Eén van de vijf verschenen nummers is een themanummer: De oudste en de jongeren. Het gaat over het „functioneren van de ouderling in zijn relatie met de jongeren”. Er ligt een doctoraal scriptie van twee psychologie-studenten aan ten grondslag die een onderzoek instelden naar dat functioneren. De conclusies luiden - kort samengevat - dat er over en weer nogal tegenstrijdige eisen en opvattingen bestaan, terwijl over de praktische uitwerking van de taakomschrijving onduidelijkheid heerst; dat er onvrede - beiderzijds - wordt gevonden „dat de ouderling méér zou moeten doen”, maar dat hij op „dit moment” overbelast is; duidelijkste punt van onvrede bij de jongeren is: „We kennen de ouderling niet” en - als gevolg daarvan - vaak „is het huisbezoek te oppervlakkig”. Deze „studie” wordt gevolgd door een commentaar waarin breed op de gestelde zaken, de „knelpunten” vooral, wordt ingegaan (dit raakt niet alleen jongeren, maar ook ouderen). In volgende nummers van Dienst volgen er nog een paar reacties (met name inzake de „overbelasting”). Terwijl één nummer gewijd is aan de „94e Centrale Diakonale Conferentie” (kennelijk telt men hier verder terug dan met de jaargangen van Dienst), waar „De ontwikkeling in de Bejaardenzorg” werd behandeld, worden in de overige nummers voor een belangrijk deel kerkrechtelijke zaken aan de orde gesteld: Tucht over doopleden („richtlijnen” worden gegeven); Artikel 81 K.O. (over de „censura morum” - gepoogd wordt daaraan meer inhoud te geven c.q. „structuur”). Enkele opmerkingen over de kerkelijke tucht (bediening van de tucht is „pastoraat in optima forma”: juist daarin spitst het herderschap zich heel bijzonder toe, want dan blijkt „of de schapen ons werkelijk ter harte gaan”); Twee instructies voor classicale diaconale deputaten; Een voorgedrukt attestatie-formulier? (een „ambtelijk getuigenis” moet „waarheidsgetrouw” zijn, is „de laatste handeling van opzicht en tucht over een gemeentelid” dat verhuist - dat vereist een gevarieerde, geen geijkte tekst). Behalve deze artikelen treft u nog twee artikelen aan resp. over Geestelijke verzorging militairen bij de Koninklijke Marine (medewerking van de „thuiskerk” dringend nodig) en Het lied in onze eredienst (na een „overzicht van de geschiedenis van het kerklied” wordt een „handleiding bij het opzetten, inhoud geven en uitvoeren van een oefenproject” gegeven met een „(volledige) lijst van onbekende en gewijzigde melodieën uit het Gereformeerde Kerkboek”).

Tenslotte wordt er nog het een en ander gepubliceerd over meerdaagse congressen die door de Stichting Gereformeerd Vormingswerk in Internaatsverband in samenwerking met Dienst worden georganiseerd (naast de conferenties voor ambtsdragers). Deze congressen of cursussen zijn „met name gericht op oefening in het voeren van gesprekken, ook de bezinning staat in dat kader”. Men zegt wel eens dat de „gaven” met het ambt komen, maar als het om het zogenaamde „tijdschrijven” (in verband met de boven reeds genoemde „overbelasting”) gaat alsmede om het leiden van vergaderingen en gesprekken dan blijkt in de praktijk wel dat hier van automatische gaven zeker geen sprake is. Al zijn er natuurlijk „natuurtalenten”, de meesten van ons hebben oefening en ervaring heel hard nodig!

Zie zo, we zijn weer eens op „buurtbezoek” geweest. Dat woord moet natuurlijk wel tussen aanhalingstekens staan, want ’t was alleen „op papier” dat we bij de „buren” naar binnen keken. Niet alles konden we zien, maar ‘t was hopelijk genoeg om een idee te krijgen hoe men daar via de pers „ambtelijk contact” oefent. Moge het ons stimuleren oog voor elkaar te hebben!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.