+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

35.

Wij hebben het reeds overdacht dat de Pelgrim door Waakzaam vriendelijk is ontvangen in de poort van het paleis.

Daarna is hij door Bescheidenheid op een zeer vriendelijke wijze naar binnen geleid, waar hij met rust en liefde werd verrast. Gekomen tot de bespreking vanuit de beleving van het geloof, heeft Godsvrucht dat gesprek met beleid geopend en levendig gehouden. Door het spreken van hart tot hart werden de harten steeds inniger aan elkaar verbonden.

Als vanzelf kwamen wij bij het luisteren naar deze geestelijke gesprekken ons innerlijk leven daaraan te toetsen. De één dacht: bij mij heeft het geestelijk leven nog niet die voortgang en diepgang verkregen, zoals bij de Pelgrim. Een ander kwam er door tot de vraag: zou ik dat geestelijk leven wel deelachtig zijn? Al is het mij dierbaar en onmisbaar, wat ik niet graag zou missen, die hartelijke overgave aan de Heere en aan Zijn dienst, zoals de Pelgrim daaruit sprak, mis ik nog. M aar dan hebt u dat gesprek toch niet zonder vrucht beluisterd, ’t Is een zegen zo wij er door in een levendig gemis komen, met de gebondenheid aan de troon der genade. Wat wij missen, is bij de Heere te verkrijgen en dat „om niet”. Ruht leefde met al de liefde van haar hart tot de Heere en Zijn dienst, in het gemis van de Heere, en dat was haar profijtelijk. En zo is zij tot wasdom gekomen en zelfs een moeder in Israël geworden. Met instemming hebben wij naar het gesprek van Godsvrucht met de Pelgrim mogen luisteren. Maar één van de aanwezigen is van oordeel dat de voorzichtigheid der rechtvaardigen ook in acht genomen moet worden.

Godsvrucht heeft meer gesproken over hetgeen noodzakelijk gekend moet worden tpt zaligheid, maar Voorzichtigheid vraagt meer naar hetgeen schadelijk is voor het geestelijke leven. En dat begint met verkeerde gedachten. In elke gedachte is gelijk als in een zaadkorrel een zekere kiemkracht of stuwkracht vooreen bepaalde daad. En om zondige gedachten maar vrij te strelen denkt men dat zij tolvrij zijn. En al komen wij door die zondige gedachten nog niet tot zondige daden, ons innerlijk en geestelijk leven wordt er toch heel veel schade door berokkend. Met een bepaalde bedoeling vraagt Voorzichtigheid hier: „Denkt ge wel eens terug aan de streek van waar gij gekomen zijt?” Terug denken aan de streek waar de Pelgrim geboren en getogen is, doet hij toch vanzelf. Wie zou dat niet?

Maar dat is de bedoeling van Voorzichtigheid niet. ’t Gaat er bij haar om hoeoi de Pelgrim terug denkt aan de stad van zijn geboorteland. Denken we met enig vermaak daaraan terug, dan trekt dat ons hart van de Heere af. Maar zo ligt het dan ook niet in het hart van de man die deze vraag heeft te beantwoorden. „Ja”, hij denkt er wel aan terug, „maar met veel schaamte en afkeer; inderdaad” gaat hij verder „indien mijn hart er aan gehangen had, ik zou tijd gehad hebben om weder te keren, maar nu ben ik begerig naar een beter, dat is naar het hemels Vaderland”.

En zo heeft deze reiziger naar Sion met beslistheid des harten geantwoord vanuit zijn volharden in het geloof. Door de kracht van Gods genade mocht hij metdeonberouwelijke keus der liefde het land en de stad van zijn geboorte verlaten.

Nooit mocht Israël de verlossing uit Egypte, de bevrijding uit het diensthuis van Farao vergeten. De nacht waarin Israël door het bloed van het Lam was bedekt en door de kracht van het Lam mocht uittrekken, moest op het bevel des Heeren op het vlijtigst gehouden worden. Vanuit de verlossing door het Lam is de stuwkracht van het geloof op de reis naar het beloofde land.

Neen, de Pelgrim heult niet met zijn verdorven bestaan, hij zou dat kwaad wel geheel en voor altijd uit zijn gedachten willen bannen. Hij begeert zich steeds meer te verdiepen in het wonder van Gods genade. Kostelijk zijn hem de gedachten van Gods reddende liefde in Christus.

Maar al heeft de Pelgrim met een volkomen hart de wereld en de zonden verlaten, om was het mogelijk voor de Heere te leven, zo kleefde het verderf der zonde hem nog dagelijks aan. Hij werd er zelfs nog door gekweld in zijn allerheiligste verlichtingen.

Op dat afkerig en gelovig staan tegenover het verderf der zonde had Voorzichtigheid het oog, als zij tot de Pelgrim kwam met de vraag: „Draagt gij niet nog dingen mee, die u vroeger bekoorden?”

„Ja”, is zijn antwoord, „maar zeer tegen mijn zin; voornamelijk wat aangaat mijn vleselijke overleggingen, waarin ik vroeger, evenals al mijn stadsgenoten, veel genoegen vond. Maar nu zijn zij mij een oorzaak van grote droefheid; indien het slechts in mijn macht ware, ik zou ze voor altijd uit mijn gedachten verbannen. Doch als ik het goede wil doen, bespeur ik, dat het kwade mij bij ligt”.

Het zijn kwellingen die de antinomiaan niet kent. Maar het hart waarin de Heilige Geest de wet der liefde heeft geschreven, haat de zonde. Ons innerlijk leven draagt niet het rechte stempel als het genoeg heeft aan de bevrijding van de straf der zonden en niet met een biddend hart zoekt de doding van de smet der zonde. Voorzichtigheid geeft met haar vragen te kennen, dat men in het paleis van de gemeenschap der heiligen waakzaam en afkerig staat tegenover de geest van de antinomiaan.

De Heere laat ons bij de verheerlijking van het nieuwe leven der genade nog in het lichaam der zonde, om de diepte van onze ellende steeds meer te leren kennen. Vanuit de diepte van onze innige smart over de zonde bekomt het geloof dan ook steeds meer het veerkrachtig roemen in de offerande van Jezus Christus En dat doet het hart gedurig met verwondering en aanbidding denken aan het wonder van Gods reddende en vergevende liefde in Christus.

In de heiligmaking is het doel van de rechtvaardigmaking. En zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. Het is een wandelen voor het aangezicht des Heeren door Hem te kennen in alle wegen en omstandigheden. Een wandelen in Christus, waartoe wij Hem aangenomen hebben als geschenk van de Vader, opdat Zijn beeld door ons gedragen zou worden als lichtende kinderen.

Diper nog daalt Voorzichtigheid met haar vragen af in de heiligmaking. „Denkt gij niet weleens”, zo vraagt zij, „dat gij die dingen hebt overwonnen, terwijl ze op andere tijden weer onrust veroorzaken?”

„Ja, maar dat is slechts zelden het geval; het zijn heerlijke ogenblikken, als dat eens zo zijn mag!”

En in verband met dat antwoord wordt gevraagd: „Kunt gij u ook herinneren, waardoor het kwam, dat het u op sommige tijden toescheen alsof die bekommernissen voorgoed waren overwonnen?”

„Ja, dat wel, het ligt nog vers in mijn geheugen, als ik denk aan wat ik op het kruis aanschouwde, als ik de blik sla op mijn nieuw gewaad; als ik het oog vestig op de rol, die ik bij mij draag, of als mijn gedachten zich bezig houden met de plaats, waar ik heen reis, dan wordt mijn ziel verkwikt”.

Als het hart deelt in de zegeningen van de gekruiste Christus, dan is het alsof wij al de ellende te boven zijn. Maar wat de aard van het genot der zaak betreft, gaat dat op en neer, en zit men er soms weer heel gauw onder. „En wat maakt onze Pelgrim zo verlangend om naar de berg Sion te gaan?”

„Wel”, zo antwoordt hij in dit aangenaam tesamen zijn, „daar hoop ik Hem te zien. Die voor mij stierf aan het kruis, en daar hoop ik verlost te zijn van alles wat mij nu strijd veroorzaakt. Daar, zo wordt mij gezegd, zal de dood niet meer zijn! Daar zal ik verkeren in het liefelijkst gezelschap. Want om u de waarheid te zeggen, ik heb Hem lief, omdat Hij mij bevrijd heeft van mijn last en omdat mijn innerlijke krankheid mij verdriet. Ik zou gaarne daar zijn, waar men niet meer sterft, en te midden der verlosten die het: Heilig, heilig, heilig tot in alle eeuwigheden doen weerklinken”. Zingen met de zangers aan de glazen zee!

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.