+ Meer informatie

Pinksterpsalm

6 minuten leestijd

In Psalm 87 horen we Pinksterklanken. Profetisch zingt de dichter van het wonder van de Pinksterdag, dat de Heere Zijn Geest uitstort op alle vlees. Maar dan zijn deze klanken er hier in verband met de Kerk des Heeren.

Allereerst is deze psalm de psalm van Gods Sion. De dichter ziet Jeruzalem en weet geestelijk de heerlijkheid en schoonheid van de Gods-stad te onderscheiden. En door Gods Geest meegevoerd gaat hij zingen van de wonderen van de geestelijke Godsstad, waarvan Jeruzalem een afschaduwing is.

Is op zichzelf de Gods-stad al geen wonder? Machtig veel vijanden keren zich telkens tegen deze stad. En tòch . . . hoezeer benauwd, zij komt niet om en heeft een eeuwige bestemming. Omdat een wonder achter haar ligt. Het is het wonder van Gods vrijmachtige verkiezing. De grondslag ligt op de bergen der heiligheid.

Bergen zijn het beeld van de ontoegankelijkheid en de onveranderlijke vastheid. Op heilige hemelbergen ligt Sion gegrond. Geen mens heeft de Kerk uitgedacht. In eeuwige liefde heeft God Zijn stad bepaald. In de Raad des Vredes heeft een Drieënig God gesproken, dat die stad er zal zijn in het bloed van het Lam. Wie zal ooit deze fundamenten omverwerpen? Vast ligt Gods Kerk daarin gegrond. „Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het Verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer . . .”

***

De dichter is niet zo vlug klaar met het vermelden der wonderen. Zeer heerlijke dingen worden van de stad Gods gesproken. In haar en van haar wordt getuigd van de grootheid van Gods genade, van Zijn eeuwige trouw en van de lof van Gods Naam. En toch zeker ook hierin, dat de Heere vijanden maakt tot burgers van deze stad. Luister: „Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; zie de Filistijn en de Tyriër met de Moor, deze is aldaar geboren”.

Hoe is het mogelijk? Rahab en Babel zullen God kennen. De Filistijn, de Tyriër en de Moor als geboren burgers bekend staan.

’t Gaat hier over vijanden. Israël was geklemd tussen Egypte- Rahab- en Babel. Telkens konden die twee vijanden Israël onder de voet lopen. En wist Sion niet van de verdrukking in Egypte? Van de ballingschap van Babel? En dan: de vijanden dichtbij: de Filistijn, die als aartsvijand telkens geprobeerd had Israël te overheersen, de Tyriër, die de afgodendienst naar Israël had overgebracht. Tenslotte: de Moor, die voor het besef van de Israëliet woonde aan de einde der aarde.

Vijanden, afgodendienaars van het ergste soort. Wat moeten zij binnen de Gods-stad als burgers doen? Vervloekt door de Wet van de heilige God, Die alleen kan zeggen: verboden toegang. En toch… het staat hier, God zegt het: burgers zullen zij zijn van die stad.


„ ...Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen, zie de Filistijn en de Tyriër met de Moor, deze is aldaar geboren . . . ” Psalm 87 : 4.


***

Beluister hier dan de wond’ren van Gods genade:


„Wie Mozes’ Wet reeds had gevloekt, als hellewormen had geboekt, Wordt deze vrijstad opgedaan”.


Verdiend hebben zij om buiten te blijven. In Christus krijgen ze de toegang ontsloten. Deze is aldaar geboren.

Het wonder van genade klinkt door in het woord „geboren”. Tot 3 x toe lezen we in deze psalm: geboren. Het burgerschap van de geestelijke Gods-stad is een zaak van geboorte. Wel zijn ze allen in hun vleselijke afkomst uit Egypte, Babel enz. Afgodendienaars. Maar God doet ze geboren worden door den Heiligen Geest tot burger van Zijn Sion.

Geboorte is geen zaak van allemaal tegelijk. De één na de ander wordt geboren, persoon voor persoon. En dan is het zo wonderlijk, dan gaat Egypte de spraak van Kanaän spreken! Jesaja heeft het geprofeteerd dat er een overblijfsel zal zijn uit Egypte. Uit Babel uit het land der Filistijnen, uit Tyrus zal de Heere toevoegen tot de geestelijke Gods-stad. En de kamerling van Candacé, een Moorman wordt getrokken met koorden van eeuwige liefde. Het aards Jeruzalem kan hem geen zaligheid geven. Zonder vrede maar met Gods Woord verlaat hij de stad. En ziet. God weet hem door middel van Filippus de lijdende Knecht des Heeren voor te stellen. In het bloed van Jezus gaan voor hem de poorten open van het geestelijk Jeruzalem.

Dan worden zij burgers. De Heere schrijft hen zelf als burgers van die stad op met het bloed van het Lam. In Zijn Goddelijk hart hebben ze een plaats en door de Heilige Geest worden ze getrokken en geleid, van hun burgerschap langs de weg van het geloof verzekerd.

***

Dat is het Evangelie van genade. Nu kan de grootste zondaar en zondares zalig worden. De Filistijn, de Tyriër met de Moor . . . In het bloed van het Lam kan er gepredikt worden, dat er ingang door de poorten van die stad te verkrijgen is.

Misschien denkt ge: „zou die ingang voor mij wel nodig zijn? Ik ben toch geboren op het erf van Gods Verbond.” Bedrieg uzelf niet. Al zijn we geen „heiden”, zonder het wonder van genade zullen we buiten blijven. De Heere geeft de voorrechten niet om er rustig uw hoofd op neer te leggen, maar om er mee werkzaam te zijn. De Heere bemint de poorten Sions boven de woningen Jacobs om ook gedurig in de weg der middelen Hem te zoeken. Hij wil Zich laten vinden.

Die door de poorten doorgaan in het bloed van het Lam zullen begerig gemaakt worden, dat de Gods-stad meerdere burgers zal krijgen. In afhankehjkheid van de Heere mogen ze spreken van de wonderen van Sion. Zij vermelden de grote genade Gods en roepen het allen toe, die van verre staan: „houdt aan, grijpt moed en rust niet eer ge binnen de poorten zijt.” Er is moed te putten uit het wonder, dat de Heere vijanden tot burgers maakt.

En binnen de poorten mogen ze zich verheugen in de fonteinen des heils. Daar verstaat de Israëliet de Egyptenaar, de Filistijn de Tyriër, omdat zij één taal spreken. Zeker, de burgers van deze stad blijven hier onvolmaakt en hun afkomst komt telkens nog openbaar. Ze dreigen nog om te komen in de strijd. Maar toch: de fundamenten zijn zeker en door het geloof leren ze steeds meer uit die fundamenten te leven. En daarom zullen ze straks binnenkomen in de hemelse heerlijkheid van deze stad.

Daar zal geen satan de snaren van hun harp meer kunnen verbreken maar zullen ze eeuwig zingen van het wonder: verlossing gevonden door het Lam. Dan wordt Gods Naam met lofgejuich geprezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.