+ Meer informatie

Kerkregering XXV

5 minuten leestijd

WANNEER IS IEMAND GEKOZEN? 2

Bij de verkiezingen voor ambtsdragers komen dikwijls echte moeilijkheden voor, die dan voor een groot deel te wijten zijn aan het feit dat een kerkeraad verzuimd heeft een regeling voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen vast te stellen, of daarin verkeerde bepalingen heeft opgenomen. Maar er komen in de praktijk ook schijnbare moeilijkheden voor, dus geen echte moeilijkheden. De meest voorkomende schijnbare moeilijkheid is misschien wel de vraag die ook vroeger reeds de gemoederen beroerde: wat moet er gebeuren als er meer personen dan het benodigde aantal een meerderheid van stemmen verkregen hebben? Zoals bijv. in het geval dat er 2 ambtsdragers gekozen moeten worden uit het dubbele aantal voorgedragenen, dus uit 4 kandidaten, die we nu maar A, B, C en D zullen noemen, en die, bij een aantal geldige stemmen van 100, de volgende aantallen stemmen op zich verenigen: A 60, B 56, C 54 en D 30. Bij het aantal 100 geldige stemmen is de volstrekte meerderheid 51. De redenering is dan dikwijls: in dit geval zijn er niet twee maar zijn er drie gekozen, terwijl er maar twee nodig zijn. Wat moet er nu gebeuren?

De kwestie is heel eenvoudig. Die de meeste stemmen hebben zijn verkozen, in dit geval dus A en B. In de Conceptregeling voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen, zoals wij die vinden in de uitgave van de Kerkorde (1967), lezen wij in art. 8: „Bij de bepaling der meerderheid geldt alleen het getal ingediende geldige stembriefjes. Zij. die de volstrekte meerderheid. of de meeste stemmen daarboven hebben, zijn gekozen.” Het staat dus duidelijk in de woorden of de meeste stemmen daarboven (d.w.z. boven de volstrekte meerderheid) hebben.

In bovengenoemd geval is het dus duidelijk dat A en B gekozen zijn, hoewel C ook de volstrekte meerderheid heeft. Zou de uitslag zijn geweest: A 100, B 55, C 55 en D 30 stemmen, dan zou A gekozen zijn, maar dan zou er herstemming moeten plaats vinden tussen B en C. Het beginsel bij stemmingen is altijd en overal: die de meeste stemmen hebben zijn gekozen, maar die meerderheid mag niet te klein zijn en daarom wordt doorgaans gesteld dat men om gekozen te zijn meer dan de helft van het aantal uitgebrachte geldige stemmen, oftewel, de volstrekte meerderheid, moet hebben, maar deze eis is niet absoluut, zoals prof. dr. F. I. Rutgers zegt; zij kan wel degelijk gewijzigd worden en dit gescheidt dan ook wel in zeer grote gemeenten. Het is misschien wel goed hier enkele uitspraken van prof. Rutgers uit zijn Kerkelijke Adviezen I, Kampen 1921, aan te halen. Op blz. 150 v. lezen wij in een antwoord van hem op een soortgelijke vraag: „Immers, het is daarbij te doen, om door meerderheid van stemmen iets uit te maken; terwijl men doorgaans ook stelt, dat die meerderheid niet te klein mag zijn, maar boven de helft der uitgebrachte stemmen (volstrekte meerderheid). Dit laatste wil echter niet zeggen, dat dus ieder, die de volstrekte meerderheid heeft, gekozen is. Zulk een dwaze bepaling zal wel nooit in een reglement gestaan hebben, of gevolgd zijn. Gekozen zijn wie meer stemmen hebben dan anderen, als zij maar de volstrekte meerderheid hebben. Wie die bovendien nog heeft, zou gekozen zijn, indien niet een ander meer stemmen had. Maar de meerderheid beslist.” Dit schreef Rutgers in 1897. In 1904 moest hij weer een vraag over een dergelijke kwestie beantwoorden. In dat antwoord lezen we o.m.: „Of nu D ook een cijfer had boven de volstrekte meerderheid, doet niets ter zake. Dat er broeders te X zijn, die dit niet begrijpen, kan slechts voortkomen uit een misverstand, nl. uit de voorstelling alsof het gekozen zijn afhing, niet van de meerderheid, en als het hebben van de volstrekte meerderheid op zichzelf iets betekende. Op ieder gebied, staat kerk, maatschappij, verenigingen enz. wordt een stemming altijd en immer beslist door het aantal uitgebrachte stemmen (’t geen trouwens ook niet anders kan), dus door de meerderheid. Als nadere bepaling voegt men daaraan echter doorgaans toe, dat die meerderheid ook een volstrekte meerderheid moet zijn (d.i. meer dan de helft der uitgebrachte stemmen), omdat anders, in gevallen waarin tussen meer dan twee personen te kiezen is, lichtelijk zou kunnen gebeuren, dat iemand gekozen zou worden verklaard, die slechts door een kleine minderheid werd begeerd,” blz. 153.

In 1906 moest Rutgers wéér op een vraag dienaangaande antwoorden. Toen schreef hij, geheel in de geest van wat hij vroeger reeds geschreven had: „Er schijnt, allereerst, in X een misverstand te zijn, met betrekking tot de eis, dat bij stemmingen de volstrekte meerderheid nodig is, om gekozen te worden. Dit schijnt te worden opgevat, alsof ieder, die de volstrekte meerderheid had, dus reeds daardoor gekozen was; ’t geen tot ongerijmde gevolgtrekkingen zou leiden, en ook in volkomen strijd zou zijn met de grondregel, die op ieder gebied en voor alle stemmingen geldt, nl. dat wie de meeste stemmen heeft, gekozen zijn, ook al zou een derde met iets minder stemmen, toch ook de volstrekte meerderheid hebben,” blz. 151. (De citaten uit Rutgers Kerkelijke Adviezen zijn in de nieuwe spelling overgebracht).

Prof. dr. H. Bouwman oordeelt niet anders, zie zijn Geref. Kerkrecht I, Kampen 1928, blz. 548.

Wij willen het hierbij laten in de hoop dat het nu voor onze kerkeraden en leden duidelijk is dat men in dergelijke gevallen slechts met schijnbare en niet met werkelijke moeilijkheden te doen heeft.

In een volgend artikel willen we nog een andere kwestie in verband met de verkiezingen bespreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.