+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

6 minuten leestijd

d. (vervolg). Onze Heidelberger kreeg een grote invloedssfeer. Op het convent te Wezel (n.b. een convent is geen synode!) in 1568 werd te kennen gegeven, dat men in de waalse (= franse) kerken de catechismus van Calvijn en in de nederlandse de heidelbergse het liefst volgen moest. Doch men liet de kerken vrij tot op een volgende synode. Deze synode, de synode van Embden (1571) kwam al evenmin tot een vast besluit; sprak wel van behoort te gebruiken, doelende op het voorgestelde in 1568, maar voegde er tegelijkertijd bij, dat kerken, die een andere vorm van catechismus gebruikten mits overeenkomstig den Woorde Gods zijnde, niet gedwongen zouden worden te veranderen. (In Oost-Friesland bijv. bleef men de catechismus van a Lasco gebruiken).

Ook in Zwitserland werd hij op sommige plaatsen ingevoerd; zo te Basel, Bom, St. Gallen, Arau en Schaffhausen. In Hongarije werd op meer dan een synode bepaald, dat hij als leer-en leesboek in kerken en scholen moest ingevoerd worden.

Al vóór het convent van Wezel was hij in het nederlands vertaald. (1563) Dat was het werk van de welbekende Petrus Dathenus, herder en leraar te Frankenthal, waar een nederlandse vluchtelingen gemeente was. Datheen was van afkomst een Vlaming (Frans-Vlaanderen) en heeft voor de gereformeerde kerken in deze landen veel betekend.

Tegelijk was in hetzelfde jaar te Embden een nederlandse vertaling verschenen, maar deze ging er niet in.

In 1565 kwam er weer een nederlandse vertaling en deze was een vermenging van die van Datheen en van Embden.

In 1566 gaf Datheen zijn bekende psalmberijming uit met daar achter zijn vertaling van de heidelbergse catechismus: Catechismus ofte Onderwijsinghe in de Christelijcke leere, die in de kercken en de scholen der Cheur Vorstelicken Paltz gheleert werd.

Wij mogen hier nog bijvoegen, dat de eerste nederlandse drukker, die zijn naam op het titelblad van zijn uitgave vermeldde, een zekere Steinberghe te Deventer was (1567). In clie tijd een staaltje van durf.

Achter cle psalmberijming kwamen ook met de catechismus de formulieren van doop en avondmaal en zo ontstond ons gereformeerd kerkboek, met de Bijbel onmisbaar voor de openbare eredienst. Nu ging de tocht van dit gulden boekske voorspoedig door deze landen.

Op de synode van Dordrecht in 1574 werd besloten dat er hier in de kerken maar één catechismus zou zijn, namelijk de heidelbergse.

Te Dordrecht 1619 werd ook tot revisie van cle catechismus besloten en op 1 mei van dit jaar had de voorlezing plaats.

Onderscheiden synoden besloten ook tot verplichte ondertekening van de H. Cat. door verschillende functionarissen. Zo bijv. de Nat. Svnode van Dordrecht, 1518/19.

c. De psalmberijming van Datheep.

Een belangrijk onderdeel van de gereformeerde eredienst is het psalmgezang, namelijk cle gemeentezang, waarbij het niet moet gaan om een zangbeoefening maar waarbij clie samenzang moet zijn cle godvruchtige uiting der gemeente, niet cle zangers in het middelpunt staan, maar alles geschieden tot lof des Heeren. Al wat wel luidt dient hier naar inhoud en vorm cle Heere toegewijd te zijn. Het zelfde geldt voor cle instrumentale begeleiding.

Onze nederlands-gereformeerde kerken kwamen in cle aanvang voor de noodzalijkheid van een psalmberijming te staan, clie in onze kerken kon gebruikt worden. En het is Datheen geweest clie in 1566 ons zulk een berijming bezorgde.

Het is haastwerk en vertaalwerk geweest. Reeds bestond in Frankrijk een franse bewerking van Beza, de bekende medewerker van Calvijn en Marot. Omtrent Clément Marot een paar aantekeningen om hem te typeren. Marot was cle beschermeling van Margaretha van Navarre; in beiden weerspiegelde zich de geest maar in Marot het meest cle eerste. Daarom liep zijn leven gevaar en op raad van zijn hoge beschermster stelde hij zich in veiligheid bij hertogin Rénée van Ferrara (Italië), waar ook Calvijn een tijd vertoefd heeft.

Weer terug in Frankrijk zette hij de psalmen over in het Frans, clie door de franse gereformeerden werden overgenomen.

Hierom moest hij weer vluchten en ging naar Genève. Maar daar had men het niet op hem. Hij was wat cle Fransen noemen nog al „un homme cle plaisir." o Zijn overzetting wordt geprezen als vlot met middeleeuws cachet, van welks zoetvloeiende literatuur hij een groot beminnaar was.

Van Genève is hij naar Italië getrokken en er in 1544 gestorven. Datheen vertaalde dan in grote haast; en 't is te begrijpen, clat er veel critiek op kwam. Maar merkwaardig: tot 1773, dus ruim 200 jaar, bleven ze in gebruik!

Hoe dat kwam? Er ligt een historisch cachet op! Ze zijn gezongen op cle brandstapels, cle moordschavotten, in cle strijd. Denk aan het ontroerend moment te Leiden, o okt. 1574, in de Pieterskerk. Zij waren de trouwe metgezellen in lief, maar ook in veel leed, in dagen clat God uithielp.

Men make ze dus niet bespottelijk, als ze op enkele plaatsen nu nog in cle kerken gezongen worden.

Persoonlijk houden wij — en hierin staan wij niet alleen — er wel van. Er zijn verzen bij, clie spreken tot het hart; waar in resonans zit.

Of er dan niet te critiseren valt? Natuurlijk wel! Trouwens, clat heeft Datheen tegen heer Marnix van St. Alclegonde gezegd en cle wens uitgesproken, dat diens berijming in de gemeenten Gods mocht worden aangenomen, omdat clie met cle hebreeuwse waarheid beter overeen kwam. Deze psalmberijming van Marnix verscheen voor 't eerst in 1580. De omstandigheden, waaronder zij werd vervaardigd, zijn zeer opmerkelijk. Men leze daarvan bij Vos II pag. 28. Marnix was een begaafd, fijnzinnig dichter, clie zijn taal volkomen beheerste en met een zeldzame kennis van het hebreeuws, toch is zijn berijming nooit ingevoerd. De oorzaak? Was het behoudzucht? Kwam het door zijn vasthouden aan enkele woorden en uitdrukkingen, zoals Du voor gij (du bist = gij zijt)? Wij weten het niet; maar cle berijming van Datheen bleef.

Maar ook cle critiek stak meer en meer de kop op, vooral na de dordtse Synode, toen men begon te wensen „clat zij uit cle kerk gedreven mochten worden."

Men wilde een psalmberijming gemaakt door geleerde, letterkundige mannen volgens een berijming overeenstemmend met het hebreeuwse taaleigen, 2e met cle regelen van maat en rijm, 3e geen vertaalwerk. Plet grootste bezwaar, ook van Marnix, waren de punten le en 3e. En cle zeeuwse raadpensionaris Johan cle Brune zei: „De psalmen, clie wij tot nu hebben zijn Davids psalmen in name, maar van Datheen met de daad, enz.

Ook de welbekende Trommius ging hevig te keer. Men zie Vos I pag. 21.

De melodieën werden ontleend aan de geneefse musici Bourgeois en Maitre Pierre. (Men zie een frans psalm-en gezangboek).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.