+ Meer informatie

GAAN ALS GEROEPEN

21 minuten leestijd

aanzet voor een bezinning op de verkiezing van ambtsdragers

Inleiding

Een cadeau krijgen is leuk en toch kun je er soms maar mee zitten. Over smaak valt immers niet te twisten. En ook iets, dat je op zich mooi vindt, kan je hoofdbrekens kosten. Als je niet weet waar je het in je huis een plaats zult geven, of hoe je ermee om moet gaan. Dit zou over het ambt van ouderling en diaken kunnen gaan. Het gaat hierbij tenslotte om geschenken van de verhoogde Christus aan zijn kerk. In Ef.4 citeert Paulus Ps.68: “opgevaren naar de hoge, voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen” (vs.7). Even later vult de apostel dat nader in: “En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus” (vs. 11,12). De ambtsdragers zijn hemelse cadeaus van onze Heiland en Heer! Toch lijken we als gemeente steeds meer verlegen met dit geschenk. En: kunnen de ambtsdragers zichzelf zo nog zien? Deze verlegenheid blijkt al in de moeite om voldoende geschikte dragers van het ambt te vinden. Daarom is het goed eens een aantal zaken op een rijtje te zetten.

1. Belijdenis en kerkorde

De aanstelling van ambtsdragers komt in onze gereformeerde traditie tot stand door een wettige verkiezing van de gemeente. Dat is zelfs met zoveel woorden in de Nederlandse Geloofsbelijdenis terechtgekomen (art.31). De aanstelling van ambtsdragers is allereerst een geloofszaak en daarna een procedure. Het is daarom ook vanaf het begin een zaak van de hele gemeente. Dat dit in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis aandacht krijgt heeft een historische achtergrond. In de kerk van Rome speelde op den duur (ongeveer vanaf de 11e eeuw) de gemeente bij de aanstelling van ambtsdragers geen enkele rol meer. De paus en zijn bisschoppen maakten de dienst uit. Een van de zegeningen van de Reformatie is, dat de gemeente zelf weer in beeld kwam.

Op grond van de belijdenis zegt onze kerkorde in art. 22, dat de aanstelling van ambtsdragers moet geschieden ‘met medewerking van de gemeente’. Deze medewerking kon in de geschiedenis van de gereformeerde kerk op drie manieren gestalte krijgen:

• maximaal: de gemeente stelt een dubbeltal, waaruit de kerkenraad het benodigde aantal broeders kiest

• minimaal: de kerkenraad stelt een benodigd aantal broeders voor, de gemeente stemt er zwijgend mee in

• middenweg: medewerking als samenwerking, d.w.z. de gemeente draagt namen aan, de kerkenraad stelt dubbeltallen, waaruit de gemeente kiest.

De derde manier van doen is de gangbare geworden. Op deze manier houdt de gemeente het recht haar eigen ambtsdragers te kiezen, terwijl de kerkenraad een eigen verantwoordelijkheid houdt om naar de Schrift leiding te geven.

2. De Schrift

Zo bracht de Reformatie weer tot gelding, wat we al zien in de bijbel zelf. De bijbel stelt ons de gemeente niet voor als een verzameling van onmondige leken, onderworpen aan een aantal gezaghebbende geestelijken. De gemeente is het lichaam van Christus, waarin alle leden een eigen plaats en taak ontvangen. Het ambt heeft iets van een ‘naast’ en ook van een ‘tegenover’ de andere leden, maar er kan geen sprake zijn van hoger of lager, minder of meer (Ef.4:1-7 - “één lichaam en één Geest … één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen”).

In het Oude Testament werden mensen tot een bijzondere dienst geroepen door een directe goddelijke stem. Het mag het voorrecht en de vreugde van de NT-ische gemeente uitmaken, ingeschakeld te worden bij de uitvoering van Gods wil. Daartoe heeft de Here met Pinksteren zijn Geest gegeven, de Geest van het geloof, de Geest van gehoorzaamheid, de Geest van wijsheid en onderscheidingsvermogen (1 Cor.2:15). Opmerkelijk is, dat er in het NT vlak voor Pinksteren nog eenmaal een verkiezing plaatsvindt door middel van het lot (Hand. 1:26) en daarna nooit meer. Trouwens ook bij die loting is er al sprake van medewerking van de gemeente, waarbij bewust overleg nodig is: ‘…en zij stelden ertwee voor…’ (vs. 23). In Hand. 6 worden door de apostelen zeven diakenen aangesteld, na verkiezing door de gemeente. In beide gevallen waken de apostelen over de criteria (Hand.1:21,22 - die met ons én met Jezus zijn in- en uitgegaan; Hand. 6:3 - die goed bekend staan, vol zijn van Geest en wijsheid).

Zo komt in het boek Handelingen onder leiding van de apostelen elke kerk aan haar ambtsdragers: 14:23 (‘in elke gemeente’). Paulus roept anderen op zijn voorbeeld na te volgen (Tit.1:5), hetgeen zij ook doen (2 Tim.3:10 - ‘gij hebt volle aandacht geschonken aan … mijn wijze van doen…’). In een kerk, die apostolisch wil zijn, moet het ook apostolisch toegaan.

3. Roeping

In deze weg realiseert zich inderdaad de wil van God. Het mag namelijk zo zijn, dat mensen worden ingeschakeld, uiteindelijk blijft het God zelf, die door zijn Geest ambtsdragers roept en aanstelt: “Zie dan toe op uzelf en op de gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft,…” (Hand.20:28; vergelijk ook 1 Cor.12:28).

Zo kan de reformator Bucer, die veel over het ambt heeft nagedacht, zeggen, dat ‘de gemeente de keus van de Heilige Geest aan het licht brengt’. De Heilige Geest bepaalde zijn keus door sommigen met gaven te sieren. En de gemeente volgt deze keus door onder leiding van de kerkenraad om te zien, gaven op te merken en openlijk te erkennen. Als kerkenraad en gemeente zo naar de Schrift bezig zijn geweest, mag een verkozen broeder daardoor weten door God zelf tot het ambt geroepen te zijn. Dan komt in de roep van de gemeente openbaar, dat de Here tot het ambt roept ‘om de gaven die iemand van Christus ontving te benutten voor de opbouw van de gemeente in een regelmatige dienst’ (zo opnieuw Bucer).

Dit besef - dat de gemeente stem geeft aan Gods roeping tot het ambt - is van groot belang. Op de achtergrond van art. 31 van de NGB staat niet alleen verzet tegen de visie van de roomse kerk. Met ons belijden wijzen wij nog een opvatting af: die van de (weder)dopers. Deze nevenstroming van de Reformatie schoot in protest tegen de roomse visie door naar de andere kant. Men meende, dat wedergeboren christenen vrij waren van elk uitwendig gezag. Zelfs dat van de bijbel was ondergeschikt aan de onmiddellijke (letterlijk: on-middel-lijke) leiding van de Heilige Geest. De wil van God voor je leven kon uiteindelijk slechts duidelijk worden door een directe inspraak in je hart. Het gevaar van subjectivisme ligt dan natuurlijk om de hoek.

De inschakeling van de gemeente geeft de aanstelling van ambtsdragers een menselijk karakter. Daarom is grote zorgvuldigheid vereist. Door te vasten en te bidden zocht men concentratie op de wil van God en wenste men het vleselijk-menselijke uit te bannen (Hand. 14:34). Soms lijkt het desondanks al te menselijk toe te gaan. Toch, wanneer wordt gebeden om de leiding van de Geest en niet evident tegen de Schrift wordt ingegaan, mogen wij het ervoor houden, dat op deze wijze een roepstem van de Here klinkt. Dat blijft altijd eerder een kwestie van geloven dan van zien. Maar is dat niet vaker zo, als het gaat om Gods voorzienige leiding?

Alleen zo - in het gelovige besef ‘door de gemeente en mitsdien door God geroepen te zijn’ (klassieke bevestigingsformulier) kan het vertrouwen gevonden worden, dat de Here ook zal geven, wat nodig is om ambtswerk te verrichten. “Die u roept, is getrouw, Hij zal het ook doen” (1 Thess. 5:24). Alleen zo zal het werk gedaan kunnen worden met een innerlijke vrijheid tegenover de eisen van mensen, omdat men dan mag weten ten diepste slechts verantwoording schuldig te zijn aan de Here en zijn Geest.

4. De roeping in het geding

Nu wordt bovenstaande mogelijk wel in theorie onderschreven, misschien als een ideaal gezien, en door sommigen nog echt zo beleefd, - dat is zeker niet meer vanzelfsprekend. Ik noem een aantal zaken, zonder volledig te zijn. Het dragen van een ambt wordt blijkens de wijze, waarop erover gesproken wordt, over het algemeen meer als een last gezien dan als een eer. Het vinden van voldoende geschikte kandidaten ter vervulling van vacatures lijkt ook in onze gemeenten steeds moeilijker te worden. De gemeente draagt soms namen voor van broeders, die duidelijk al niet aan de meest voor de hand liggende criteria (zoals bijvoorbeeld een levende betrokkenheid bij het gemeenteleven uitkomend in trouwe kerkgang, regelmatige avond-maalsviering) voldoen. De kerkenraad is bij de kandidaatstelling soms ernstig verlegen met persoonlijke omstandigheden van door de gemeente genoemde broeders. Hoe zwaar moeten deze wegen? Moet de kerkenraad besluiten, dat deze een verhindering vormen, of is dat een beslissing, die een eventueel verkozen broeder zelf voor het aangezicht van de Here nemen moet? De indruk bestaat, dat er bij de kandidaatstelling de jaren door niet consequent te werk wordt gegaan, terwijl aan nieuw beleid niet altijd bezinning ten grondslag ligt. Gekandideerde broeders hebben niet altijd het geduld om de verkiezing af te wachten en menen tegenover de kerkenraad en/of gemeenteleden op de uitslag te mogen vooruitlopen. Gaandeweg de procedure neemt per ronde het aantal stemmers af, hetgeen de vraag oproept, hoe hartelijk de betrokkenheid bij de eerste ronde eigenlijk was. In de punten 5 t/m 7 wordt daarom gepoogd wat in de punten 1 t/m 3 gevonden werd, naar verschillende kanten nog enigszins uit te werken en toe te passen.

5. De gemeente

Het komt er in de eerste plaats voor de gemeente op aan te weten, wat ze in Christus is en ook werkelijk te zijn, wat ze door de Geest wezen mag: een vergadering van ware christgelovigen, lichaam van Christus en woonstede Gods in de Geest. Het hele gemeenteleven mag gedragen worden door de verwondering en de vreugde over de genade. De genade ook om de Here, elkaar en de wereld te mógen dienen. Aan de Here zal het niet liggen. Hij geeft in Christus een Middelaar en Borg tot behoud van zondaren. Maar in Hem geeft Hij ook het Hoofd van het Lichaam, de Hoeksteen van het huis. Daarom kan ambtswerk nooit meer een ‘mission impossible’ worden. En met de Geest geeft de Here Jezus aan zijn gemeente een overvloed aan gaven. Het ‘overvloedige’ is juist typerend voor de Heilige Geest (2 Cor.8:7). In het licht van de overvloed van Pinksteren is elke schaarste in de kerk (ook die aan kandidaten voor het ambt) een innerlijke tegenstrijdigheid. Elke schaarste houdt daarom de vraag in zich, of de gemeente (ieder afzonderlijk en allen samen) wel leeft uit de rijkdom, die haar is beloofd.

En als het dan gaat om de roeping tot het ambt van ouderling of diaken dient de gemeente te bedenken, dat deze een plaats krijgt in het kader van de roeping tot het ambt van alle gelovigen. Waar dit ambt functioneert, en alle leden hun eigen verantwoordelijkheid nemen, zal de roeping tot het ambt van ouderling of diaken wel (wat) méér, maar voor een periode vooral ander werk met zich meebrengen. Als het ambt van alle gelovigen functioneert, hoeft het ‘bijzondere’ ambt niemand teveel te worden, want dan zal de kerkenraad zich kunnen concentreren op zijn eigen taak: geestelijk leiding geven en toerusten.

De oplossing van veel moeiten ligt in een trouw en toegewijd gemeenteleven. Het zoeken van oplossingen in een andere richting (alleen) levert slechts schijnoplossingen op, die zich elders als nieuwe problemen zullen openbaren. Trouw en toegewijd gemeenteleven vraagt altijd en van ieder offers (Rom.12:1). Daarom spreekt de bijbel ook nergens van het ‘ambt’ van alle gelovigen maar wel van het ‘priesterschap’ van de gelovigen (Ex.19:6; 1 Petr.2:7,9; Opb.1:6). Offers brengen is typisch priesterlijk. Zoals de Here Zelf deed, in wiens zalving wij mogen delen (HC zondag 12). Als wij niet bereid zijn concrete offers te brengen voor werk in de kerk, is het niet eerlijk te zeggen, dat wij er niet van overtuigd zijn, dat de Here ons roept.

6. De kerkenraad

Een eerste vereiste voor de kerkenraad lijkt mij, dat hij de gemeente voorgaat in de vreugde van het dienen. “Dient de Here met vreugde” (Ps. 110:2a). Wij mogen onze dienst ‘heerlijk maken’ door wie nog niet geloven tot jaloezie te verwekken (Rom. 11:30). Wij mogen het Woord van God hoorbaar en de liefde van Christus zichtbaar maken. Want “Zo moet men ons beschouwen: als dienaren van Christus, aan wie het beheer van de geheimenissen Gods is toevertrouwd”(1 Cor.4:1). Zouden wij niet, uit dankbaarheid voor het feit dat de Here ons gebruiken wil, onze dienst ‘ten volle’ verrichten (2 Tim.4:5)? Een blijde en positieve uitstraling van het ambt kan stimuleren tot het begeren van het ambt. En dan begeert men een ‘voortreffelijke’ taak (1 Tim.3:1).

De heerlijkheid van het ambtswerk zou best wat meer onderstreept mogen worden in prediking, catechese en huisbezoek. Hoe reageren wij, als men zegt: “Je hebt het wel druk zeker, ook nog kerkenraad erbij…”? En er moeten van de kerkenraad stimulansen blijven uitgaan om zich in verenigingsverband vanuit Schrift en belijdenis te laten voeden en vormen. Hoe vaak is in vroeger jaren niet de knapen- en mannen-vereniging een kweekplaats geweest voor het ambt?

In hoeverre kan op het huisbezoek ‘gepolst’ worden? Met het oog op een gefundeerd en gemotiveerd advies dient een wijkouderling goed op de hoogte te zijn van gees-telijk beleven en persoonlijke omstandigheden. Hier hangt veel af van de fijngevoeligheid en zorgvuldigheid van de wijkouderling. In elk geval kan niet gevraagd worden, of een broeder bereid zou zijn en/of zichzelf in staat zou achten ouderling of diaken te zijn. Het is namelijk de vraag, of iemand daar ooit (weer) toe geroepen wordt. Op zo’n vraag valt pas antwoord te geven op het moment, dat er in de weg van een wettige verkiezing een concrete roeping van de Here ligt. Tot het zover is kan per definitie niet anders dan vrijblijvend over ambtswerk worden gesproken. En dat is ver beneden het niveau waarop de Schrift ons leert daarover te spreken. De verzekering op voorhand, dat men ‘het toch niet aan zal nemen’ getuigt van een hoogmoedig vooruitgrijpen op de dingen en dat dient dan ook duidelijk gezegd te worden. Zoals intussen evenzeer van een hoogmoedig vooruitgrijpen sprake is, als een wijkouderling een verwachting wekt, of zelfs toezeggingen doet in de ene of andere richting. Men ga op huisbezoek maar het beste uit van de situatie, zoals die op dat moment is. Geeft een broeder er op dit moment blijk van zijn gaven te willen besteden tot opbouw van de gemeente? Hoe wordt dat ervaren door hemzelf en door anderen? Zou hij zich kunnen voorstellen, dat de kerkenraad op enig moment kandidaatstelling voor een ambt zou overwegen?

Kandidaatstelling blijft intussen een zaak van de hele kerkenraad. In grote vertrouwelijkheid te betrachten. De kerkenraad waakt over de criteria voor kandidaatstelling. Behalve aan het reeds genoemde uit het boek Handelingen valt dan te denken aan wat Paulus schrijft in de eerste brief aan Timoteüs (hfdst.3). Het valt daarbij overigens op, dat de vereisten voor oudsten en diakenen slechts op één punt duidelijk afwijken van die voor elke gelovige: “… bekwaam om te onderwijzen …”. Kan de betreffende broeder in staat worden geacht vanuit Gods Woord geestelijk leiding te geven aan de gemeente in heel haar verscheidenheid? Besluitvorming in dezen moet in volstrekte vertrouwelijkheid plaats kunnen vinden. Van in vertrouwelijkheid genomen besluiten mag niemand achteraf verantwoording verwachten of vragen. Wel kan de kerkenraad besluiten aan haar beraadslaging in pastorale zin een gevolg te willen geven.

De wijkouderling heeft bij de kandidaatstelling met een gemotiveerd advies een belangrijke inbreng. Dit kan evenwel nooit bindend zijn. Dat zou weer de roomse kant opgaan. Het zou bovendien op een wijkouderling een veel te zware belasting leggen. De Schrift verhindert het: “Want één is uw Meester en gij zijt allen broeders” (Matt.23:8). En in art. 85 van de kerkorde staat: “Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren”.

De moeilijkste vraag blijft, in hoeverre persoonlijke omstandigheden een verhindering kunnen vormen voor kandidaatstelling. Het zal van geval tot geval bekeken moeten worden. Als gebeden is om de leiding van Gods Geest en wij ons die gaandeweg de vergadering ook bewust te binnen brengen, mag verwacht worden dat de Geest de gedachten leidt. Dan zal het bij sommige namen - zonder dat dat veel discussie geeft - evident zijn, dat factoren uit de persoonlijke levenssfeer de uitoefening van een ambt echt onmogelijk maken.

Overigens mag de kerkenraad er in zijn beleid sowieso vrijmoedig van uit blijven gaan, dat ambtswerk altijd offers vraagt (zie onder 5.). Dat ervaren zittende broeders zelf immers ook? Zo mag bij aarzeling of twijfel met betrekking tot kandidaatstelling het vertrouwen de doorslag geven, dat de Here na een eventuele verkiezing een betreffende broeder zélf wel zal laten zien, of Hij een bepaald offer al of niet vraagt. Van de gemeente mag vertrouwen verwacht worden, dat de kerkenraad bij de kandidaatstelling niet anders wilde dan de wil van de Here dienen, door noch de Geest te dwingen, noch Hem in de weg te staan.

7. Gekandideerde broeders

In het vervolg van art. 31 NGB staat: “Daarom moet ieder zich er terdege voor wachten om zich met ongeoorloofde middelen in te dringen (in het ambt nl.), maar hij is verplicht de tijd af te wachten, dat hij door God geroepen wordt om daardoor het overtuigend bewijs te hebben, dat zijn roeping van de Here is”. Hierachter staat Hebr.5:4 “En niemand matigt zichzelf die waardigheid aan, doch men wordt ertoe geroepen door God…”. In onze situatie lijkt deze tekst het duidelijkst toepasbaar voor een gekandideerde broeder. De tijd tussen kandidaatstelling en verkiezing is een tijd van wachten, biddend wachten op wat de Here zal doen. Men moet daar noch in positieve, noch in negatieve zin op vooruitlopen. Niet voor zichzelf en niet tegen anderen. Niet vooruitlopend, maar volgend zijn wij op onze plaats. Steeds, als Petrus voor zijn Here uit wil lopen, gaat het mis. De Here leidt het leven van zijn kinderen van stap tot stap.

Mogelijk zal een gekandideerde broeder niet verkozen worden. Dan nog kan het een tijd zijn, die meestal niet vrij van spanning, maar vaak toch ook niet zonder zegen blijft. Een roeping tot dit ambt gaat op dit moment dan niet uit, de roeping tot het ‘ambt’ van alle gelovigen blijft. En de kandidaatstelling mag op zich als een bemoedigend blijk van vertrouwen ervaren worden.

En als een gekandideerde broeder wel verkozen wordt? Dan moet hij zich niet eerst - van alles afwegend - af gaan vragen, óf er sprake is van roeping door de Here. Uit bovenstaande blijkt, dat door middel van de gemeente deze roeping er eenvoudigweg is. Op een roeping vraagt de Here primair gehoorzaamheid. Even eenvoudigweg zou er daarom bereidheid moeten zijn deze roeping met vertrouwen op te volgen. Als een afweging nodig is, moet deze erop gericht zijn eventuele belemmeringen voor Gods aangezicht te overwegen om zo de roeping van harte te kunnen overnemen en de eerste vraag uit het bevestigingsformulier met een oprecht ‘ja’ te kunnen beantwoorden: “Zijt gij in uw hart overtuigd, dat God zelf u door zijn gemeente tot deze heilige dienst geroepen heeft?”

In de overwegingen mag het aantal ontvangen stemmen, of het pas verkozen zijn in een volgende ronde geen rol spelen. Zulke gedachten zijn meer democratisch dan Christocratisch van aard. Een te verkrijgen meerderheid van stemmen is slechts een fase op de weg van toenemende instemming. Door middel van de approbatie (stilzwijgende instemming van de gemeente met het voornemen van de bevestiging) is een broeder uiteindelijk zelfs gekozen met algemene stemmen.

Er kunnen doorslaggevende bezwaren zijn, die het vragen van ontheffing onvermijdelijk maken. Deze kunnen liggen op het vlak van het maatschappelijke leven, al staat daar tegenover, dat ambtswerk ook een rijke afwisseling kan geven in het bestaan met een stimulans om in alle drukte de zorg voor eigen ziel en die van anderen niet te vergeten. Is het overigens niet een objectief feit, dat we het met z’n allen wel steeds drukker hebben gekregen maar dat we in vergelijking met vroeger tijden ook meer vrije tijd hebben gekregen? De gezinssituatie kán een verhindering vormen om de roeping van de Here op te volgen. Maar soms blijkt ongedacht in het ambtswerk ontvangen zegen door te werken in het huwelijk. En kinderen zien hun vader misschien wel minder, maar onderschat de waarde niet van het voorbeeld van trouw en dienst. Twijfel over eigen geschiktheid kan onzekerheid geven. Maar de bijbel staat vol met voorbeelden van mensen, die terugschrokken voor een opdracht en in de weg van gehoorzaamheid ontvingen, wat ze nodig hadden.

De uitoefening van het ambt kan evenwel een te grote aanslag betekenen op de lichamelijke of mentale spankracht, of op die van het gezin. De gekozene moet in dat geval eerst zelf voor het aangezicht van de Here vrijmoedigheid ontvangen om ontheffing te vragen. De redenen voor een verzoek om ontheffing blijven staan ter beoordeling van de kerkenraad. Niemand mag geprest worden. Tegelijk moet voorkomen worden, dat iemand lichtvaardig om ontheffing vraagt. Wanneer het ‘door de gemeente, mitsdien door de Here’ een gegeven is, geeft een verkiezing dus én tegenover Hem én tegenover de gemeente een verantwoordelijkheid. Het is de taak van de kerkenraad te bevorderen, dat dit besef blijft leven of weer meer gaat leven. Het zou daartoe aanbeveling verdienen meer inhoud te geven aan de mededeling aan de gemeente van een verzoek om en verlening van ontheffing. Meer dan: ‘de kerkenraad heeft zich node… enz.’

Verwacht mag worden, dat een broeder in een gesprek met het moderamen, aangevuld met de wijkouderling, aan kan geven, dat en hoe de Here zelf het verhindert de roeping met de overtuiging van het hart over te nemen. Vanuit een hoog roepingsbesef moet dan diep gepeild kunnen worden. Vormen de zaken, die worden aangevoerd, werkelijk een verhindering of spelen er andere dingen: een verkeerde visie, een gebrek aan vertrouwen misschien, of toch te weinig bereidheid om een offer te brengen? Mogelijk een onbestreden zonde? De motieven om ontheffing te vragen zullen uiteindelijk met gebed én dankzegging voor het aangezicht van de Here moeten kunnen worden verantwoord. Misschien dat dát - met gebed én dankzegging - bij de beoordeling het beste criterium is. De kerkenraad moet bezien of er in de redenen van het verzoek om ontheffing aanleiding ligt verder pastorale aandacht te geven. Na het verlenen van ontheffing dient in het eerstvolgende huisbezoek aan de wijkouderling duidelijk te worden, of de omstandigheden, die tot het verzoek om ontheffing aanleiding gaven, nog in dezelfde mate aan de orde zijn. Dit laat onverlet de eigen verantwoordelijkheid van de kerkenraad bij de volgende kandidaatstelling.

8. Slot

Tot slot: het hele verhaal is tamelijk gemakkelijk onderuit te halen. Namelijk door te zeggen, dat we hier de theorie vinden, die in de praktijk gewoon onhaalbaar blijkt. Niemand zal ontkennen, dat hier spanningsvelden liggen. Niet altijd kan het ambtsdrager zijn als een vreugde beleefd worden. Soms betekent een ambt dragen ook een kruis dragen. Maar als dat bij onze overwegingen beslissend zou moeten zijn, dreigt het hele christen-zijn een cadeau te worden dat op de zolder van ons levenshuis belandt. Dat kan immers niet zonder kruisdragen. De mens van onze tijd is allergisch geworden voor elke vorm van kruisdragen. Maar de Here Jezus zegt: “Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf, neme zijn kruis op en volge Mij” (Mark. 8:34) Juist dan is het zo belangrijk elkaar te blijven herinneren aan het heil, dat we ‘achter Jezus aan’ zullen ontvangen. Op onze weg over de aarde en tot in de hemel. “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder die zijn leven zal verliezen om mijnentwil en om des Evangelies wil, die zal het behouden” (Mark. 8:35).

Jezus, ga ons voor
Deze wereld door,
En U volgend op uw schreden
Gaan wij moedig met U mede,Leid ons aan uw hand
Naar het vaderland. (Gez.442:1)

Ds. Schenau (1960) schreef bovenstaande bezinning in 2001 in eerste instantie ten behoeve van de kerkenraad van zijn toenmalige gemeente Dordrecht-Zuid. Momenteel is hij predikant van de gemeente van Leiden.

Geraadpleegde literatuur

H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht

J. v. Bruggen, Ambten in de apostolische kerk

K. Deddens, Dienstplicht van alle gelovigen, in: Dient Hem met vreugde

J. v. Genderen, De ouderling als ambtsdrager, in: Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente

A.N. Hendriks, Van God gezonden

C. v. d. Leest, Dienstvaardig I

W.v. ’t Spijker, De ouderling en zijn werk in het licht van de kerkorde, in: Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente

C. Trimp, Zorgen voor de gemeente

J.P. Versteeg, Nieuwtestamentisch profiel van de ouderling, in: Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente

Artikelen in Ambtelijk Contact van K. Geleijnse (febr. ‘82), B.d. Graaf (maart ’85), D. Koole (april ’90), D. Quant (okt. en nov. ’95), J.C.L. Starreveld (sept. ’96) en R.W.J. Soeters (okt. ’97).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.