+ Meer informatie

HET MINISTRY-GEBED

8 minuten leestijd

Een kort artikel over het ministry-gebed draagt het risico elfeaar niet recht te doen. Verwacht hier niet een afgewogen verhaal maar slechts een gelegenheid tot kennisname van enkele argumenten.

NEW WINE

Het ministry-gebed is uit de Angelsaksische evangelicale wereld afkomstig en in Nederland geïntroduceerd via de New Wine beweging, met als pleitbezorger ds. Dick Westerkamp in Houten. Er worden ook cursussen gehouden die mensen in staat moeten stellen een ministry-team binnen de gemeente te vormen, ook binnen de gevestigde kerken. Niet overal is men laaiend enthousiast. Hoe komt dat? Verstaan we elkaar wederzijds wel? Willen we dat wel? En zijn verschillen van inzicht te verdragen zonder elkaar in een hoek te zetten?

Aan de website van New Wine ontleen ik het volgende:

WAT IS MINISTRY?

Ministry is een gebedsmodel waar twee personen bidden voor een derde persoon. Het woord ‘ministry’ betekent letterlijk ‘bediening’. Deze vertaling roept echter verschillende associaties op en geeft niet precies weer wat dit gebedsmodel inhoudt. Vandaar dat we werken met een definitie: ‘Bidden met mensen in de kracht van de Heilige Geest’. In sommige gemeenten wordt ministry vertaald met ‘persoonlijk gebed’, ‘persoonlijke voorbede’ of ‘zegenend bidden’. Binnen New Wine gebruiken we het woord ministry.

Bij ministry verwachten we dat God door zijn Geest daadwerkelijk aanwezig is (Lk 11:13). Het gaat daarbij niet om de bidders, maar om God die door de Heilige Geest wil werken in het leven van de persoon die om gebed vraagt. In Engeland wordt gezegd: ‘Ministry is zegenen wat God aan het doen is.’

De bidders bidden met een open hart en open handen (en open ogen!) in de verwachting dat de Heilige Geest de liefde van God in de harten uitstort (Rom. 5:5). Onder eo.nl/werkinde kerk/gebed/… en op de website van de CGK Groningen onder groeigroepen is de wat uitgebreidere beschrijving te vinden.

AANDACHT VOOR DE VOORBEDE

Voorop wil ik stellen, dat het zgn. ministry-gebed de zaak van de voorbede weer in de aandacht plaatst. Dat is goed en ook nodig. Want er zijn vragen te stellen rond de in de kerken gebruikelijke praktijk, overigens voor een deel dezelfde bij dit ministry-gebed. Kort samengevat: Wie is het die ons bidden eigenlijk moet horen? Degene voor wie we bidden? De ‘meeluisterende’ aanwezigen (in de kerkdiensten)? Of God in de hemel? Ik krijg regelmatig de neiging die vraag te stellen. Maar hoe dan ook: er moet gebeden worden. En als deze vorm daaraan bijdraagt is dat welkom. Toch wil ik wel enkele vragen stellen.

DE TERMINOLOGIE

New Wine geeft zelf aan dat er wat doen is rond het woord ‘ministry’. Dat is m.i. iets méér dan de vraag hoe dat woord te vertalen. We zitten hiermee in de sfeer van wat in de goede oude gereformeerde kerkorde valt onder het hoofd ‘van de diensten’, de ‘bijzondere ambten’. Daartoe word je door God geroepen en daarmee samenhangend óók door de gemeente. Uit die laatste roeping blijkt de eerste. Die roeping moet ook controleerbaar zijn. Predikanten bijvoorbeeld moeten bij herhaling ook letterlijk hun papieren tonen.

Nu zal men al gauw zeggen: dat bedoelen we niet. Dit valt voor ons onder het algemene ambt der gelovigen. Tóch houdt men - ik zou bijna zeggen - opvallend ‘star’ aan dit hierdoor toch al vage woord ministry vast. Waarom? Zou het écht niet kunnen zijn dat men op deze wijze een toch een pretentie voert van iets bijzonders, juist méér dan het gewone of zelfs tegenover het gewone?

Om ruimte voor deze gebedsvorm te vragen, beroept men zich op het feit dat er geen speciale gebedshouding in de Bijbel wordt voorgeschreven. Terecht. Maar merkwaardig: je komt nergens zoveel aandacht voor de gebedshouding tegen als juist bij het ministry-gebed. En dat is m.i. innerlijk tegenstrijdig.

Uitgaande van de veronderstelling dat men dit inderdaad niet onder bijzondere ambten wil laten vallen, dan van tweeën één: óf je accepteert het dan als volledig legaal dat mensen zeggen: mij niet gezien, ik kies voor iets anders, óf je prijst dit min of meer aan als iets bijzonders en begeeft je zo feitelijk op sektarisch terrein. Tussen die twee zit niet zo heel veel ruimte.

GEBEDSHOUDING

Nu iets over die gebedshouding zelf. Er wordt gebeden door twee personen voor een derde. Van hen wordt gevraagd goed te luisteren om te kunnen verwoorden wat degene voor wie gebeden wordt, bezighoudt. Deze opmerking over de luisterhouding zou ik aan iedere ouderling, diaken en predikant willen meegeven. Maar dat betekent dus ook, dat het ongeloof, het kleingeloof en de aarzeling van de betrokkene mee verwoord moet worden, als ware het het eigen ongeloof, kleingeloof en aarzeling. Niet als ondeugden van die ander, maar in gezamenlijkheid. Bidden in de wij-vorm graag, anders sta je niet écht naast elkaar.

Aanraking blijkt bij dit alles belangrijk te zijn. Eén hand op de schouder van de betrokkene - het moet wel tevoren gevraagd worden - een één hand open naar boven om de ontvangende houding aan te geven. Een ‘open mind’, maar ook open ogen - ook letterlijk- om te zien wat de H. Geest doet. Een paar dingen zou ik daarover willen zeggen.

Met die hand op de schouder heb ik wat moeite. Niet vanwege de lijfelijkheid. Een klop op de schouder of een arm om de schouder kan heel goed zijn in de zin van bemoedigend. Het besef van ertoe te doen, geaccepteerd zijn, of van troost kan ermee overgedragen worden. Daar is niets mis mee. Doen!

Mijn moeite zit in de directe combinatie met dit gebed. Het warme gevoel - dit psychologisch effect - kan verward worden met of aangezien worden voor het werk van de Geest als resultaat op het gebed. En zodra dit warme gevoel weer over is - bij personen in een periode van labiliteit in hun leven kan dat maar zo - weten we dus ook geen raad meer met de waarde van dit gebed. Zo werkt dat dan. Vele ambtsdragers kunnen daarvan zich de nare voorbeelden voor de geest halen. Haal die twee duidelijk uit elkaar. Misverstanden moeten ook niet onbedoeld opgeroepen worden.

Met die hele nabijheidskwestie heb ik trouwens wat moeite. De apostel Paulus bidt op afstand voor grote groepen mensen. Heeft dat minder kans om gehoord te worden bij God en resultaat af te werpen in de gemeenten? Of wordt het resultaat uiteindelijk bereikt doordat hij er melding van maakt in zijn brieven? (In de consistoriekamer: Dominee, doet u deze voorbede maar vanmiddag, want dan is broeder of zuster die en die aanwezig….).

VERWACHTING

Dan wat de open ogen betreft. Dat heeft te maken met het verstaan van Lk. 11:13. ‘Bij ministry verwachten we dat God door zijn Geest daadwerkelijk aanwezig is (Lk. 11:13)’, zo wordt gezegd. Enerzijds ben ik daar blij mee. Bij het bidden móet rekening gehouden worden met de belofte van de Geest zoals deze in Lk. 11 te vinden is. Dik onderstreept graag. En anderzijds kan ik toch niet helemaal ontkomen aan het vermoeden, dat dit Bijbelwoord bij deze toepassing enigszins uit zijn verband gehaald is: ‘Bij ministry verwachten we…’. Met de vraag: wie zijn die ‘we’, komt immers tegelijk de vraag: en is dat werkelijk zo? Is het zó direct en algemeen te zeggen - wij verwachten -, dat je daarop o.a. de open ogen kunt baseren? Dan ga je immers van het tevoren vaststaande gegeven uit dat het werk van de Geest zo duidelijk is dat je het resultaat stellig kunt zien. Het is deze eigen invulling van het woord ‘daadwerkelijk’ die de betekenis van het Bijbelwoord gaat bepalen. Dát kan men toch niet willen.

Inderdaad: er ligt een stellige belofte van Gods kant in Lk. 11:13. Daar kunnen, hoeven en mogen we zelfs niet omheen. Maar daarmee is nog niet zo vanzelfsprekend de feitelijkheid van ons geloof daarin gegeven. Mk. 11:24 hoort er direct bij: ‘Daarom zeg Ik u, al wat gij bidt en begeert, geloof dat gij het hebt ontvangen, en het zal geschieden’: een duidelijke opdracht, maar tegelijk een kritische vraag naar wat wij met die belofte van God doen. Het is niet de bevestiging van een tevoren vaststaand gegeven.

De belofte betekent inderdaad de opdracht een ‘open mind’ te hebben voor de signalen van de Geest. Maar het van tevoren vaststellen van die open mind - of: dat geloof als bedoeld in Mk. 11 - is een stap te ver. Wie stelt dat alles vast? Is dat niet uitsluitend God zelf? Wij bewerken dat toch niet door een bepaalde gebedsvorm?

In Mk. 11 betekent geloof toch dat je de zaak waarvoor je bidt, zo in handen van God legt, dat je ook niets hóeft te zien. Je kunt dan opnieuw van start met je leven in de zekerheid dat God al gehoord heeft. De ontvangst kan later komen (zie o.a. Psalm 31 slot).

Ten slotte: het gaat bij ministry niet alleen om een open hart, maar ook - letterlijk- om open ogen. Er zal immers wat te zien zijn van het werk van de Geest. Dat is - naar ik hoop onbedoeld - de verwachting richten op iets spectaculairs, anders valt er immers niets te zien. Spectaculaire verrassingen zijn in de Bijbel zeker te vinden. Maar het is juist aan verrassingen eigen dat ze niet dagelijks plaats vinden.

Het ministry-gebed is niet één op één in de Bijbel te vinden. Eén op één overnemen kan denk ik ook niet. Maar laat het gebed niet verflauwen.

Ds. J. Manni (1940) is emerituspredikant te Rotterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.