+ Meer informatie

'Zegenen' kinderen kan nooit alternatief doop zijn

Hervormde Raad voor kerk en theologie 'zuivert' rapport

4 minuten leestijd

DOORN — „Laat er geen misverstanden over bestaan Slechts door de doop wordt men opgenomen in de gemeente. Bovendien moet ons rapport "Zegenen van kinderen" gezuiverd worden in die zin, dat zegenen of opdragen van kinderen nooit een alternatief van de christelijke doop mag of kan zijn". Dat zei dr. F. G. Immink, als voorzitter van de Raad voor kerk en theologie, zaterdag in Doorn aan het eind van de behandeling van het rapport door de hervormde synode. Dr. Immink is sinds kort voorzitter van de Raad, die zich al sinds 1985 bezighoudt met dit onderwerp.

De scriba van betrokken Raad, ds. A. W. Berkhof, somde een aantal bezwaren op tegen het rapport die hij ,.uit kranteartikelen" vernomen had. Hij concludeerde dat het om een gewichtige zaak gaat en dat er een (kerkelijke) zenuw geraakt was. Hij legde uit dat het synodale verzoek aan zijn Raad -tot overdenking van het zegenen van kinderen- kwam nadat de gemeente Lelystad meegedeeld had „dat men iets dergelijks deed".

Ds. Berkhof verdedigde het rapport en zei dat zijns inziens de bijbelse doop geloof veronderstelt. „Het is erg moeilijk dat bij kinderen te veronderstellen. De reformatoren moesten zich ook in bochten wringen en zochten toen het verbond als grond". Hij zei verder dat de redenering „dat de doop in de plaats van de besnijde{\K kwam", „riekt naar de gedachte dat de kerk in de plaats van Israël kwam", de zogenaamde vervangingstheorie. „Het voorstel omhelst geen alternatief voor de doop, maar voor de zuigelingendoop". Moderamenlid mevrouw J. M. de Boer-de Leeuw wees namens de commissie van rapport op de noodzaak van dooponderricht.

Echt/beperkt

Synodepraeses dr. G. H. van de Graaf wilde een brede „echte bezinning" en beperkte de spreektijd drastisch nadat zich veel synodeleden aanmeldden. Vanuit de breedte van de kerk werd voornamelijk kritisch gereageerd. Ds. A. Terlouw uit Hardegarijp vreesde een snelle afbraak van de kinderdoop en meende dat men vooral moet laten zien wat de waarde van de kinderdoop is. Maar er kwamen ook opmerkingen dat secularisatie geen maatstaf voor veranderingen mag zijn. De Raad had namelijk in zijn rapport aangevoerd dat secularisatie mede ten grondslag ligt aan de veranderingen. Ds. W. D. Beekman uit Koudum zei in allerlei situaties wel kinderen te zegenen, maar „deze nota heeft mijn zegen niet". Over de motivatie dat met een „alternatief" de doop zuiver gehouden zou worden, zei hij: „De hemel beware ons daarvoor".

Ds. Sj. van der Zee uit Oosterhout vroeg om diepere doordenking. „Bij ons komen ook kinderen aan de maaltijd van de Heer en ik weet echt niet of ze gedoopt zijn, hoor". Ds. A. Sevenster uit Groningen wees ter waarschuwing op de „verwoestende plechtigheden in Duitsland van rituelen met kinderen rond hun twaalfde en dertiende jaar". Ds. P. M. Breugem wees, met een beroep op de belijdenis en het doopformulier, op het gevaar van een ritueel waarbij de doop gedevalueerd wordt. „Dat betekent wel degelijk een wissel om".

Niet los verkrijgbaar

Ds. P. van der Kraan benadrukte dat het in de doop gaat om geboorte èn wedergeboorte. „Bovendien, hoe kun je vrijblijvend 'zegenen'? Ds. M. Ravenhorst uit Muiden haakte daarop in: „De zegen is niet los verkrijgbaar, daar is ook een verantwoordelijkheid aan verbonden". Moderamenlid dr. J. Hoek wees op de zijns inziens pijnlijke karikaturen die de nota tekende. Ds. J. G. van Loon meende ook dat er een wissel om is en dat bij (latere) doorwerking de theologische structuur van de kerkorde wel degelijk zal veranderen. Ds. Y. C. de Groot uit Assen noemde de kwaliteit van de nota omgekeerd evenredig aan het (grote) aantal sprekers. Synodeadviseur H. G. Heusinkveld zei dat pas als de volwassendoop volwaardig geaccepteerd is, zegenen inzicht kan komen.

Dr. K. Blei. de secretaris-genaraal, gaf een persoonlijk „getuigenis". „Een sacrament versterkt het geloof", zo beriep hij zich op de Heidelberger, „en dat zou tegen de kinderdoop pleiten. Pas in vraag 74 van de Heidelberger komt als bij toverslag de kinderdoop ter sprake en dan ineens is er verbondsterminólogie". Ook Calvijn zou zo gedacht hebben. Dr. Immink reageerde daarop en zei dat zowel de Heidelberger als Calvijn uitging van de grondgedachte van de doop en van daaruit de kinderdoop benaderde.

Als secretaris-generaal gaf dr. Blei een samenvatting van deze discussie, waaraan geen besluitvorming verbonden is: „De zaak moet niet onderschat worden en is nog niet klaar. De discussie legt bouwstenen voor herbezinning". De Raad moet de nota gaan herschrijven. Er vond geen stemming plaats, omdat het om een soort peiling van gevoelens ging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.