+ Meer informatie

'Ik heb de indruk dat Nederland weer verandert'

MR. DRS. F. W. J. DEN OTTOLANDER, EEN ERNSTIGE OPTIMIST

15 minuten leestijd

ROTTERDAM — Even na het afgesproken tijdstip arriveert hij. In driedelig, donker kostuum, enkele tassen meevoerend. Wijzend op de tassen zegt hij: „Ik heb maar wat wetboeken meegenomen. Die kunnen misschien wel van pas komen". Den Ottolander ten voeten uit, zo blijkt tijdens het — openhartig — gesprek dat in een bekend Rotterdams hotel plaatsvindt: hij houdt zich graag aan de feiten en laat zich niet gemakkelijk verleiden tot uitspraken, die hij bij nader inzien niet "hard" zou kunnen maken.

Mr. drs. F. W. J. den Ottolander (36) is voltijds rechterplaatsvervanger bij de arrondissementsrechtbank in Alkmaar. Daarvoor was hij assistent van de VU-hoogleraren prof. G. E. Mulder en prof. J. Remmelink (tot eind '77) en afdelingschef "rechtspositiebeleid hoger onderwijs" op het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. Behalve rechter is hij ook voorzitter van de Reclasseringsraad in Haarlem en - voor één avond per week - docent sociologie aan de Nutsacademie in Rotterdam.

Den Ottolander is geboren en getogen in Rotterdam. Hij volgde er zijn Gymnasiumopleiding en studeerde er aan de Economische hogeschool. Na zijn kandidaatsexamen startte hij tevens een wijsbegeertestudie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht en rondde beide studies in 1970 af, waarna hij verhuisde naar Haarlem. Is lid van de Ned. Herv. kerk en woont daarnaast regelmatig kerkdiensten bij van de Ger. gem. te Haarlem.

Hij publiceerde o.a. in Zicht, Ons Contact, Reformatorisch Dagblad en in bundels van de Vrije universiteit (onder meer over de grondslagen van het strafrecht en over de psychopatenzorg). Als hij voldoende tijd kan vrijmaken hoopt hij te promoveren op een vergelijkingsstudie over strafrechtdenkers van de Nijmeegse universiteit en van de VU. Hij wil in zijn proefschrift ook aandacht schenken aan de opvattingen van de bekende neo-calvinistische wijsgeren Vollenhoven en Dooyeweerd, met wie Den Ottolander op enkele belangrijke punten van mening verschilt. Hij vindt dat de wetenschap moet werken met behulp van rede-argumenten en bovendien gedurig getoetst moet worden aan de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften. Deze toetsing werd door Vollenhoven en Dooyeweerd (in VU-kringen ook wel "de heren V en D" genoemd) afgewezen als zijnde een rest van de voor-reformatorische tijd.

Dit verschil in denkbeelden is volgens Den Ottolander zo fundamenteel dat hij zich op dat punt wil distantiëren van de opvattingen van Vollenhoven en Dooyeweerd. ,,Met alle waardering voor verschillende onderdelen van hun werk, voel ik mij wat de grondslag betreft toch meer thuis bij ds. G. H. Kersten en dr. C. Steenblok", aldus Den Ottolander.


Ruim een jaar is mr. drs. F. W. J. den Ottolander nu voltijds rechter plaatsvervanger in Alkmaar. In 1979 raakte hij in contact met de rechtbank aldaar en na een procedure die bij elkaar een jaar duurde, trad hij in functie. Of er meer rechters zijn, vragen we hem, die tot de gereformeerde gezindte behoren? „Daar durf ik geen antwoord op te geven", zegt Den Ottolander. „Die vraag komt namelijk in de praktijk niet aan de orde. Wat ik wel weet is dat tijdens een congres van de rechterlijke macht in oktober '79 via een enquête bleek dat .menig rechter CDA had gestemd maar niemand SGP of GPV. Overigens houdt dat geen verband met het toelatingsbeleid. In principe zal men uit alle bevolkingsgroepen mensen aantrekken als ze maar aan de benoemingsïisen voldoen."

Zondewerend

Wat hem trok in het ambt? Den Ottolander formuleert het zo: „Het na weging van de verschillende aspecten en belangen tot een rechtvaardige uitspraak komen" en voegt eraan toe: "Verder zie je als rechter direct resultaat van je werk, in de vorm van een vonnis bijvoorbeeld of als partijen in jouw aanwezigheid tot een vergelijk komen". Hij zegt ook veel voordelen in de uitoefening van zijn ambt te zien. „Ik las onderweg in de trein nog een artikel in het Nederlands Dagblad, waarbij ik door de volgende zin werd getroffen (trekt het bewuste exemplaar van het ND uit een van de tassen en citeert):

„Er zit in onze wetgeving gelukkig ook nog een groot stuk zondewerende kracht."

Ik geloof dat dat juist is en dat er in onze wetgeving een hoop dingen goed geregeld zijn. Als u mij dus vraagt of het ethisch verantwoord is het ambt van rechter in deze tijd uit te oefenen als men van gereformeerde beginselen is, zeg ik: in de wetgeving zit een stuk stuiting van de ongerechtigheid van de mensen en in die zin is er sprake van een zinvolle ethische bezigheid."

,,Anderzijds ben je in het recht bezig met de dingen die behoren tot de juridische zijde van de werkelijkheid en als zodanig ben je niet in de eerste plaats ethisch maar juridisch bezig. Daarbij ben je gebonden aan de uitspraken van Je wetgever. Die heeft wetten uitgevaardigd en die wetten worden toegepast. De rechter is volgens het oude adagium uit de 18e eeuw niet meer dan "een mond van de wet". Je moet dus per geval bekijken wat de wet zegt en er rekening mee houden hoe zulke gevallen in Nederland plegen te worden berecht. Dat is een kwestie van grote eerlijkheid."

„Kijk, ik kan persoonlijk als burger wel vinden dat bepaalde feiten ook strafbaar zouden moeten zijn, maar zolang dat niet zo is, word ik niet voor dat probleem gesteld. Als persoon bekleed je een bepaald ambt en dat staat los van je levensbeschouwing. Dat ik van gereforneerde beginselen ben neemt niet weg dat ik in mijn ambt met wetten, gedragingen en rechtsopvattingen heb te maken. Als mensen de wet aan hun zijde hebben, moet ik dat uitspreken, ook al zou ik het persoonlijk niet met die wet eens zijn. Wat dat betreft mag het niets uitmaken of een rechter gereformeerd, rooms-katholiek of van welke overtuiging dan ook is."

Onpartijdig

Om dat laatste toe te spitsen: of een echter nu voor of tegen abortus-provocatus is, hij zal rekening moeten houden met de in de maatschappij levende opvattingen. ,,En die zijn nu eenmaal veranderd", aldus Den Ottolander. „In zulke gevallen zul je niet anders kunnen dan tot een uitspraak komen die niet afwijkt van andere uitspraken. Daarnaast heb je natuurlijk als rechter wel je privéopvattingen, alhoewel ik vind dat je met het naar buiten brengen daarvan erg voorzichtig moet zijn. Meer dan in andere functies is voorzichtigheid geboden om het vertrouwen in de rechterlijke macht te laten bestaan en ook om zo onpartijdig mogelijk over te komen.

Ik ga graag naar de kerk, houd lezingen en schrijf ook artikelen, waaruit naar voren komt dat ik de gereformeerde beginselen onderschrijf; dat kan ik allemaal doen'maar het moet toch niet zo zijn dat er een koppeling wordt gelegd tussen mijn persoonlijke overtuiging en mijn ambt. Ook de wetgever heeft aangegeven dat een rechter zoveel inogelijk buiten de maatschappelijke, strijd moet blijven door hem van een aantal ambten uit te sluiten. Ik streef dat ook na en tracht zoveel mogelijk buiten allerlei conflicten te blijven. Je kunt wel lid zijn van een politieke partij of van een vakbond maar je moet voorkomen dat men je als een partijman gaat zien. Ik vind het bijvoorbeeld moeilijk als rechter op een kandidatenlijst voor de Tweede kamer te staan, van welke partij die lijst ook is. Ik heb dat het hoofdbestuur van de SGP ook zo uitgelegd." (Vandaar dat zijn naam niet meer op de nieuwe lijst voorkomt.)

Vergelding

Gevraagd of onze indruk juist is dat de rechterlijke macht in toenemende mate met verzachtende omstandigheden rekening houdt, blijkt hij die mening niet te delen. ,,Het principe dat in alle gevallen met persoonlijke en bijzondere omstandigheden rekening moet worden gehouden, is niet nieuw. Het is een algemeen aanvaard standpunt, waarin ik me volledig kan vinden. De wet kent trouwens dit principe ook. Er is bijvoorbeeld bepaald dat het schenden van een bijzondere ambtsplicht strafverhogend kan werken. Zo ook kunnen verdachten die verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht, lichter of in het geheel niet worden gestraft en ter beschikking van de regering worden gesteld. Overigens, en dat zeg ik om alle misverstanden te voorkomen, is tbr bepaald geen vakantie. Ik heb in de jaren zestig wel eens uitgezocht dat de gemiddelde duur van tbr vijf en een half jaar was. Wil je diezelfde tijd voor een strafbaar feit krijgen, dan moet je wel een zeer ernstig delict gepleegd hebben."

Den Ottolander zegt, het in dit verband niet eens te zijn met hen die geven van (vrijheids-)straffen als „uit de tijd" bestempelen omdat het toch geen effect zou sorteren. ,,Mijn persoonlijke opvatting is", zegt hij, ,,dat straf toch vooral bedoeld moet zijn als vergelding. Daarnaast speelt een rol dat, om bij die vrijheidsstraf te blijven, opsluiting inhoudt dat zolang deze duurt, de maatschappij tegen bepaalde personen beveiligd wordt. Verder heeft een straf een algemeen voorkomende werking doordat in de pers de straffen bekend gemaakt worden en andere mensen daardoor van het plegen van strafbare feiten afgehouden worden. Dooyeweerd heeft dat heel mooi beschreven in een publikatie in Anti-revolutionaire staatkunde van 1928. Hij zegt: Al deze strafdoelen zijn te vatten binnen die ene term vergelding. Daar ben ik het volkomen mee eens."

Anderzijds moet hieruit niet afgeleid worden, dat hij een tegenstander is van alternatieve sancties. Daarover zegt Den Ottolander: ,,Zoals het woord al zegt, is het in ieder geval een sanctie en dus leed. Als iemand om maar wat te noemen, 20 zaterdagen in een EHBO-post moet gaan werken, komt het me voor dat zo'n sanctie overeenkomt met een vrijheidsstraf. Daarbij kan ik me ook voorstellen dat het voor betrokkene beter is omdat er meer opbouwende 'kracht vanuit gaat voor zijn persoonlijk functioneren in de maatschappij."

Maar komt het element van vergelding dan niet op de achtergrond?

Den Ottolander: ,,Nee, dat geloof ik niet. Mijns inziens ligt het karakter van vergelding bij dergelijke straffen er nog ten volle in".

Prof. Velema stelt in zijn "De rechtvaardiging van de straf" (1) dat humanisering van hét strafrecht tegen de achtergrond van wreedheden noodzakelijk mag zijn geweest maar dat deze term nimmer een dekmantel mag zijn voor de poging om de vergelding uit de straf weg te nemen. Hij pleit in dat verband voor herinvoering van de doodstraf. Hoe staat u daar tegenover?

Den Ottolander: ,,Het boek van prof. Velema vind ik er een gelukkig Voorbeeld van dat men de resultaten van de wetenschappen, dus ook van de rechtswetenschap, voortdurend aan de Heilige Schrift en de belijdenis moet toetsen. Ondanks het feit dat men wel zou wensen dat in een aantal landen waar door dictatoriale bewindvoerders wordt geregeerd, de doodstraf niet bestond, dient volgens gereformeerde beginselen de overheid de bevoegdheid daartoe wel te bezitten, met name in geval van moord. Vroeger was dat niet alleen een echt anti-revolutionair maar ook een c.h.- en r.k.-standpunt. Tegenwoordig zijn er echter in Nederland veel mensen tegen. Voor zover mij bekend, staat het nu alleen nog in de programs van SGP en GPV. Maar om terug te komen op uw vraag, ik ben het met prof. Velema's boek eens, al zou ik over een aantal uitspraken wel eens willen discussiëren."

Stabilisering

We snijden het veelbesproken artikel aan van de president van de Hoge raad, mr. C. W. Dubbink, die vorig jaar mei in NRC-Handelsblad het falend beleid van sommige gemeentebesturen, met name dat van Amsterdam, aan de kaak stelde. Hij doelde daarbij op het niet uitvoeren van ontryimingsvonnissen (de Groote Keyser), waardoor volgens Dubbink de rechtspraak in de gevarenzone dreigde te belanden. Den Ottolander zegt voor wat de situatie in Amsterdam betreft, evenals Dubbink tendenzen te zien die wijzen op een uitholling van de rechtsorde. In z'n algemeenheid zou hij dit echter beslist niet durven stellen. ,,Ik weet het nog niet zo", zegt hij, „of het rechtsbewustzijn op het punt van respect voor de wet etc. vandaag de dag zoveel minder is dan tien jaar geleden. Integendeel, ik heb zelfs de indruk dat na de roaring sixties (de onstuimige jaren zestig-red.) een grote stabilisering is opgetreden. Ik denk dat wat je in Amsterdam ziet, de naweeën van die jaren zijn. Het is ook geen brede beweging, sterker nog, we zien dat extreem-linkse partijen teruggelopen zijn bij de verkiezingen en dat er heel wat klanken uit die kringen vernomen worden die helemaal niet zo passen bij de opvattingen zoals die daar vanouds verkondigd zijn. Zo las ik onlangs in de Volkskrant dat een lid van de CPN had verklaard dat het marxisme-leninisme geen grondslag meer is van deze partij. Dat heeft me in hoge mate verbaasd."

Linkse theologie

Hij zegt ook nog wel andere tendenzen te zien die erop wijzen dat de echte linkse beweging uit de jaren zestig in de afgelopen tien jaar behoorlijk is teruggelopen. Hij heeft zelfs de indruk dat Nederland weer verandert. ,,Je ziet dat bijvoorbeeld aan de kleding van de jongelui, die weer wat meer teruggaat naar die van de jaren vijftig. Ook op het gebied van de linkse theologie zie je die terugloop, ondanks de betreurenswaardige standpunten van de hervormde en gereformeerde synodes inzake kernbewapening en Schriftgezag. Ik geloof dat men in veel gemeenten van die linkse theologie niet veel meer moet hebben. Neem verder zo'n man als prof. Berkhof, die Of» mij nogal eens overkomt als een stem uit het verleden. Het is iemand van de midden-hervormde richting en de standpunten die hij verkondigt, werden honderd jaar geleden door de vrijzinnigheid ook al aangehangen. Ik denk dat de kerken van die richting evenals die van de oude vrijzinnigheid leeg zullen lopen."

Den Ottolander vindt dat er wat dat betreft met name in kringen van de gereformeerde kerken synodaal een grote naïeviteit bestaat over wat hun nu wordt voorgeschoteld. Men kent volgens hem de geschriften van Kuyper en Bavinck, die het opnamen tegen de modernisten, niet meer omdat men vrijwel uitsluitend de hedendaagse literatuur uit eigen en midden-hervormde kring leest. ,,Maar ondanks dat", zegt Den Ottolander, „heb ik het idee dat veel mensen daar intuïtief zijn gaan merken dat dat eenzijdige horizontalisme en die revolutietheologie het ook niet is. Veel midden-hervormden en midden-gereformeerden wensen dat niet meer. Je ziet weer meer aandacht voor het persoonlijk geloof in die kringen. Er kan een wending ten goede komen..."

U bent bepaald geen „doemdenker"...

Den Ottolander: ,,Nee, beslist niet. Men heeft mij wel eens gekenschetst als een vrolijke pessimist maar ook die typering werp ik verre van mij. Ik ben eigenlijk toch wel een — zij het ernstige — optimist. Dat houdt ook verband met mijn gereformeerde beginselen. Ik geloof dat je geen recht hebt om pessimist te zijn. De belijdenis zegt immers dat we in voorspoed altijd dankbaar en in tegenspoed altijd geduldig moeten zijn. Je hebt dus nooit het recht om treurende bij de pakkeh neer te zitten."

Maar aan de andere kant zijn er, om terug te keren op uw optimistzijn, toch tekenen des tijds?

Den Ottolander: ,,Ja stellig. Maar wat mij zo opvalt als je de oudere literatuur leest, en dan neem ik de 18e eeuw, dat je daar meningen in tegenkomt waarvan men in die tijd ook wel gedacht moet hebben: dat zijn allemaal ontbindingsverschijnselen. Toch zien we dat er na de 18e eeuw een tijd is gekomen van restauratie. De Afscheiding wordt niet voor niets aangemerkt als het wonder van de 19e eeuw! Zo zie ik het als een wonder van de 20e eeuw dat er nog zoveel positieve tendenzen zijn, hoewel ik er gelijk bij zeg dat je er wel voor moet gaan zoeken.

Is de twintigste eeuw dan niet de periode waarin het proces van verlinksing versneld voortschrijdt?

Den Ottolander: „Ach, we moeten dat ook weer niet overdrijven. Om te beginnen wijs ik op de twee gereformeerde partijen in de Kamers. Verder zijn er nog heel wat CDA'ers die bepaald geen loyalist zijn, die niet verlinkst zijn om zo te zeggen. Bovendien zijn er in de VVD toch ook nog velen die je bepaald niet in de hoek van de maatschappij-critici kunt zetten. Trouwens ook in PvdA-kring is men bijvoorbeeld inzake kernwapens nog reëler dan de hervormde synode.

Neem ook het Reformatorisch dagblad met zijn meer dan veertigduizend abonnees en daarnaast het Nederlands en Friesch dagblad. Dan zeg ik, het is in Nederland echt niet zo dat iedereen maatschappijkritisch is."

Atoomoorlog
Om even bij die kernwapens te blijven: vriend en vijand zijn het er, toch wel over eens dat de dreiging van een atoomoorlog toeneemt. Bepaald geen positieve tendens...

Den Ottolander: „Dat wel, maar we moeten niet vergeten dat de mensen tegenwoordig ook een hoop wordt bijgebracht en aangepraat. Ik moet zeggen dat er veel hedendaagse cultuuruitingen zijn waar ik even kennis van neem en die ik dan weer gauw terzijde leg om dat ik er akelig van word als ik die allemaal zou moeten verwerken. En als ik dan naar godsdienstoefeningen ga — die ik overigens zorgvuldig uitkies — dan moet ik zeggen dat ik daar veel bemoedigende en vertroostende woorden van meeneem. Ik kan dan moeilijk pessimist zijn. Aan de ene kant wordt er, als het goed is, op gewezen dat uit de mens geen goed is maar aan de andere kant, wordt gewezen op de grote barmhartigheid Gods voor de uitverkorenen en, wat de algemene genade betreft, voor alle mensen.

Maar baren daarnaast allerlei verschijnselen als de ontkerkelijking, de toenemende macht van de media, de gezagscrisis enz. u dan geen zorgen?

Den Ottolander: ,,Ja maar dan stel ik daar tegenover: wat hebben we een welvaart, wat zijn we op het gebied van de bestrijding van allerlei ziektes ver gekomen, wat zijn er toch prachtige wetenschappelijke boeken geschreven. En kerkelijk: wat zijn er nog veel grote gemeenten waar men met vertrouwen heen kan gaan. We kunnen natuuriijk misbruik maken van al die zegeningen maar het is voor mij een raadsel waarom we bij zoveel algemene genade niet dankbaar zouden mogen zijn. Ik zou daarom het antwoord op uw vraag zo willen formuleren: objectief heb ik die zorgen over tal van verschijnselen wel maar dat ontneemt mij niet mijn levensvreugde. Ik ben er heus wel van overtuigd dat, om nog even die atoomoorlog aan te halen, ieder moment de verschrikkelijkste onheilen over ons kunnen uitbarsten. Maar zolang dat niet gebeurt, kan ik daar niet over gaan zitten rouwen en treuren. Misschien dat het met mijn karakter samenhangt maar ik denk dat het toch ook wel met een vorming van denkbeelden te maken heeft. Ik zoek inderdaad erg veel tegenwicht tegen wat men dan doemdenken noemt en ben er eigenlijk in de loop der jaren volstrekt ongevoelig voor geworden."

J. van Klinken

(1) Uit de serie „Ethisch kommentaar" van dr. J. Douma en dr. W. H. Velema, uitgave Ton Bolland, 1978.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.