+ Meer informatie

Zending in Rhodesia

5 minuten leestijd

Terstond aan de slag

Het spreekt vanzelf, dat Van Woerden bij zijn aankomst in Bulawayo een groot gedeelte van zijn tijd moest besteden om het Sindebele, de taal van de inlanders, te leren. Het gaat nu eenmaal moeilijk, zonder kennis van die taal, naar behoren te kunnen werken. Daar komt bij, dat de bevolking het zeer op prijs stelt, wanneer ze aangesproken wordt in hun eigen taal. Maar behalve het leren van Sindebele, kwam er al spoedig ook ander werk. Laten we maar eens even zien en luisteren.

Er komt een vrouw naar het kliniekje. Op haar rug draagt ze een baby in een doek. Een dochtertje loopt naast haar. Het mens ziet er mager uit en haar lichaam is slechts gedeeltelijk gedekt met versleten lompen.

„Salabonani, " zegt Van Woerden. Het betekent: „Ik zie jullie."

De vermoeide vrouw is op de grond gaan zitten en kijkt de blanke man lange tijd aan. Dan antwoordt ze langzaam: „Yeeeebo, salabonaan." (Ja, wij zien jullie.") „Kunjani? " vraagt Van Woerden verder. (Hoe maken jullie het? ).

Met een klagende, fluisterende stem zegt de vrouw: „Sikona." (Heel goed).

„Ufunani? " (Wat wil je? )

„Ngi ya gula." (Wij zijn ziek).

Langer gesprek kan Van Woerden nog niet voeren. De tolk moet er nu verder aan te pas komen. En wat blijkt nu?

De moeder en de dochter zijn tamelijk gezond, maar de baby van drie weken oud heeft een groot gezwel in het halsje.

Eigenaardig is het, dat de bevolking daar zo sterk in stamverband leeft: wanneer één lid ziek is, lijden ze allen. In de onbarmhartige rimboe, waar deze mensen leven, zou een mens alleen het niet kunnen volhouden. Er moet wel gedacht en geleefd worden in groepsverband.

Daar staat de medische zendeling nu. Er is geen eigenlijke dokter; zeker geen kinderspecialist en een röntgenfoto kan niet genomen worden. Wat moet hij doen? Waarschijnlijk is het gezwel een vorm van t.b.c., de grote vijand van jong en oud in deze omgeving.

„Blijf je hier tot de middagkerkdienst in je eigen taal gehouden wordt? " „Nee, " schudt het vermoeide hoofd. „Ik kan niet blijven. Ik moet naar de Gwampavallei."

Geen kleinigheid. Dat is niet minder dan 25 km! En dan op blote voeten door de rimboe in de brandende zon, met een kind op de rug!

Als ze later op de dag thuiskomt, zal daar direct weer het werk haar volle aandacht vragen. De mannen eisen de volle inzet van haar krachten: ze hebben niet voor niemendal tien koeien voor haar gegeven om ze te huwen! Ook de toverdokter zal niet gemakkelijk zijn, als hij straks hoort, dat ze met haar kind naar de zendingspost is geweest.

Wat is er toch veel leed in deze gebieden. Hoe armoedig is het bestaan van de inboorlingen. Hun voedsel bestaat bijna uitsluitend uit maispap, 's morgens en 's avonds. Eieren, melk en vlees behoren tot de grote uitzonderingen. Dat er nog gezonde mensen zijn, moet ons wel verbazen.

Het is echter zeer bemoedigend voor de zendingsposten, wanneer het blijkt, dat de Heilige Geest in de harten van deze primitieve mensen werkt. Voor de Heere is geen ding te wonderlijk. Het is ontroerend het zingen van de psalmen in het kerkje te horen. Zonder orgel zingen deze mensen best. Ze hebben een zeer muzikaal gevoel. Dat moet wel, want zonder les te hebben gehad, zingen ze de psalmen meerstemmig.

In een brief van 4 december 1957 schrijft Van Woerden: „Vanmorgen bezocht ik een van de afgelegen scholen. Ongeveer honderd kinderen worden hier onderwezen uit Gods Woord. Ook leren ze andere noodzakelijke vakken. Vijftien kinderen waren bezig de grond om de gebouwen aan te vegen met de bladerrijke takken. Ook hier weer die groepsgeest. Zonder dat iemand de leiding had, bewogen ze hun tak regelmatig op het ritme van het zinnetje, dat zij zongen en tot in den treure toe herhaalden. Hier ook weer dat melancholisch mineurgeluid."

Een paar weken later kon hij al schrijven: „Ik ben hier nu enkele weken en voel mij reeds aardig ingeburgerd. Het werk is prachtig en nuttig. Daar alles nieuw voor mij is en ik veel moet leren, heb ik natuurlijk geen vaste dagindeling.

Het is op 't ogenblik (17 dec.) zomervakantie tot 21 januari. Ds. Fraser heeft dus wat meer tijd om mij wegwijs te maken, hoewel het erg druk is, niettegenstaande de vakantie.

De meeste dagen breng ik ongeveer als volgt door. 's Morgens om 5.45 opstaan. Om half zeven ga ik met de auto naar één van de slaapgebouwen, waar ik een jongetje ophaal, d it zijn grote teen onder een vat verbrijzeld heeft, en reeds en week bij ons is als patiënt. Het slaapgebouw is maai, een

paar honderd meter van ons huis, maar hij kan nu niet lopen. Om kwart voor zeven komt een zestal jongens en meisjes, die in de vakantie hier werken, ook naar ons huis, voor de ochtend-huisgodsdienstoefening.

Om ongeveer half acht hebben wij ontbijt (dat is laat nu, omdat het vakantie is). Na het ontbijt ga ik naar het kliniekje, dat aan het huis is gebouwd. Een aantal patiënten zit daar reeds verspreid op de grond te wachten."

Volgende keer hopen we het kliniekje eens binnen te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.