+ Meer informatie

De raadsels van het leven als vraag voor het geloof

10 minuten leestijd

Op een huisbezoek kan de vraag zo ineens op tafel komen als in de nabije familie iemand ernstig ziek is. Of bij die jonge vrouw die bezig is af te haken: ‘Luister, er is zoveel wreedheid, lijden en verdriet – ik kan het niet meer opbrengen om in een goede God te geloven die boven deze wereld staat en die werkelijke macht heeft.’

Vaak volgen er dan de nodige voorbeelden: een piloot die een vliegtuig vol passagiers meeneemt in zijn zelfgekozen dood, een aardbeving, een aanslag in Brussel. Wat zeg je dan? Wat heb je als ambtsdrager – een gezondene dus – op zo’n moment te zeggen? Het lastige van de vraag is, dat hij weliswaar kenmerken heeft van een zoektocht naar een antwoord, maar tegelijk niet werkelijk een antwoord kan krijgen. Wie durft een verklaring te geven van het raadselachtige? En bij welk antwoord zouden we kunnen zeggen: nu begrijp ik het?

Waarom laat God het toe? Om maar meteen open te zijn: ik kan het antwoord op die vraag natuurlijk niet geven. Er is het bekende grapje: ik vraag niet aan God waarom Hij het onrecht toelaat, omdat ik bang ben dat Hij hetzelfde zal vragen aan mij. Voor sommige van de zaken geldt dat inderdaad: de vluchtelingencrisis, de honger in de wereld – het heeft veel te maken met de manier waarop we onze wereld hebben vormgegeven en hoewel we met onze ene stem maar kleine radertjes zijn en onze mogelijkheden beperkt zijn: we hebben binnen onze democratie mogelijkheden om zaken te agenderen. De vraag waarom God het toelaat kan in zulke gevallen gemakkelijk een manier van afschuiven zijn. Maar er is ook kwaad dat van andere aard is. Zo’n piloot die z’n vliegtuig tegen een berg te pletter vliegt, de ramp met de MH-17 of bijvoorbeeld natuurrampen liggen buiten onze macht en verantwoordelijkheid. Dan klemt de vraag.

Zondag 10

Al snel grijpen we naar zondag 10. Velen zijn op die zondag afgeknapt. Maar wie de tijd neemt om de woorden te proeven en om de alternatieven te overdenken, zal volgens mij vooral dankbaar zijn voor deze belijdenis. Ik schrijf ‘m op deze plaats niet uit omdat ik er van uitga dat de meesten de tekst gemakkelijk kunnen vinden.

Waarom wil ik uitgaan van deze belijdenis? Om twee redenen. Ten eerste omdat we als ambtsdragers allereerst de taak hebben om door te geven wat de Schrift zegt. Een gemeentelid heeft recht op iets anders dan de privégedachten van de ouderling. Wat zegt de Here God, wat zegt de Schrift? En dat hoeven we niet zelf vast te stellen – in de belijdenis komt de kerk ons daarbij te hulp.

Ten tweede: er is veel zoveel misverstand over dit deel van de belijdenis. Mensen maken er een karikatuur van of rekenen er woedend mee af. Het is daarom van belang is om puin te ruimen onder de vele misverstanden die zo vrijmoedig worden geuit en te weten wat we nu eigenlijk doen als we belijden.

Omstandigheden

Om te beginnen: in de tijd waarin de Catechismus is geschreven (1563) verkeerde Europa in een ernstige crisis. De betrekkelijke eenheid die er aan het begin van die eeuw nog was, viel uiteen. Het grote keizerrijk van Karel V werd na zijn terugtreden verdeeld en de nieuwe leer die zich vanuit Duitsland als een olievlek over Europa verspreidde, werkte onbedoeld een enorme verwijdering in de hand. Er waren oorlogen, de kindersterfte was hoog en de pest was zelden ver weg. Van Ursinus, de opsteller van de HC, weten we dat hij in 1563 (het jaar dus dat de Catechismus verscheen), toen velen de stad verlieten vanwege besmettingsgevaar, in Heidelberg bleef om in het pesthuis als pastor te werken.

De belijdenis is gereedschap

Wat ik daar maar mee wil zeggen is: de tekst van zondag 10 is niet ontstaan in een serre van een prachtige villa, met een kopje thee en koekjes op de tafel. Nee – vanuit het rauwe, verdrietige leven wordt een wak in de wolken gehakt tot er een straaltje zonlicht doorkomt en het gereedschap daarbij zijn de beloften van het evangelie. Om het met een voorbeeld uit de medische wereld te zeggen: de belijdenis plaatst een stent in de verhouding tot de Here God om dichtslibben te voorkomen. Het kwaad, het lijden wordt in de Catechismus niet verklaard. Als echte pastors zijn de opstellers bezig om de weg tussen een mens en de Here open te houden, zodat de vragen, de tranen en de angst bij Hem gebracht kunnen worden. Wie die dingen in gedachten houdt bij het lezen van zondag 10, leest het anders. Het opent de ogen voor het karakter van de belijdenis. De belijdenis vertelt je niet wat je ziet, wat je zo uit het leven opschept, maar verkondigt ons wat we op grond van de beloften van onze trouwe Here mogen geloven. Zeker ook hier neemt geloven de gestalte aan van een woord dat haaks staat op wat we zien.

Onze belijdenis is vaak gelezen als een bezit, een boek waar precies staat opgeschreven hoe het zit – en voor u me verkeerd begrijpt: ik heb van harte het verbindingsformulier ondertekend! – maar dan kan buiten beeld raken dat de belijdenis vooral bedoeld is als gereedschap bij het lezen van de Schrift en bij het leven van ons leven. Denk aan Simeon en Hanna, die in de tempel stonden en wier geloof bestond in het uitzien naar de Here. De Catechismus wil ons leren lezen in de Bijbel en leren kijken in ons leven. En de belijdenis wil vooral van harte beaamd zijn. Bavinck merkt ergens op: men belijdt zijn geloof niet meer, men gelooft zijn belijdenis. Daar raakt hij een belangrijk punt! Dan kan de belijdenis loszingen van het geleefde geloof en stollen.

Bekend is het verhaal over K.H. Miskotte, een hervormde dominee uit de vorige eeuw. Tijdens de bezetting had het gezin Miskotte Joodse onderduikers geherbergd. Na de oorlog trouwden zij en de familie Miskotte was er bij op het feest. Veel van de gasten liepen een ernstige voedselvergiftiging op en Miskotte verloor zijn vrouw en dochter, terwijl ook zijn andere kinderen ernstig ziek werden en langs de rand van de dood gingen. Enkele jaren na dit drama schreef Buskes in een brief aan Miskotte dat hij gelukkig zondag 10 niet meer hoefde te geloven. Miskotte schreef hem terug dat hij zonder zondag 10 ten onder gegaan zou zijn in zijn verdriet en wanhoop. Dan zouden bacillen en willekeur sterker zijn dan de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Miskotte moest er niet aan denken. Als dat waar zou zijn, waar vindt een bang hart dan troost?

Oordeel van God?

Maar wat als mensen met heel andere dingen komen? Soms kun je de vraag horen stellen of het in de grote gebeurtenissen ook zou kunnen gaan om een oordeel van God. Het lijkt me duidelijk dat met die mogelijkheid terdege rekening gehouden moet worden. Waarom zou het niet zo kunnen zijn? Maar een paar dingen lijken me van groot belang voordat die woorden gebruikt worden.

Het valt me op dat in de Bijbel de oordelen van de Here God altijd gepaard gaan met een profetische stem die uitlegt wat er gebeurt. Anders gezegd: mensen hoeven niet te gissen naar Gods hand in de gebeurtenissen; Hij zorgt er zelf voor dat het ondubbelzinnig duidelijk is. Bovendien valt me op dat de stem van de profeten nooit bedorven wordt door ruis van gelijkhebberigheid of betweterigheid. De profeet is integendeel vaak zelf beroerd van wat hij zeggen moet. Denk aan Jeremia. Wie spreekt over Gods oordeel zonder daarbij zelf op het spel te staan, spreekt ècht anders dan de profeten. Dan lijkt hij meer op Jona, die het ‘net goed!’ vond dat de Here Nineve zou wegvagen en die boos werd toen dat oordeel werd afgewend. Of dan klinkt het al snel naar de stem van de vrienden van Job: voor hen is het leven een som die altijd keurig op 0 uitkomt. Maar van hen zegt de Here God aan het einde van het boek dat ze maar beter hun mond hadden kunnen houden en dat ze niet recht van Hem gesproken hebben.

Zeker – soms geven de profeten blijk van vreugde over het oordeel dat ze verkondigen. Maar dan is het een oordeel tegen volken die zich ten diepste tegen God gekeerd hebben en die om hun vijandschap tegen Gods werk het oordeel over zich hebben afgeroepen. Dat is een heilige vreugde.

Waar we niet heel scherp weten dat zulke dingen aan de hand zijn, is het beter om zeer terughoudend te zijn met het spreken over Gods oordeel bij het leed dat anderen overkomt. Dan doen we net of we precies weten wat de Here God doet. Zo’n spreken kan heel gemakkelijk onaangename, betweterige trekken krijgen.

Oordeel over eigen schuld?

Maar als iemand nou zelf de mogelijkheid oppert dat de ziekte of het kwaad dat haar of hem getroffen heeft een oordeel van de Here is? Als een zieke aan zijn ouderling of predikant zegt: de Here God is degene die mij stilzet. Het is zijn oordeel. Wat zeg je dan? Het luistert hier nauw: iemand met depressie kan er zeker van zijn dat God zich tegen hem gekeerd heeft, terwijl je als ouderling werkelijk geen reden ziet om die gedachte te volgen. Waar dit aan de hand is, moet snel professionele hulp gezocht worden. Niet om degene daaraan over te dragen, maar om samen met de hulpverlener, elk vanuit de eigen kunde en insteek, de betrokkene verder te helpen.

Maar nu het geval van iemand die psychisch gezond is en stelt dat de Here God met zijn oordeel in zijn leven werkt. In ieder geval zal een pastor niet kunnen beginnen met te zeggen dat dat niet zo is. Hoe zou je dat weten? Luisteren is het devies. Luisteren en vragen stellen. Hoe is iemand tot de gedachte gekomen? Wat is de schuld waarvoor de betrokkene meent geoordeeld te worden? En dan ook de vraag stellen hoe het vertelde klinkt tegen de achtergrond van de Schrift.

Wellicht stellen pastorant en pastor samen vast dat de gedachte van een oordeel van de Here God allerminst vreemd is. Op zo’n moment komt het er op aan dat de ouderling zijn taak goed verstaat! Want een oordeel van de Here is in dit leven nooit zijn laatste woord. Het is een voorlaatste woord, waarmee de Here tot bekering en berouw roept. Het staat in dienst van de genade. Een pastoraal contact mag dus niet eindigen met de vaststelling dat Gods oordeel in iemands leven aan de oppervlakte komt. Ouderling en gemeentelid zullen samen een weg gaan waarop de schuld verwoord wordt. En dan ook beleden in de richting van degene die getroffen is. Dat betekent niet alleen in de richting van de Here God, maar ook in de richting van de vrouw of man die slachtoffer geworden is. Zo’n weg is zwaar en vraagt geduld en liefde van de betrokken ouderling. Maar als er de zekerheid is dat de Here God aan het werk is in het leven van het betrokken gemeentelid, dan zal God zijn zegen ook geven. Ik hoef alleen maar naar Psalm 32 te wijzen om duidelijk te maken hoe bevrijdend het is om niet langer te zwijgen, maar open te zijn over onszelf. Omdat we weten dat de Here meerder is dan ons hart.

Ds. Den Hertog is predikant in Nijmegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.