+ Meer informatie

Werkgever en werknemer - gezien vanuit eens pastors venster

13 minuten leestijd

Terwijl ik net even tussen twee drukke bedrijven door stilletjes voor mezelf de Kerkhervorming zat te herdenken, kwam, op die gedenkwaardige avond, van de redactie van Ambtelijk Contact het werkelijk overrómpelend verzoek een artikeltje te schrijven over de verhouding werkgever-werknemer.

De gedachte die de redactie drijft tot het doen uitgaan van dergelijke verzoeken is, zo werd mij in grote openhartigheid meegedeeld, dat het goed is om de predikanten eens een beetje te activeren. Ik kan niet zeggen dat deze motivering mijn bereidheid om aan het verzoek te voldoen nu direct zo positief be ïnvloedde. Maar hoe zal het gevoelen van één predikant standhouden tegenover de mening van vijf redactieleden? Dus zwichtte ik, met het gevolg dat u thans opgescheept wordt met enkele ongekunstelde overwegingen die opkomen uit de pastorale praktijk. Daar ging het nl. om in dit zo aardig ingeklede verzoek. De bedoeling was niet dat er een met veel verstand en kennis van zaken geschreven, diep gravende studie geleverd werd over de verhouding werkgever-werknemer. Het ging meer om de vraag hoe een eenvoudige pastor in zijn dagelijks werk tegen deze verhouding aankeek en wat hij in dit opzicht zo al meemaakte. Aldus een licht verteerbaar artikel over een zaak waar een mens z’n tanden wel op stuk kan bijten.

Wat mag, heb ik mij dikwijls afgevraagd, de redactie toch wel bewogen hebben zich met bovenstaande vraag tot mîj te wenden? Ik kan daar als buitenstaander natuurlijk slechts naar gissen. Maar ik zou me kunnen voorstellen - zo het al geen noodsprong is geweest bij gebrek aan beter - dat het beeld van Enschede als grote industriestad de broeders parten heeft gespeeld. Was zo’n twintig jaar geleden een Enschedese predikant ook al niet de aangewezen figuur om voor het ”Ds. H. Janssenfonds” een boekje te schrijven over ”Bijbel en Arbeid”? De Twentse textielmetropool was immers een oord waar het wel bij uitstek wemelde van werkgevers en werknemers. Ja, dat wás het inderdaad. Maar dat is het nú niet meer. Nog steeds vallen er geweidige gaten in de stad waar eertijds machtige fabriekscomplexen standen. Ettelijke oude fabriekshallen herbergen gigantische supermarkten die een wurgende greep betekenen voor talloze middenstanders. En wat er nog van de oude industrie is overgebleven lijkt op een zwaar zieke patient bij wie onder toediening van de zwaarste medicijnen dag en nacht gewaakt wordt en wiens einde weliswaar niet precies te voorspellen valt maar toch met zekerheid binnen afzienbare tijd wordt verwacht. Wat is er in zo’n stad, met een steeds verder afbrokkelende werkgelegenheid in de eens zo machtige textielindustrie, nu nog aan werkgevers en werknemers te vinden? Liggen beide categorieën niet op het kerkhof, figuurlijk gesproken? En ook letterlijk, maar daar kom ik straks nog wel op terug.

Ik generaliseer nu natuurlijk, maar ik wil hiermee maar zeggen dat niet alleen de verhouding werkgever-werknemer mij hoofdbrekens kan kosten, maar eerder nog het totaal ontbreken van die verhouding.

Nu is de werkgelegenheid natuurlijk een landelijk probleem, maar in een stad en streek waar de industriële activiteit tientallen jaren lang sterk eenzijdig gericht is geweest speelt dit probleem nog des te meer. Het aantrekken van nieuwe industrieën en het scheppen van vervangende werkgelegenheid houden immers in de regel en zeker vandaag geen gelijke tred met de voortgang en de omvang (!) van de bedrijfssluitingen. En dat betekent een regelmatige confrontatie met ontslagen of met ontslag bedreigde ouderen én met werkzoekende jongeren. Wat de eersten betreff: het is mij onderhand wel duidelijk geworden, binnen en buiten de gemeente, hoe diep in de regel het verlies van arbeid in een mensenleven insnijdt, dieper dan je aanvankelijk soms zou denken. Ook als men na verloop van tijd toch nog ander werk vindt, vergoedt dat slechts gedeeltelijk het verlies van die bepáálde arbeid waarin men in de loop der jaren iets geworden was. Nu kunnen we natuurlijk tegen die man zeggen: beste broeder, een mens is meer dan zijn werk en de waarde van je leven wordt toch niet bepaald door de prestatie en produktie die je levert, en meer vrije tijd schept de mogelijkheid tot creatief bezig zijn.

Dat klinkt wel aardig uit de mond van een pastor die mede door de heersende werkloosheid flink aan ’t werk gehouden wordt. D’r zit natuurlijk ook wel iets in. En of! Maar wees wel een beetje voorzichtig met die beste broeder tegenover u. Want het zou kunnen zijn dat hij al in de fabriek stond, toen u nog maar pas kwam kijken, vanaf zijn prille jeugd datzelfde bedrijf de jaren door trouw bleef, daarvan weliswaar een roerend bewijs ontving in de vorm van een keurig Delftsblauw bord, maar nu, na het zinken van het schip dat niet zinken kon, gefrustreerd neerzit bij de scherven van wat toch ook een stukje van zijn levenswerk was.

En dan die groep van jongeren die nog niet verder gekomen zijn dan waar ze één of zelfs twee jaar geleden ook al waren: in het luchtledige tussen school en baan. Laat u niet misleiden door hun stoere houding van ’ik kan er niet mee zitten’. Daarachter gaat dikwijls een diep vernederend gevoel van nutteloosheid schuil. Moedeloosheid en zelfs wanhoop knagen vaak aan het jonge hart.

En ach, als u nu toch de gemeente ingaat, vergeet dan ook de gewezen werkgéver niet, zo u die in uw gemeente van ’kleyne luyden’ onverhoopt mocht bezitten. Want natuurlijk, die ”bazen” gaven wel nooit ergens om, het kon ze totaal niets schelen, en ze hebben toch geld zat, die komen niet om van de honger (wie van de ontslagen ”arbeiders” vandaag trouwens wel?), maar het zijn óók mensen. En voelden zij inderdaad helemaal niets toen in korte tijd werd afgebroken wat soms met taai geduld van vader op zoon was opgebouwd en toen hen voor ’t oog van alle mensen de kroon van het hoofd werd gerukt? Ik bedoel maar: denk bij uw pastoraat niet in groepen en organisaties maar houd de mensen voor ogen.

Na deze wat uitvoerige ontboezemingen n.a.v. het ontbreken van elke verhouding tussen werkgever en werknemer zou de argeloze lezer kunnen denken, dan er in Twentes goede hoofdstad helemaal niet meer gewerkt werd. Stel u gerust, we doen hier heus nog wel wat, al zouden we graag wat meer te doen hebben. Met z’n allen dan. Er wordt nog steeds werk gegeven en werk genomen in deze stad die constant groeit maar jaarlijks minder inwoners herbergt. Daarbij is de dienstverlenende sector groeiend in belangrijkheid. Reeds vier jaar geleden was hier van de totale werkgelegenheid 52 pct. in de diensten tegen 45,6 pct. in de nijverheid (en voor agrarisch ge ïnteresseerden: 1,5 pct. in de landbouw). Sindsdien zal de verhouding nog verder ten gunste (?) van de diensten gewijzigd zijn.

Er zijn dus nog steeds werkgevers en werknemers, al heb ik de eersten niet meer in de gemeente. Maar de verhouding is wel een andere dan vroeger. Daartoe wil ik u allereerst meenemen naar het kerkhof, zoals ik u beloofd heb.

Wie hier vandaag op de Oosterbegraafplaats komt, vindt voorgaande geslachten van werkgevers en werknemers daar zorgvuldig gescheiden. De werkgevers, de textielbaronnen van weleer, hebben daar een plaats gevonden - en een hele ruime plaats! - op een eigen begraafplaats midden op de begraafplaats, keurig afgezet met hekwerk en bomen als was het gewijde grond, terwijl de werknemers van vroeger een bescheiden plekje hebben gekregen in de ongewijde aarde daaromheen. Zelfs de dood leek niet in staat om alle onderscheid uit te wissen. Daarin tekent zich duidelijk de verhouding af die er in het leven bestond.

De textielfabriekant bewoog zich heel nadrukkelijk in een eigen wereld, afgescheiden van die van zijn arbeiders. Hij liep als een heerser door zijn fabriek en woonde in vergelijking met zijn ondergeschikten als een vorst in zijn riante villa die, ook als hij in de stad gelegen was, veelszins de indruk van een groot buiten gaf.

Er was een geweldige afstand, in velerlei opzich, tussen de ’baas’ en zijn arbeiders. Hoewel, niet in élk opzicht. De arbeider kende zijn baas bij de voornaam en als het lawaai van de machines een gesprek toeliet, werd dat van béide kanten meestal in plat Twents gevoerd.

Die verhouding is grondig gewijzigd. De kapitale huizen zijn voor een deel gesloopt. Andere zijn verbouwd tot ruimten waar de kinderen of kleinkinderen van de vroegere arbeiders hun werk vinden of muziekonderwijs ontvangen. Zelfs is er een oord waar de arbeiders van vroeger, toen verlegen op de deurmat met de pet in de hand, thans een verzorgde oude dag genieten. En de werkgever van vandaag woont niet zo ver meer af van zijn werknemer en staat soms in eenzelfde auto ongeduldig te wachten voor dat ongelukkige stoplicht.

Ook binnen het bedrijf is de verhouding veranderd.

De werkgever van nu zal het niet in z’n hoofd halen om, zoals zijn voorganger dat kon doen, één van zijn ondergeschikten het blikje met zelf meegebrachte koffie uit de handen te slaan omdat het in de baas z’n tijd werd leeggedronken. Het weefgetouw hep weliswaar door, maar Jansen moest goed beseffen dat hij niet was aangenomen om koffie te drinken.

Zou de directeur van vandaag zo iets proberen - ik vrees dat hijzelf de eerste zes weken aan geen koffiedrinken meer toe zou komen.

Daar tegenover lijkt mij vandaag de directeur van een grote onderneming een witte raaf die bij zijn afscheid erkent zijn werknemers vaak verkeerd behandeld te hebben en hun zijn excuus aanbiedt voor zijn dikwijls onheus gedrag. De verhoudingen zijn veranderd.

Als je vroeger ook maar één woord verkeerd zei, liep je grote kans zonder pardon op straat gezet te worden. Eén kik van de baas was daarvoor voldoende. Als je nu als werknemer door duidelijke nonchalance twee keer achter elkaar in vijf minuten tijd een schade van 20.000 gulden veroorzaakt, weet je dat hemel en aarde bewogen moeten worden, wil de directie je op korte termijn ontslagen krijgen.

De grillige en grenzeloze willekeur van de werkgever van voorheen is aan banden gelegd en de positie van de werknemer is vergeleken met vroeger heel wat sterker geworden. Of lijkt dat laatste alleen maar zo? Soms denk ik van wel. In bepaalde opzichten staat hij inderdaad sterker en kan hij zijn vastgelegde en welomschreven rechten laten gelden. Tegelijk is hij ook kwetsbaarder geworden.

Toen, in een nu al weer grijs verleden, een broeder der gemeente van het ene op het andere moment ontslag kreeg omdat op die bewuste morgen zijn gezicht de baas niet aanstond, maakte deze een dag later het ontslag knorrig ongedaan nadat de dominee voor zijn gemeentelid in de bres was gesprongen. Wie nú als predikant in deze tijd van dreigende ontslagen met werkgevers spreekt over de dringende noodzaak van behoud van arbeidsplaatsen, vindt bij velen (inderdaad: niet bij allen) een luisterend oor en ontmoet een grote bereidwilligheid. Maar het hele verhaal ketst af op een noodzakelijke herstructurering, een vastgesteld beleidsplan en op beslissingen die in een stuurgroep of ten departemente worden genomen.

Dan krijg ik weleens het gevoel dat je steeds moeilijker kunt onderscheiden tussen werkgevers en werknemers. Wat wij werkgevers noemen zijn in veel gevallen ook weer werknemers die een even verbeten strijd als anderen voeren om te blijven bestaan en ook voor zichzelf een zinvolle arbeid te behouden.

Waren er vroeger wel werkgevers en werknemers? Je kon daar eigenlijk nauwelijks van spreken. Er waren heren en knechten. De eersten waren, net als in de middeleeuwen, de bedreiging én de bescherming van de laatsten. Er was een geweidige afstand en die werd ook over en weer zorgvuldig bewaard maar over die diepe kloof heen kénde men elkaar. Bij alle feodale toestanden - en die bestonden er zonder enige overdrijving volop - was er een merkwaardig gevoel van verbondenheid. De arbeiders voelden soms een machteloze haat tegen de baas maar op een ander moment konden ze trots wezen dat ze bij déze baas werkten. En hij kon geringschattend neerzien op wat zo ongeveer zijn onderdanen waren, maar in een moment van menselijkheid sprak hij over ”mijn jongens”.

Nu zijn ook in Twente de middeleeuwen voorbij, hoewel nog niet zo vreselijk lang. De koningen, soms echte potentaten van weleer zijn van hun troon gestoten of gedaald en de onderdanen zijn uit hun diepe vernedering opgericht en getooid met de versierselen van inspraak en medezeggenschap. Tussen haakjes: een last, voor velen nog wat zwaar om te dragen. Ik heb het nl. niet over de vakbonden maar over de werknemers. En dat is, heb ik gemerkt, niet precies hetzelfde. De verhoudingen zijn dus wel veranderd. Verheug ik mij daarover? Ja zeker, maar met beving. Waarom?

Omdat ik sterk de indruk heb dat het onmenselijke dat er in het verleden overvloedig was, plaats gemaakt heeft niet voor het menselijke maar voor het zákelijke.

Bij alle gegons van ménsenrechten en ménselijke waardigheid gaat het, naar wat ik er van merk, in het bedrijfsleven steeds minder persóónlijk toe. Was er in het verleden sprake van ”baas” en ”arbeiders”, nu gaat het over ”bedrijfsleiding” en ”arbeidsplaatsen”. En dat is méér dan een kwestie van spraakgebruik. Dat betekent dat naar mijn gevoel, hoe vreemd het misschien ook klinken moge, de verhouding werkgever-werknemer in feite harder, grimmiger is dan voorheen. Niet omdat ze persoonlijke vijanden zijn, want persoonlijk kennen ze elkaar nauwelijks meer. Maar omdat ze zich beiden bedreigd voelen door financieel-economische en ook technische ontwikkelingen die ze geen van beiden meer kunnen overzien. Dát geeft aan het leven van werkgever en werknemer dat bikkelharde, dat trouwens heel de samenleving al meer gaat kenmerken. Want hard gaat het toe, keihard. Cijfers kennen immers geen mededogen. Ze hebben geen hart dat nog eens een teer moment kent. Als er klappen vallen -sorry. En de scherven worden keurig doorgeschoven - dat moet gezegd - naar een andere afdeling: maatschappelijk werk die ze bij elkaar veegt maar niet kan lijmen.

Wij zijn, dacht ik, twee dingen kwijtgeraakt, zo we die al ooit bezeten hebben.

Dat is de bijbelse gedachte van het rentmeesterschap én de niet minder bijbelse gedachte van de arbeid als diénst. Dienst aan God, aan de naaste als Gods schepsel en aan de wereld als het werk van zijn Handen. Terwijl het er voor u als ambtsdrager nu juist op aankomt deze gedachten Gods, voor zover dat in uw macht ligt, in te dragen in het leven van uw gemeenteleden-werkgevers en gemeenteleden-werknemers. Opdat zij in ’de stad van de mens’ - want daar leven we in -mensen Gods zullen zijn. Maar ik mag u daarbij wel direct veel geloof, wijsheid en moed toewensen. Want het mensenhart is arglistig. En daarin doen werkgever en werknemer niet voor elkaar onder.

Het is al met al misschien een wat wonderlijk verhaal geworden. Of het aan de bedoelingen van de redactie beantwoordt, kan ik niet bevroeden. Maar het zal mij reeds een troost zijn als ik u niet al te zeer verveeld heb. Maar vooral zal het mij een tot dankbaarheid stemmende vreugde wezen als uw pastorale aandacht nog wat nadrukkelijker gevestigd is op de concrete ménsen, oudere en jongere, die mij bij het schrijven voor ogen stonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.