+ Meer informatie

Gemeente in de grote stad II

8 minuten leestijd

De gemeente des Heren in de grote stad heeft in wezen dezelfde problemen als overal elders. Het kerkvergaderend werk van de Here Christus, kan ook daar alleen door Woord en Geest resulteren in een gemeenschap, die zich openbaart als lichaam van Christus. Uit het genade-wonder leeft ook de gemeente in de grote stad en daarom zal ze ook daar toekomst hebben.

Wel liggen de geestelijke gevaren er dikwijls scherper geaccentueerd, door het zich sterker openbaren van de verleidende geesten en de dagelijkse beïnvloeding van de massaliteit van een gesaeculariseerde wereld.

Juist de gedurige steun van de sterkende gemeenschap van de brs. en zrs. in het geloof, daar zo bijzonder nodig, is moeiijk te verwezenlijken.

Gemeenschapsbeleving

De stedelijke bevolking is geen eenheid, maar vormt een grote verscheidenheid van allerlei landaard, afkomst en herkomst, zowel nationaal als internationaal. Dit geeft een stuk vervreemding in de grote stad. Men zoekt enkele kennissen, door werkkring of gezamenlijke herkomst uit bepaalde delen van ons land, ons wat eigen, maar overigens leeft men als vreemden naast elkaar in dezelfde straat, zelfs in hetzelfde flatgebouw, op dezelfde galerij of trap.

Hieruit komen twee gevaren voort: enerzijds een gemakkelijk anoniem onderduiken in en meedrijven met de massa en anderzijds een sterk individualisme, een teruggetrokken zijn op zichzelf, dat ook de kerkelijke gemeenschapsbeleving moeilijk maakt. Velen die van buiten komen, leven onaangepast, „wennen” nooit in de stad! Voegt men daarbij de in de verkeers-spitsuren tijdrovende afstanden van werk naar huis, waardoor vader (en moeder?) en oudere kinderen de gehele dag van huis zijn, èn de afstanden van huis naar kerk, dan is het geen eenvoudige zaak om diverse gemeentelijke saambindende activiteiten door de week goed te laten functioneren.

De verslapping van de gemeenschapszin heeft zijn weerslag ook op het kerkbezoek en geeft weer een verzwaring van de pastoraal ambtelijke taken.

Van de wijkouderling wordt dan ook meer gevraagd, dan een aandeel in het algemeen beleid en het jaarlijkse huisbezoek. Ze zullen naast de predikant, saambindende activiteiten in de wijken moeten stimuleren en er leiding aan weten te geven.

AI sterker gaat voor het geheel van de gemeente de nadruk vallen op de zondagse ontmoeting.

De zondagse ontmoeting

Als de communicatiemogelijkheden (en/of animo) door de week minder worden, zal naast de Woord- en sacramentsbediening in de beide zondagse diensten, ook aandacht besteed moeten worden aan de ontmoetings-mogelijkheden voor of na de dienst. Dit stelt weer eisen aan het kerkgebouw. Er zij een ontmoetingsruimte buiten de kerkzaal, een ruime hal, waar men even kan napraten zonder de doorstroming te verhinderen, of een zaal-ruimte waar eventueel koffie gedronken kan worden en nagesproken over de preek. Men zal er dan wel oog voor moeten hebben, dat niet ieder daar gebruik van kan maken. De jongere kinderen uit de crèche of oppasdienst (als voorklas van de zondagsschool) willen naar huis; vader en/ of moeder worden door de thuisgeblevenen op het gezins-koffie-uurtje verwacht. De verzwaring van de taak van de predikant om daarbij aanwezig te zijn, is alleen uitvoerbaar, als niet een derde (of vierde!) dienst een snelle maaltijd in de pastorie noodzakelijk maakt.

Naast deze interne opbouw-vragen liggen voor de gemeente in de grote stad de organisatorische vragen.

Het parochiestelsel

Wij kennen vanouds in onze kerken, uitgaande van de autonomie van de plaatselijke kerk, ook in de grote steden het parochiestelsel. Een wat uitgroeiende spreekplaats in een wat verder afliggende stadswijk voert niet tot een wijk-gemeente, die de eenheid bewaart met de moedergemeente onder een centrale kerkeraad, maar direct tot een afgesplitste zelfstandig geïnstitueerde gemeente.

De nieuwe kerkeraad kreeg daarbij, binnen de met goedkeuring van de classis vastgestelde grenzen autonome bevoegdheid en heeft in theorie geen andere binding aan de zusterkerken in dezelfde stad, dan aan andere gemeenten binnen de classis. De binnen dat aangegeven rayon wonende of zich vestigende leden dienen bij die kerkeraad ge-attesteerd te zijn, en zal het ambtelijk toezicht kunnen functioneren, ook daar te kerken, de sacramenten te gebruiken en de financiële verplichtingen na te komen. Kerkordelijk wordt men dies voorwerp van vermaan en tucht indien men de eigen kerkdiensten verzuimt, ook al kerkt men regelmatig in de eigen chr. geref. kerk in de aangrenzende wijk, waarvan het kerkgebouw mogelijk minstens even gemakkelijk te bereiken is. Met voldoende begrip en souplesse is dit vele jaren gehandhaafd.

Voordeel is zeker, dat de jonge zelfstandige gemeente meer saambinding, offerzin en enthousiasme opbrengt, dan de grotere oudere gemeenschap.

Nadeel is, dat men teveel eigen belangen op het oog heeft en te weinig leert samen te werken voor de opbouw van Christus’ kerk in haar geheel. De zich wijzigende stedelijke situaties laten dit sterk gevoelen.

Stedelijke ontwikkelingen

Reeds jaren is de centrifugale ontwikkeling aan de gang van ontvolking van de binnensteden en verschuiving van de bewoning naar de nieuwbouwwijken aan de stadsranden en aangrenzende randgemeenten. Noodzakelijke sanering en verkeersdoorbraken werken mee aan de ontvolking en afbraak van de oude wijken.

Consequenties hiervan zijn:

1. een teruggang in zielental en een vergrijzing van de gemeenten in de oude stadswijken;

2. sluiting en afstoting van kerkgebouwen in de oude wijken óf verzwaring van de onderhoudslasten van doorgaans oude gebouwen voor een kleiner wordende gemeente en moeite om het zelfstandig beroepingswerk vol te houden;

3. een toenemend aantal kamerbewoners in de otidere behuizingen, die kerkelijk weinig grijpbaar zijn, omdat ze de weekenden elders doorbrengen;

4. de beslotenheid van de oude wijken verdwijnt door herstructurering na sanering, waarbij het toenemend bezit van eigen vervoer voor een deel der leden de noodzakelijkheid opheft, om in de dichtstbijzijnde eigen kerk te kerken.

Daartegenover staat:

1. de uitwaaiering van meestal jonge gezinnen naar de nieuwbouwwijken en randgemeenten;

2. vertrek van vele bejaarden naar in andere wijken of aan de stadsranden gebouwde bejaardencentra of bejaarden-woningen.

De afstanden van deze nieuwe woonwijken tot de bestaande kerkgebouwen in de binnenstad variëren van 6 tot 12 km.

Opvang in nieuwe wijken

De afstanden en de tendens, dat elk nieuw woongebied een zekere zelfstandigheid wordt (eigen winkelcentra, voorzieningen, wijkactiviteiten, kerken) doet de noodzaak ontstaan van de opvang in een nieuwe spreekplaats van de leden in de nieuwe wijken.

De toekomstige juiste situering daarvan is moeilijk, doordat de gemeentelijke uitbreidingsplannen in de loop der jaren sterk wisselen.

Een nieuwe stadswijk, gepland voor toekomstige bewoning van 200.000 inwoners onderling weer verdeeld in 11 wijken, wordt in fasen gebouwd over een tijdsbestek van 20 jaar. Daardoor kunnen jarenlange situaties ontstaan van wijken met 20.000 a 30.000 inwoners, die met weinig of geen onderlinge rechtstreekse verbindingswegen op 4-6 km. van elkaar liggen.

De rond een goed gesitueerde nieuwe spreekplaats zich vormende kerkelijke wijk-gemeenschap bestaat uit jonge gezinnen, voor het merendeel financieel zwaar belast (hoge huren, dure eigen woningen, noodzakelijke vervoerskosten). Maar kerkelijk worden ook grote offers gevraagd: hoge huur van andere kerkgebouwen of zalen, preekvoorziening, noodzaak van toekomstige kerkbouw (al dan niet gecombineerd met anderen) en beroepingswerk.

Bij handhaving van het parochiestelsel en al te spoedige zelfstandigmaking blijft die jonge gemeente jaren lang voor het dilemma staan: of sparen voor eigen kerk- en ver-gadergelegenheid of beroepen en het predikantstraktement opbrengen. In het eerste geval bevorderen veel leesdiensten de groei niet, in het tweede geval blijft men dikwijls gebonden aan ongunstige kerktijden en moeilijk te verkrijgen vergaderruimten.

Federatieve samenwerking

Fusie van gemeenten of samenwerking is geboden, zal zowel de teruggang in de oude wijken als de opbouw in de nieuwe goed opgevangen kunnen worden.

Fusie van vanouds zelfstandige gemeenten tot een groot geheel heeft bezwaren:

1. door jarenlange zelfstandigheid heeft elke gemeente eigen kleur, eigen sfeer, wil men eigen „ligging” gekregen;

2. wanneer bij fusering opheffing van spreekplaatsen aan de orde komt, bestaat de kans, dat men binnen de oude wijken dezelfde afstandsbezwaren schept als tussen de oude stad en de nieuwe wijken;

3. de psychologische bezwaren en weerstanden bij opheffen van eigen gemeentelijke zelfstandigheid of sluiting van eigen kerkgebouw zijn vooral bij de verouderde bevolking groot;

4. fusie betekent nog niet altijd verlichting van financiële lasten.

Er zal dan ook gezocht moeten worden naar een federatieve samenwerking, waarbij de verantwoordelijkheid van elke kerke-raad behouden blijft, maar bepaalde taken mogelijk van lieverlee uit te breiden, overgedragen worden aan een orgaan gecreëerd uit de samenwerkende kerkeraden. Dit samenwerkingsorgaan zal die taken moeten behartigen, die door de gezamenlijke kerkeraden worden opgedragen, zowel in de planning als de uitvoering daarvan. Voorstellen en besluiten van dit lichaam zullen, na bekrachtiging door de kerkeraden, ook onder verantwoordelijkheid van dit samenwerkingsorgaan moeten worden uitgevoerd, waartoe het welomschreven bevoegdheden moet bezitten.

Als gezamenlijke taken kunnen worden gezien:

1. beroepingswerk;

2. een gedurige aanpassing van de rayons voor ambtelijke bearbeiding, zowel voor predikanten als andere ambtsdragers;

3. roulering van de beschikbare predikanten over de samenwerkende kerken en voorziening in de predikdienst van het geheel;

4. opstellen van totaal-begrotingen voor evenredige verdeling van lasten per hoofd;

5. planning, instandhouding en financiering van nieuwe spreekplaatsen en opbouw van nieuwe wijkgemeenten;

6. wijzigingen van spreekplaatsen, afstoting van kerkgebouwen, financiering van nieuwbouw;

7. planning en uitvoering van gezamenlijke taken als evangelisatie, bejaardenzorg en -huisvesting, maatschappelijk werk etc;

8. toewijzing van taken aan de beschikbare predikanten binnen het geheel:

De redactie ontving speciale catechisaties, studentenwerk, begeleiding van evangelisatie, opvang-werk in nieuwe wijken enz.

Enkele vraagpunten

Kunnen ambtelijke bevoegdheden gedelegeerd worden aan ambtsdragers die niet door het geheel, maar in feite door een deel gekozen zijn?

- Hoe kan art. 36 K.O. verdisconteerd worden voor dit samenwerkingsorgaan. dat smaller is dan een classis, maar breder dan een kerkeraad?

- Welke garanties kunnen gesteld, dat bij verbreking van de vrijwillig aangegane samenwerking, de zich terugtrekkende kerk ook de gezamenlijk aangegane morele en financiële verplichtingen nakomt?

- Waar dienen de attestaties te berusten van de leden van een nieuwe wijkge-meente, die opgebouwd wordt door de samenwerkende kerken gezamenlijk?

Wat wordt binnen de samenwerking de positie van de (wijk)kerkeraad van de nieuwe wijkgemeente, indien ze niet als zelfstandige gemeente geïnstitueerd wordt?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.