+ Meer informatie

SPIRITUALITEIT, WAT IS DAT EIGENLIJK? *

9 minuten leestijd

Naar mijn mening zou op tien verschillende manieren antwoord worden gegeven als men tien willekeurig uitgekozen ambtsdragers de vraag zou stellen wat zij onder spiritualiteit verstaan. Waarschijnlijk zouden hun antwoorden overeenstemmen in de aanduiding dat het op een of andere manier iets geestelijks bedoelt uit te drukken, maar een nadere omschrijving zou waarschijnlijk nogal moeite opleveren. Leven door de Geest, zou de eerste zeggen. Voor een tweede zou er mee bedoeld kunnen zijn een sterke gerichtheid van de menselijke geest op de Heilige Geest, een openstaan voor de werking van de Heilige Geest. Een derde zou kunnen denken aan wat in de persoonlijke geloofsbeleving bevinding wordt genoemd. Bij een vierde zou het de gedachte kunnen oproepen aan de mystiek die zo kenmerkend was-en hier en daar nog altijd kenmerkend is- voor de rooms-katholieke geloofsbeleving. Een vijfde antwoord - om het daarbij dan maar te laten- zou in de richting kunnen wijzen van een vorm van diepe vroomheid en devotie, van onthechting van de dingen van deze wereld en sterke gerichtheid op het eeuwige en onvergankelijke. En het is niet ondenkbaar dat er bij enkelen helemaal geen antwoord zou komen, eenvoudig omdat men zich bij het woord spiritualiteit helemaal niets kan voorstellen. In de kerkelijke omgangstaal en in het theologische vakjargon onder ons is het woord weliswaar niet helemaal vreemd maar niet algemeen gangbaar en in zijn concrete betekenis in elk geval niet voor iedereen herkenbaar. Wel hoort en ziet men het in theologische studie- of bezinningsbijeenkomsten en in godsdienstige geschriften en artikelen in toenemende mate gebruikt worden en dat dan sterk in verband met de teruggang die het geloof in onze westerse cultuur te zien geeft.

Enige inspanning

Vóór mij ligt het boek ”Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit”, waarin dr. W.H. Velema op deze in onze tijd steeds meer gebruikte term ingaat. Na eerste lezing dacht ik van doen te hebben met een boek dat allereerst voor theologen is bedoeld. Na herlezing concludeerde ik dat het minstens zo belangrijk is voor ouderlingen en diakenen, in elk geval voor die ambtsdragers die zich bij de geestelijke welstand van de gemeente niet alleen betrokken maar zich daarvoor, vanuit de hen gegeven opdracht, ook verantwoordelijk weten. En bij welke ambtsdrager zal dat niet zo zijn? Een boek dus dat voor de ambtelijke praktijk nuttig kan zijn. Verderop zal dat nog wat duidelijker worden. Wel zeg ik op voorhand dat het zich eigen maken van het vele dat in dit boek wordt geboden, iets méér dan gewone inspanning vraagt. Maar die inspanning levert - als ik het in die term mag zeggen - wel rendement op. Waaronder te verstaan: toerusting om in de ambtelijke praktijk, in de geestelijke begeleiding van de gemeente, ten aanzien van een heel wezenlijk aspect van de geloofsbeleving richting te wijzen en op schriftuurlijke wijze steun te geven.

In het eerste hoofdstuk geeft de schrijver een opsomming van opvattingen die in de voorbije decennia in ons land en ook daarbuiten, rond het begrip spiritualiteit zijn gegroeid en van de invullingen, die er vanuit verschillende optieken aan zijn gegeven. Een vaste lijn is daarin niet te ontdekken, wat teruggaat op het feit dat de denksferen en gezichtshoeken van waaruit met het begrip spiritualiteit werd en wordt omgegaan, zo zeer verschillend zijn. Hier komt - zoals de schrijver het noemt - tot uitdrukking het pluralisme (veelzijdigheid en verscheidenheid) van de samenleving.

In het tweede hoofdstuk krijgt de lezer een overzicht van de belangrijkste literatuur waarop de schrijver bij zijn zoektocht naar publikaties waarin het thema spiritualiteit aan de orde komt, stuitte. Hier blijkt met hoeveel graagte deze term wordt gehanteerd en met hoeveel vaagheid deze term kan zijn gevuld. Gaat de term oorspronkelijk terug op een bepaalde vorm van geestelijk leven, in onze tijd wordt hij ook graag betrokken op het politieke en sociale engagement van mensen.

Het derde hoofstuk draagt de titel contextualiteit. Door de eeuwen heen heeft de spiritualiteit allerlei vormen aangenomen. De omstandigheden van de tijd en de belevingswereld van mensen in een bepaalde tijd, hebben daarbij uiteraard een sterke rol gespeeld. Dit hoofdstuk zet in met een korte maar wel interessante verwijzing naar de schilderkunst, met name die van de Vlaamse meesters, die op hun wijze uitdrukking aan hun reflexie op de taferelen en de geloofsgeheimenissen uit het Evangelie hebben gegeven.

Een typering van de verschillende stromingen (opvattingen) vindt men in hoofdstuk vier. Dr. Velema beschrijft achtereenvolgens de historisch-confessionele opvatting (waarbij dus in de kerkgeschiedenis wordt teruggekeken), de oecumenischpluralistische stroming, de religieus-antropologische opvatting, als vierde stroming het ethisch engagement en tenslotte de synthetische opvatting van spiritualiteit. Bij de beschrijving van de laatste opvating komen in het kort ook de charismatische en de New-Age-beweging aan de orde.

Wat is gereformeerd

Na in het vijfde hoofdstuk te hebben gezocht naar een antwoord op de vraag waarom het woord spiritualiteit in onze tijd zo graag wordt gebruik (naar het oordeel van de schrijver waarschijnlijk als vulling voor de leegte die de geloofscrisis in onze cultuur teweegbrengt), wordt in hoofdstuk zes antwoord gegeven op de vraag of de term spiritualiteit eigenlijk nog wel bruikbaar is. ”Hebben niet zovelen zich van dit woord meester gemaakt, dat het onmogelijk geacht moet worden het nog op een eigen manier te vullen?” De schrijver gaat na wat vroomheid en godsvrucht bij Calvijn en Luther inhielden, besteed daarbij zijdelings aandacht aan enkele theologen van onze tijd als Kuitert en wijlen Van Gennep, bespreekt de vroomheid in de Nadere Reformatie, concludeert dat spiritualiteit is: het bezig zijn van onze geest (onder leiding van de heilige Geest) met vroomheid in de praktijk en voorziet aan het slot van dit hoofdstuk het woord spiritualiteit van het bijvoeglijk naamwoord ”gereformeerde”. Als men van gereformeerde spiritualiteit wil spreken, moet eerst duidelijk zijn wat gereformeerd is. Onder verwijzing naar de onder ons geldende belijde-nisgeschriften noemt hoofdstuk zes daarvoor vijf karakteristieken, te weten de soevereinniteit van God, onze aangewezenheid op de openbaring van God, de radicale verdorvenheid van de mens en de absolute noodzaak van Gods genade, de verwerkelijking van Gods wil in ons (waarmee samenhangt de beleving van het heil in de deelachtigmaking van de weldaden van Christus) en als laatste de verwachting van de wederkomst van Christus. Wat de schrijver hierover zegt heeft relatie met wat in hoofdstuk acht onder de titel ”consonant van bijbelse gegevens” staat te lezen. Van dat moeilijke woord hoeft de eenvoudige ambtsdrager (en dat zijn we toch allemaal) niet te schrikken. Het betekent ”een zuiver akkoord vormend met”.

Uit dit hoofdstuk wordt dan ook duidelijk hoezeer de gereformeerde geloofsbeleving, zoals die zich in de geschiedenis van de kerk heeft ontwikkeld en in de belijdenissen aan de kerk uitdrukking heeft gekregen, correspondeert met wat de bijbel zelf over spriritualiteit zegt, beter gezegd: over het leven met God, zowel in zijn verticale als horizontale dimensie.

In de volgende hoofdstukken wordt dit op praktische manier nader uitgewerkt en mijn indruk is dat deze praktische uitwerking voor ambtsdragers in hun ambtelijke praktijk van groot nut kan zijn. Praten op huisbezoek over het geloof, over de gestalten, vormen en de oefeningen van het geloof (waarbij te denken is aan de waarneming van godsdienstige plichten en rituelen als kerkgang, huisgodsdienstoefening, persoonlijke meditatie, onderlinge zielzorg, getuigenis naar buiten), wordt door veel ambtsdragers als uitermate moeilijk ervaren. Pastorale gesprekken over de persoonlijke beleving van de relatie met God door Woord en Geest verlopen dikwijls moeilijk en zijn dikwijls gedoemd aan de oppervlakte te blijven. De oorzaak daarvan kan liggen in de omstandigheid dat in de beleving van het geloof binnen de gereformeerde wereld het rationele het spirituele heeft verdrongen en dat er bij mensen - waardoor dan ook - een zekere gêne is om ook maar iets van het eigen zieleleven in relatie tot deze dingen bloot te geven. Maar het zou kunnen zijn dat wij als ambtsdragers zelf deze dingen ook niet goed zien en hoe zullen we er dan met vrucht en nut in de gemeente over kunnen spreken? De schrijver heeft zich ook afgevraagd wat spiritualiteit in de zin, waarin dit boek er richting bij bedoelt te wijzen, voor de theologie zou kunnen betekenen, in casu voor de opleiding van dienaren des Woord aan de Theologische Universiteit in Apeldoorn. De beoefening van praktische theologie zou onder de zegen van de Here God tot beoefening van méér praktische vroomheid in de gemeente van Christus kunnen leiden. Prediking en pastoraat zouden daarin sterker en gerichter leiding kunnen geven.

Nog een reden

Er is nòg een reden waarom het goed is dat ambtsdragers dit boek lezen. Uit méér e valt dan één gemeentde laatste tijd te horen, dat men mensen ”verliest” aan charismatische groepen en dat ambtsdragers het moeilijk hebben met de reactie op de argumenten waarom deze mensen tot de overgang van de reguliere kerk naar de meer vrije godsdienstige groeperingen besluiten. Die argumenten spitsen zich dikwijls toe op wat men dan - soms terecht soms onterecht - de kilte van het klimaat van de geloofsbeleving in de gevestigde kerken noemt. Aandachtige lezing van dit boek - en vooral van het practische deel ervan - kan de ambtsdrager helpen om in de situatie waarin de eigen gemeente op dit punt zich bevindt, de legitimiteit van bezwaren te onderkennen en deze op de daarvoor aangewezen plaats aan de orde te stellen of ongegronde bezwaren, misschien doortrokken van onzuivere of gevaarlijke elementen, te weerleggen. Als niet elke ambtsdrager dit boek persoonlijk wil of kan kopen, doet elke kerkeraad er goed aan enkele exemplaren aan te schaffen om de zittende en aantredende ambtsdragers er kennis van te laten nemen.

Valt er na alle goede en waardevolle dingen van dit boek te hebben genoemd, geen kritiek te leveren? Theologen - en dat ben ik net - zullen misschien vanuit hun optiek hier en daar een kanttekening of bemerking maken, al zou ik niet zo gauw kunnen vermoeden wáár ze dat zouden willen doen. Als eenvoudige lezer zou ik twee opmerkingen kunnen maken: a. dat een wat spaarzamer gebruik van vreemde woorden de leesbaarheid voor de minder geletterde ambtsdragers zou hebben vergroot en b. dat ik mij hier en daar bij de weergave en analyse van de standpunten van andere theologen afvroeg of deze binnen de ruimte van dit boek, waarin zo heel veel wordt geboden, naar bedoeling en strekking van wat zij op papier brachten, wel voldoende aan het woord hebben kunnen komen.

Maar uit wat aan deze twee bemerkingen voorafging, zal de lezer duidelijk zijn, dat lezing en bespreking van dit boek op zijn praktische onderdelen in de kerkeraadsvergadering alleen maar aanbeveling verdient. En de ambtsdrager die het voor persoonlijke lezing zelf aanschaft, bewijst zich zelf en indirect de gemeente die hij mag dienen, daarmee een goede dienst.

Naar aanleiding van ”Nieuw zicht op gereformeerde spiritualiteit” door dr. W.H. Velema. Uitgave Kok-Voorhoeve. Kampen. Prijs f 29,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.