+ Meer informatie

Van de boekentafel

9 minuten leestijd

Dr. J. P. Versteeg, Christus en de Geest, een exegetisch onderzoek naar de verhouding van de opgestane Christus en de Geest van God volgens de brieven van Paulus, Kampen, 1971.

Op 10 sept. 1971 promoveerde professor J. P. Versteeg met bovengenoemd proefschrift cum laude aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.

Het proefschrift is een boekwerk van 449 bladzijden. Alleen al het schrijven van een boek met deze omvang dwingt respect af. Wie daarbij nog let op de literatuurlijst, die 23 bladzijden bestrijkt, die komt wel onder de indruk van het vele werk, dat verzet moest worden om dit boek te schrijven.

Ik waag het dan ook om Versteegs proefschrift een monumentaal werk te noemen. En dan is het niet alleen de omvang, die dit boek tot een monument in de theologische wetenschapsbeoefening in ons vaderland maakt, maar ook de mooie opbouw, de zelfstandige verwerking van de stof en niet in het minst de prachtige perspectieven, die er geboden worden.

Wij hebben als chr. gereformeerden vaak beweerd dat wij de nadruk leggen op het werk van de Heilige Geest en dat in onze kerken het verbond zuiver verstaan wordt.

In ieder geval is onweerlegbaar, dat degenen in onze kerken, die de theologie als wetenschap beoefenen, zich juist met wat onze kerken altijd voorgestaan hebben bezig houden; namelijk de leer van de Heilige Geest en de leer van het verbond. Ik denk hier aan de dissertatie van W. H. Velema over De leer van de Heilige Geest bij Abraham Kuyper en het proefschrift van J. de Vuyst „Oud en nieuw verbond” in de brief aan de Hebreeën.

Nu heeft het me bizonder getroffen, dat Versteeg als het ware de lijn van Velema en de lijn van De Vuyst doorgetrokken heeft, want hij komt met zijn exegetisch onderzoek uit bij het nieuwe verbond en hij wijst dan zeer speciaal op de plaats van de Heilige Geest in dit nieuwe verbond (p. 251-258).

Zo er al sprake is van een eigen chr. geref. theologie, dan zou ik om deze reden Versteegs dissertatie een belangrijke bijdrage tot deze theologie willen noemen. Het mag ons tot vreugde en dankbaarheid stemmen dat evenals Velema en De Vuyst ook Versteeg op wetenschappelijke wijze heeft willen verwoorden wat de diepste intenties van onze kerken zijn.

Ik ga in deze boekbespreking niet proberen om een overzicht van de gehele inhoud van dit proefschrift te geven. Daar is de mij toegewezen ruimte te beperkt voor en bovendien vindt u dit op een voortreffelijke wijze in het boek zelf (p. 381–395).

Veel liever wil ik proberen aan te tonen waarom ik dit boek — behalve om bovengenoemde redenen — zo uitermate belangrijk vind.

In de eerste plaats acht ik Versteegs boek zo waardevol, omdat verschillende belangrijke gedeelten uit de brieven van Paulus, zoals het begin van Rom. 1, het bekende Rom. 8 : 1–11, het slot van 2 Kor. 3 en de prachtige hymne 1 Tim. 3:16 als ook een gedeelte uit het opstandingshoofdstuk 1 Kor. 15 en enkele teksten uit 1 Kor. 6 en 1 Kor. 12 op buitengewoon boeiende en nauwgezette wijze geëxegetiseerd worden. Voor de theologische student en ook voor menig predikant wordt hier een voorbeeld gegeven van nauwkeurige en behoedzame exegese. Het heeft me getroffen hoe Versteeg zelfs de betekenis van een lidwoord (p. 303) en een voegwoord (p. 286) niet overslaat. Dan geeft hij prachtige analyses van verschillende bijbelse begrippen zoals o.a. ziel (p. 52, 53), vlees (p. 350), lichaam (p. 377).

Versteeg geeft ook een prachtig staaltje van wat in de N. Testamentische wetenschap de „Formgeschichte” genoemd wordt, wanneer hij bijvoorbeeld laat zien hoe de belijdenis-formule, die Paulus in Rom. 1 : 3, 4 gebruikt al in de dagen van de apostelen een bekende belijdenis-formule was, die door Paulus wordt overgenomen en ook aangevuld (p. 104, 112, 113, 114).

Bovengenoemde voorbeelden, die nog met vele aangevuld zouden kunnen worden, rechtvaardigen geheel de ondertitel van het boek: een exegetisch onderzoek. Daarom is het verkwikkend om in deze tijd waarin allerlei wilde kreten worden geslaakt met een oppervlakkig beroep op de Bijbel en waarin vele theologische werken verschijnen met een zwakke exegetische onderbouw, een boek als dit te bestuderen.

In de tweede plaats acht ik Versteegs proefschrift van waarde voor de prediking. Wie echter alleen even dit werk op zaterdagmiddag naslaat om bij een bepaalde tekst, die het tekstregister geeft, iets te vinden voor de preek van de volgende zondag zal teleurgesteld uitkomen. Evenals met het bekende boek van H. N. Ridderbos over Paulus is het ook met dit werk noodzakelijk om het in z’n geheel te bestuderen. Dan worden de heilshistorische verbanden tussen Christus en de Geest doorzichtig, want Versteeg schrijft niet alleen „heilsordelijk” over het werk van de Heilige Geest, dus over het werk van de Geest in verband met de persoonlijke toepassing van de gave van Christus aan de individuele gelovige, maar hij vestigt vooral de aandacht op de heilsgeschiedenis waarin de Heilige Geest als Gods gave van de eindtijd optreedt en dit in een nauw verband met de opgestane Christus, die de tijd tussen opstanding en wederkomst omspant.

Het heeft me getroffen, dat juist het heilshistorische en het heilsordelijke in Versteegs werk zo evenwichtig tot uitdrukking komt. Daarom kan de bestudering van dit boek voor de prediker, die worstelt om het Woord van God voor de gemeente te ontvouwen tot groot nut zijn. Juist voor een praktische prediking is dit boek van waarde, omdat vele aspecten van het christelijke leven als een leven met en door de Geest in dit werk ter sprake komen. Ik denk hierbij vooral aan de prachtige beschouwingen over Rom. 8:1-11 (p. 338–380).

Ik wil niet nalaten hierbij vooral te wijzen op wat Versteeg schrijft over de zekerheid van het geloof. Op p. 364 vergelijkt de schrijver de zekerheid omtrent de rechtvaardiging met de zekerheid omtrent het .,hebben” van de Geest en dan schrijft hij hierover op echt pastorale wijze.

Ditzelfde pastorale heb ik ook gevonden in Versteegs schrijven over de betekenis van het werk van de Heilige Geest voor het lichaam. Versteeg laat zien hoe het begrip lichaam vooral de typering is van de mens in de verschillende relaties, waarin hij staat: de relatie tot God, de zonde en de medemens (p. 377). De Geest schakelt het lichaam niet uit, maar brengt het integendeel tot zijn doel (p. 395).

In de derde plaats biedt het proefschrift van prof. Versteeg ook veel achtergrondinformatie over het N.T. We komen veel aan de weet over de tegenstanders van Paulus in Korinthe (p. 4, 174, 220), over het begrip „verbond” in de rabbijnse literatuur (p. 252) en bij Qumran (p. 253 e.V.), over de Joods-christelijke kring rond Stefa-nus (p. 234 e.V.). Verheugend is het dat Versteeg ook aandacht gegeven heeft aan de werken van franse theologen zoals E.-B. Allo, M. Bouttier en M.-A. Chevallier.

Bij alle waardering voor dit voortreffelijke werk blijft er toch nog wel het een en ander over om kritiek op uit te oefenen.

Ten eerste had ik graag gezien dat de mooie stelling X in het boek zelf ook een plaats had gekregen. In deze stelling richt Versteeg zich tegen H. N. Ridderbos, die het corporatieve gezichtspunt als volgt formuleert: Christus — het lichaam van Christus (d.i. de Kerk) — de Geest. Versteeg ziet de volgorde anders nl. Christus — de Geest — het lichaam. Hier zit een hele theologie achter of misschien beter gezegd: een bepaalde verbondsbeschouwing. Ik ben het volmaakt eens met deze stelling van Versteeg en daarom had ik graag gezien dat hij dit ingebouwd had in zijn boek bijv. toen hij sprak over de inwoning van de Geest in de gemeente en in de individuele gelovige (p. 363 e.V.). Hier had m.i. het heilsordehjke naast en in nauwe samenhang met het heilshistorische zijn plaats moeten krijgen.

Ten tweede schuift Versteeg Paulus m.i. wel eens wat te veel in zijn apostolische schoenen. Hoe de apostel een adoptiaans misverstand „wilde” voorkomen (p. 128) is mij een raadsel, aangezien er in zijn dagen nog niet zo iets als een adoptiaanse christologie zoals we die in de dogmageschiedenis vinden, was te vinden. Ook heb ik wat moeite met de argeloosheid van de apostel waarmee hij Mozes en het oude verbond op één lijn zou stellen (p. 287).

Ten derde heb ik er bezwaar tegen, dat de auteur letter en Geest tot een tegenstelling maakt, zodat de Geest niet met de wet als letter te verbinden is (p. 272). Ik dacht, dat er van de verhouding wet en Geest wel iets meer en ook iets meer positiefs gezegd kon worden. De Geest schrijft toch in het nieuwe verbond de wet in het hart (p. 327)? Ik had liever gezien dat de schrijver de relatie Kurios-pneuma had uitgebreid tot een relatie Kurios-grammata-pneuma. De Geest heeft toch wel terdege — denk maar aan het Oude Testament — gebruik gemaakt van de letter. Daarom is mij de uitspraak op p. 335: er is geen relatie tussen letter en Geest wat te kras.

Zo zou ik ook kunnen wijzen op een soort vermenging van natuur en genade, wanneer de schrijver poneert, dat de eenheid met Christus de eschatologische vervulling van Gen. 2 : 24 zou zijn (vgl. p. 198 en 387). Dan zou ik willen vragen: behoort het christelijke huwelijk tot het Koninkrijk van God? Rekent Versteeg door zo te schrijven het huwelijk dan niet tot de herschepping in plaats van tot de schepping?

Ten vierde heeft de prachtige discussie met Ingo Hermann (p. 308–317) mij in zoverre niet helemaal bevredigd, omdat ik er niet goed achter kan komen wat de schrijver precies bedoeld met begrip „persoon”. Het roept allerlei vragen op waarom Versteeg bij het gebruik van het woord persoon en het bijvoegelijke naamwoord persoonlijk telkens gebruik maakt van aanhalingstekens (bijv. op p. 311, 317, 312). Hoewel we hier al op het terrein van de dogmatiek zijn, acht ik toch, dat de schrijver vooral tegenover Hermann verplicht was duidelijk te maken wat hij dan met het begrip persoon bedoelt.

Er zou nog veel te zeggen zijn over dit boeiende boek. Het beste is om het zelf te lezen en te bestuderen. Behalve Versteeg zelf mag ook Apeldoorn gelukgewenst worden met deze publikatie van één van haar docenten.

En waar Versteeg aan het einde van zijn indrukwekkend boek, nadat hij er op gewezen heeft, dat de Geest het lichaam niet uitschakelt, maar integendeel tot zijn doel brengt, opmerkt dat dit de rijkste kosmologische consequenties heeft voor het werk van de Heilige Geest, dan wil ik hier de wens uitspreken, dat het de schrijver gegeven mag worden om over dit belangrijke onderwerp: de Geest en de kosmos een volgend boek te schrijven.

Bij de Lindeboomstichting, Karnebeekstraat 93, Zwolle, verscheen het referaat dat Prof. Dr. W. H. Velema, hield voor de jaarvergadering op 5 november j.l„ in Nijverdal.

De titel luidt: Kerkelijke verantwoordelijkheid in de moderne samenleving. De referent probeerde een principiële plaatsbepaling te geven van de kerk, met name van het diakonaat in de huidige samenleving.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.