+ Meer informatie

Het geloof in God III

9 minuten leestijd

Nederlandse stemmen

Het zal niet nodig zijn om alle theologen te noemen die er het hunne toe hebben bijgedragen, dat het geloof in God thans zo in discussie is.

Over Bultmann en Braun, Tillich en Robin son, Van Buren, Altizer en Hamilton is al iets gezegd. Om volledig te zijn zouden wij ook aandacht moeten geven aan het „ont werp van een na-theïstische theologie”, dat Dorothee Sölle, die bij Hegel in de leer geweest is, gaf in haar boek „Stellvertretung” (Nederlandse titel: „Plaatsbekleding”). Een figuur, die zeker niet op één lijn te stellen is met de anderen ,maar wiens uitspraken in de vernieuwingstheologie wel dikwijls worden geciteerd, is de Duitse theoloog Bonhoeffer.

Bonhoeffer heeft een voorgevoel gehad van de ontwikkeling, die nu aan de gang is. Hij ging ervan uit, dat de mondig geworden mens van deze eeuw afwijzend staat tegenover de religie. De tijd van de religie zou voorgoed voorbij zijn. Daarom zou het aankomen op een niet-religieuze interpretatie van de bijbelse begrippen.

In een van de brieven, die Bonhoeffer in 1944 in de gevangenis schreef, staat de vraag: Hoe spreken wij op wereldse wijze over God, hoe zijn wij op wereldse wijze en zonder religie christenen? Van Bonhoeffer zijn ook de raadselachtige woorden: Voor en met God leven wij zonder God. Het zijn bij hem nog maar aanduidingen, maar het is gebleken dat ze suggestief waren!

De geiuchtmakende nieuwe theologie is niet van Nederlandse oorsprong. Er zijn wel Nederlandse uitgevers, die met bekwame spoed vertalingen publiceren. De geschriften van Robinson kan men in onze taal lezen en Sölle, Van Buren, Altizer, Hamilton, Cox en anderen vinden ook in ons land hun weg wel. Van Tillich was al het een en ander vertaald.

Waarom worden deze boeken gelezen, niet alleen door theologen maar ook door velen, die niet theologisch geschoold zijn? Zou dat

alleen aan nieuwsgierigheid toe te schrijven zijn? Vermoedelijk niet, al schuilt er enige waarheid in het gezegde, dat de mode nergens zoveel invloed heeft als in de theologie.

Het is opmerkelijk hoeveel belangstelling er bij onze roomse landgenoten voor deze nieuwe literatuur is. Dat hangt samen met een sterke afkeer van traditionele opvattingen. Vernieuwing, herinterpretatie, dialoog en discussie zijn nu aan de orde van de dag. Men staat veel meer open voor de gedach-tengang van protestanten dan vroeger. Juist een uiterst moderne denkwijze bekoort de progressieve rooms-katholieken in bijzondere mate.

Niet alles is import. Er bestaat ook in ons land een vernieuwingsbeweging en er worden ook door Nederlandse theologen pogingen gedaan om een nieuwe interpretatie van het geloof in God te geven.

Drie voorbeelden: ds. B. van Ginkel, prof. dr. ]. Sperna Weiland en prof. dr. W. H. van de Pol.

1. Ds. B. van Ginkel, een Amsterdams predikant, schreef in 1964: „Twistgesprekken met God”.

In het eerste twistgespzek zegt hij: Als wij in de berichten van het Oude Testament lezen: en God sprak, God bracht een bezoek, of: God verscheen, dan gebruikt de schrijver een stijlfiguur, een beeldspraak, waarmee hij wil aanduiden dat wij mensen — en dat is de adel van ons mens-zijn — altijd weer in gesprek staan met „de Stem”, die in ons innerlijk aanwezig is.

Zo wordt de openbaring verklaard als een innerlijke ervaring.

De verrassende ontdekking, die ons tot een echte wijze van leven voert, zou zijn: de Stem die mij begeleidt, geeft geen antwoorden maar wel een opdracht, de opdracht om, met ons menselijk tekort, met een hart vol onbeantwoorde vragen, toch mens te zijn samen met de ander.

„Laat u met God verzoenen!” wil volgens Van Ginkel zeggen: zit neer onder de eik enluister naar het heilig waaien. Verzoen u met het feit dat in dit waaien een stem klinkt die u oproept tot radicale medemenselijkheld!

Hij gebruikt het woord „God” nog wel, maar dan in de zin van de dieptedemensie. het laatste perspectief, de diepere grond van alle dingen. Die onbekende God is zichtbaar in mensen.

Duizenden kunnen niet meer in God geloven. Daarom moet er anders over Hem gesproken worden. In de Bijbel staat: Gods oog zal op u zijn. Bedoeld zou zijn: de ogen van mensen zullen (als Gods plaatsvervangers) u bemoedigen. Gods hand zal u geleiden doet Van Ginkel aan de handen van mensen denken.

Bij het gebed moeten wij volgens hem niet allereerst naar boven kijken, maar horizontaal naar onze medemens. Horizontaal bidden is bidden met de hand die wuift, met het oog dat bemoedigt, met de kus die in de ander Gods aanwezigheid wakker roept. Van Ginkel durft ver te gaan.

Het is geen wonder dat deze Ned. Herv. predikant fel bestreden is. Een van zijn collega’s stelde hem in „Hervormd Amsterdam” de vraag, of God voor hem iets anders was dan een dichterlijke beschrijving van het betere ik. Zijn preken zouden aan duidelijkheid winnen, als hij de naam God maar niet meer gebruikte en die verving door „ons diepste ik” of „geweten” of „wil tot het goede”. Bij deze opvatting heeft de kerk niet veel meer te zeggen dan het Humanistisch Verbond!

Maar is dit het evangelie nog? Het meest wezenlijke van het christelijk geloof wordt prijsgegeven.

2. Dr. J. Sperna Weiland, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, liet in 1966 een studie verschijnen over de nieuwe wegen in de theologie: „Oriëntatie”.

Hij geeft daarin te kennen dat hij vertrouwen heeft in het nieuwe theologische experiment dat gaande is, al gelooft hij ook niet alles wat hij te horen krijgt. Voor een aan-

tal mensen is de nieuwe theologie volgens hem een weg die gegaan kan worden „in blijdschap en eenvoud des harten” (woorden uit Hand. 2 : 47).

Sperna Weiland is het met de vernieuwings-theologie eens, wanneer zij de theïstische voorstelling van God, zoals de Heid. Catcchismus die in Zondag 10 geeft, beslist afwijst. Er wordt over God steeds meer gezwegen. Wij leven op de aarde, in de geschiedenis. Wij rekenen niet meer op een ingrijpen van God. Wij geloven niet meer in wonderen. Voor ons, mensen van de twintigste eeuw, is er geen weg terug naar-het oude wereldbeeld van het theïsme.

Op een van de laatste bladzijden van zijn boek verklaart hij: De horizon van het geloof is het aardse leven en de aardse geschiedenis. Hier is waarschijnlijk de afstand tussen de nieuwe theologie en de klassieke „religieuze” interpretatie van het christelijk geloof het grootst.

Men kan zich bij het lezen van het overzicht van de nieuwe theologie, dat in „Orientatie” geboden wordt, afvragen in hoeverre de auteur zelf staat achter de opvattingen die hij weergeeft.

In een briefwisseling met dr. H. M. Kui tert, hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, wordt dat duidelijker (Wending, sept. en okt. 1967).

Sperna Weiland zegt o.m., dat hij zich wel zo verbonden voelt met de nieuwe theologie die in „Oriëntatie” wordt beschreven, dat hij als zaakwaarnemer kan en wil optreden. Hij kiest met Bultmann voor de ontmytologisering. Hij gaat ook heel ver mee met Tillich.

Kuitert heeft begrip voor het standpunt van zijn gesprekspartner. Maar hij zegt waar het op staat: „Maar jouw afscheid van het theïsme lijkt mij een van de ernstigste ontsporingen die de christelijke kerk zou kunnen beleven”.

Het gaat maar niet om een nieuwe oriëntatie in de wereld of een nieuwe visie op de werkelijkheid. „Het christelijk geloof is niet slechts een nieuwe interpretatie van dewerkelijkheid, maar een geloof in de verandering van de werkelijkheid door Jezus Christus”.

3. De derde theoloog, die in dit verband ter sprake moet komen, is prof. dr. W. H. van de Pol.

Er is bij Van de Pol een merkwaardige ontwikkeling op te merken. Hij behoorde van huis uit tot de Ned. Herv. Kerk. In 1940 werd hij rooms-katholiek. Als hoogleraar aan de Universiteit te Nijmegen publiceerde hij verschillende studies over de verhouding van rooms-katholicisme en protestantisme. Een van zijn belangrijkste boeken is: „Het getuigenis van de Reformatie” (1960), waarin hij uitgaande van de belijdenisgeschriften de reformatorische boodschap op zeer verdienstelijke wijze samenvat.

In zijn laatste grote werk, „Het einde van het conventionele christendom” (1966), horen wij een geheel ander geluid. Hij zegt zelf dat zijn kerkelijke en godsdienstige inzichten in de laatste vijf à tien jaren ingrijpender veranderingen hebben ondergaan dan ooit tevoren. Hij is nu van mening dat wij op weg zijn naar een nieuwe uitdrukking en beleving van het christelijk geloof, waardoor indirect een einde gemaakt zal worden aan de antithese Rome-Reformatie. Van de Pol voorspelt dat deze antithese meer en meer verbleken zal en zich tenslotte zal oplossen in het toekomstige christendom, dat reeds in wording is.

Van de Pol schrijft: „De rooms-katholieke kerk is altijd beschouwd als een ongenaakbaar, onaantastbaar en onneembaar bolwerk van onveranderlijkheid en standvastigheid. Wanneer nu zelfs in deze kerk plotseling alles min of meer uit zijn voegen schijnt te zijn gelicht en allerlei discutabel is gesteld, dat voor kort nog door niemand in deze kerk voor bestrijding vatbaar werd geacht, moeten wij hieruit toch wel concluderen, dat er zelfs hier iets gaande is met betrekking tot het conventionele geloofsdenken en geloofsleven” (blz. 15).

De strekking van het hele boek is: Het oudeheeft afgedaan. Alles is nieuw geworden! Bonhoeffer zou de Columbus zijn geweest, die het einde van het conventionele christendom ontdekte. Met waardering worden ook de namen van Tillich, Robinson en Van Buren genoemd. De herbouw (van het christendom?) zou er een zijn van alle mensen, protestantse en rooms-katholieke, rechtzinnige en vrijzinnige, christelijke en niet-christelijke, gelovige en niet-gelovige te samen.

Bij Van de Pol is de kern van het evangelie de liefde, die door de kerk niet alleen verkondigd maar ook waargemaakt moet worden door haar houding in de wereld. De christelijke existentie moet vóór alles het karakter dragen van onbeperkte en onvoorwaardelijke medemenselijkheid, omdat Jezus mens is geweest voor allen.

Men zou het afscheidscollege van deze hoogleraar als een vervolg op zijn boek kunnen beschouwen. In dit boek wordt de doodsklok geluid over het conventionele christendom: het college bevat de hoofdzaken van het nieuwe programma: „Op weg naar een verantwoord Godsgeloof” (1967).

De moderne mens staat in het middelpunt: „De moderne mens weet niets meer van een God, die zich ergens bevindt en op zichzelf bestaat los van en buiten de totale werkelijkheid van mens en wereld. Voor zover het zin heeft van „God” te spreken, moet dit spreken betrekking hebben op een God, die ten nauwste betrokken is bij onze werkelijkheid, die altijd een dynamische en wordende werkelijkheid is en blijft”.

Een van de conclusies is, dat de mensheid in elk opzicht bezig is af te rekenen met het verleden en zich te richten op een nieuwe toekomst, en dat godsdienst, kerk en theologie zich aan deze omkeer niet kunnen onttrekken.

Van de Pol ziet het nog niet zo donker in. Hij verklaart zelfs: Hoe ongeloviger wij worden, des te geloviger worden wij!

Maar het is ons volkomen onmogelijk om de situatie zo optimistisch te beoordelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.