+ Meer informatie

Naar een pastorale gemeente? OVERBELASTE ONDERHERDERS

22 minuten leestijd

De overgang van Diaconaal Contact naar Ambtelijk Contact was bedoeld om ook de vorming van ouderlingen te kunnen intensiveren. Toezicht houden op de prediking was al niet gemakkelijk, maar in het pastoraat moesten ouderlingen zelf in de vorm van het gesprek het Woord tot klinken brengen. Als gezondenen namens de Opperherder trokken de ouderlingen de gemeente in. Daarvoor ontvingen zij graag toerusting. Vanaf het begin was het pastoraat in Ambtelijk Contact een veelbesproken thema en er veranderde vanaf de jaren zestig in de maatschappij en in de kerken genoeg om er op in te gaan. Vastgesteld kan worden dat het pastoraat vanaf de start van het blad onder druk stond. In het laatste decennium verschijnen meermalen artikelen die duidelijk maken dat in althans een deel van de achterban crisisgevoelens leven over de ambtelijke structuur en de vervulling van vacatures.

ZUCHTEN

Rond 1960 begon er beweging te komen in de oude praktijk van het jaarlijkse huisbezoek. Voordien was het maken van een afspraak niet nodig. Op zondag werd afgekondigd wie er de komende week bezocht zouden worden. Doorgaans namen de ouderlingen twee adressen per avond voor hun rekening. Het hele gezin was present en keek met een zeker ontzag op naar de beide broeders. Ouderlingen merkten in de jaren zestig maar al te goed dat het leven steeds drukker werd door bijvoorbeeld tweeverdienerschap, de noodzaak van bijscholing en ontspannende activiteiten. Zij moesten overgaan tot het maken van afspraken.

Ingrijpender was dat de geest van de jaren zestig niet aan gemeenteleden voorbijging. Zij raakten kritisch ingesteld en ook onder hen leefde de afkeer van gezag. In een van de eerste nummers van Ambtelijk Contact constateerde Geleijnse dat alles veel ingewikkelder en gecompliceerder was geworden dan een kwart eeuw eerder. Ieder onderging er, ook geestelijk, de invloed van. In het pastoraat liepen de ouderlingen aan tegen allerlei soorten problematiek die er voorheen veel minder waren, bijvoorbeeld op de terreinen van relaties en psyche. Tien jaar later betoogde ds. Ribbers op een ouderlingenconferentie dat de situatie van de gemeenteleden vroeger veel minder gedifferentieerd en dus overzichtelijker was. Een oma begreep nu nogal eens haar eigen kinderen niet meer, laat staan haar kleinkinderen.

Het huisbezoek werd er zo voor de ouderlingen niet makkelijker op. In 1963 zei Geleijnse op de eerste naoorlogse gezamenlijke conferentie van ouderlingen en diakenen er niet van overtuigd te zijn dat allen vrijuit konden zingen: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten’. Integendeel, hij had de indruk dat tal van ambtsdragers hun werk ‘al zuchtende’ deden en min of meer reikhalzend uitkeken naar het einde van hun ambtsperiode. Nam het aantal aanvragen om ontheffing niet toe? Hadden veel kerkenraden niet de grootste moeite om een behoorlijke kandidatenlijst samen te stellen? Toch was het mogelijk om met blijdschap in het ambt te dienen. ‘Want’, aldus Geleijnse, ‘de Here is goed, Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.’

VALKUILEN

Ambtelijk Contact geeft aandacht aan vele facetten van het pastoraat, maar biedt ook aardige inkijkjes op de herderlijke zorg in de achterban. Naar de inschatting an ds. Jac.J. Rebel, de latere hoogleraar geestelijke verzorging in Groningen, stond het pastoraat in de jaren zestig in de CGK over het algemeen hoger genoteerd dan in de grotere kerkverbanden. De ambtsdragers stonden in de regel dichter bij de gemeente. Enerzijds maakte dit het contact gemakkelijker. Anderzijds noteerde ds. J.H. Velema in 1968 dat deze nabijheid niet alleen maar voordelen had. De ouderlingen waren geneigd als broeder met broeder te spreken. Gemakkelijk verloren zij uit het oog dat zij kwamen als ambtsdrager met de roeping om namens de grote Ambtsdrager geestelijke leiding te geven.

Velema noemde nog enkele valkuilen die specifiek waren voor christelijk-gereformeerde ouderlingen. Zij waren allereerst geneigd maar te zien hoe het gesprek zou lopen. Daartegenover pleitte Velema voor een ‘concreet’ huisbezoek, ofwel en bezoek dat zich kenmerkte door goede voorbereiding op wat er bekend was van gezinssamenstelling, geloofsleven en gemeentelijke betrokkenheid. Als regel moest een bezoek verder doelgericht zijn. Daarvoor was nodig dat, als men met zijn tweeën op pad ging, gezamenlijk een lijn werd vastgesteld. Bij alle luisteren was het zaak dat zij als ambtsdragers de richting van een gesprek bepaalden. De tweede bedreiging was ‘te veel en te vaak’ met de eigen ervaringen en belevenisen te komen.

BOM

Om het huisbezoek op peil te brengen streefde Ambtelijfe Contact naar een geestelijk-inhoudelijk gesprek. Geleijnse legde de negatieve effecten van het tegendeel in 1963 indringend neer bij zijn ambtsbroeders: ‘Een “koetjes en kalfjes”-huisbezoek heeft al heel wat mensen een teleurstelling bezorgd, of heeft u dat nog nooit gemerkt?’

Wat kon een ouderling bijdragen aan het op gang brengen van een goed gesprek? Meerdere schrijvers keerden zich in de loop van de jaren tegen de gewoonte om altijd twee bezoeken op een avond in te plannen. Voor een goed gesprek met enige diepgang was tijd nodig. Als concreet hulpmiddel bevatte het augustusnummer in de jaren zestig en zeventig vaak, en in later jaren incidenteel ‘huisbezoekinstrucies’. Dit waren uitwerkingen van een Schriftgedeelte met het oog op de bespresing daarvan tijdens het bezoekwerk.

In 1964 wijdde ds. J.P. van den Boomgaard voor de eerste keer een uitvoeriger artikel aan het huisbezoek, waarin hij sterk aanraadde af te stappen van elk direct en formeel informeren naar het intiem geestelijk leven. Dat waren namelijk vragen ‘die vaak als een bom neerploffen in een kop koffie’, die de vertrouwelijkheid en natuurlijkheid in het gesprek verbraken. Deze methode werkte niet. Voor de overgang van het gesprek over het gewone leven naar de geestelijke zijde daarvan moest vaardigheid gepaard gaan met fijngevoeligheid. Naarmate het gesprek vorderde was het zaak de ander steeds meer aan het woord te laten. Intens luisteren diende te leiden tot het betrekken van Gods Woord op de situatie. Liefst moest de ander er zelf toe komen te concluderen wat hem te doen stond. Men proeft een wat minder sturende aanpak dan die van J.H. Velema. Het was niet alles koekoek één zang in Ambtelijk Contact.

CHRISTELIJK-GEREFORMEERD HUISBEZOEK?

Diezelfde Velema, ook in Ambtelijk Contact een vruchtbaar publicist, voelde zich in 1968 gedrongen tot bezinning op de vraag of er zoiets als een ‘christelijk-gereformeerd huisbezoek’ bestond. Het antwoord op die vraag was afhankelijk van de vraag of de CGK als geheel iets bijzonders leerden. Velema’s antwoord was dat zij geen eigen stokpaardjes bereden. Zij wilden slechts recht doen aan Schrift en belijdenis. Aangezien de belijdenis in het teken van de religie stond, ging het niet om beschouwingen, maar om de vreze des Heren. De punten waarin dat voor het huisbezoek tot uiting kwam waren de volgende:

* recht doen aan zowel de positie in Adam als in Abraham: de verbondsbeloften staan in de werkelijkheid van het zondaarsleven

* wat in Christus is gegeven moet de gedoopte vervolgens worden toegeëigend

* het karakter en de functionering van het geloof dienen aan de orde te komen

* wat is de betekenis van het avondmaal?

* het leven van het geloof met zijn ups en downs

* uit het leven met Christus vloeit de heiliging voort

* het huisbezoek dient kerkelijk besef te kweken

Over het specifieke van christelijk-gereformeerd pastoraat valt verder in Ambtelijk Contact niets te lezen. De meeste punten die Velema noemde blijven in de volgende decennia echter met enige regelmaat aan de orde komen.

GEMEENTEBESCHOUWING

Vooral in het eerste decennium bevat Ambtelijk Contact tal van fundamentele artikelen. In 1966-’67 wijdde ds. K.J. Velema aan het gesprek op huisbezoek over het heilig avondmaal in vier nummers ruim twintig forse bladzijden! Hij ging heel concreet in op allerlei geestelijke vragen en moeilijkheden. Gesprekken hierover mochten ambtsdragers voeren met verwachting: ‘Elke ambtsdrager, die het Woord gebracht heeft weet bij ervaring, dat het Woord een kracht Gods tot zaligheid is. En hij ziet het soms voor zijn eigen ogen gebeuren, dat gedachten die men jarenlang gekoesterd heeft worden prijsgegeven en dat het Woord harten gevangen neemt.’ Een ander voorbeeld is prof. Kremers artikel uit 1969 over het uitgangspunt voor het huisbezoek. Medebepalend voor de visie op het huisbezoek was de werkelijkheid van en in de gemeente. Kremer onderscheidde deze werkelijkheid in tweeën: de gemeente als beloftegemeenschap en als geloofsgemeenschap. Gods beloften waren de gemeente toevertrouwd en in de sacramenten verzegeld. ‘Maar in deze beloftegemeenschap klemt de vraag of zij ook geloofsgemeenschap is, of elk voor zich deze beloften verstaat, of men de noodzaak van daaruit te leven kent m.a.w. of men daar werkzaam mee is en daarin door een levend geloof groeit en vastigheid vindt.’ Men moest van belofte- en geloofsgemeenschap geen absolute tegenstelling maken, alsof het laatste iets heel anders was dan het eerste, want het tweede werd juist aan de gemeente beloofd.

GEESTELIJKE VERSCHUIVINGEN

In Ambtelijk Contact gingen auteurs uit de breedte van de kerken in op pastorale thema’s. Deze opzet bracht met zich mee dat klassieke thema’s nooit uit beeld verdwenen, zoals de serie over de heilsorde in 2008-‘09 laat zien. Intussen lijdt het weinig twijfel dat in bepaalde sectoren van de achterban heel wat aan het verschuiven was. Anders dan over de prediking bevat Ambtelijfe Contact daarover geen discussie. In 1970 maakte de Middelburgse ouderling C.J. van Burg een directe vergelijking tussen het geestelijk leven in vroeger en later jaren: ‘Wat als een waarheid moet worden geconstateerd is, dat in het algemeen de geestelijke gesteldheid van de gemeente van nu belangrijk verschilt met die van vroeger jaren. Toen ontmoette men meermalen mensen, die bewust wisten overgegaan te zijn van de dood in het leven of anderen die de noodzaak van deze overgang diep gevoelden en daarmee werkzaam waren. Tegenwoordig hoort men dit maar zeer weinig meer en is daarvoor bij sommigen in de plaats gekomen een vrijmoedig (vrijpostig?) spreken van een kind van God te zijn en weer bij anderen een zekere gelatenheid en onverschilligheid.’

Een dergelijk citaat legt direct de vinger bij de geestelijke veranderingen binnen een gemeente uit de middenmoot van de CGK. Meer indirect blijken die ook wel als men adviezen legt naast later tijden. Uit het antwoord dat de Apeldoornse ouderling A. Ploeg in 1965 gaf op de praktische vraag hoe een tafelwacht op moest treden als ‘een niet gerechtigde’ toetrad tot het avondmaal, blijkt hoe hoog het avondmaal werd geschat. Tumult moest zijns inziens worden vermeden. ‘Het moet de mensen netjes gezegd worden, dat zij zich hebben te onthouden. Helpt dit niet, dan even de dominee waarschuwen, dat de indringer (sic!) overgeslagen moet worden. De dominee zou dan de ouderling met brood en beker kunnen doen Jndgaan. En, zou het onverhoopt tot daden komen, dan dient het avondmaal pgeschort te worden. De tafel des Heeren mag niet ontheiligd worden en het is beter de viering van het sacrament uit te stellen.’ In hoeveel gemeenten zouden kerkenraden nog volgens dit advies handelen?

GEMEENSCHAP

Naast artikelen over klassieke geestelijke vragen, die men in korter bestek in Ambtelijk Contact tot op heden blijft tegenkomen, kregen nieuwe inzichten en ontwikkelingen veel ruimte toegemeten. In reactie op charismatische invloeden verschenen er zo na de eeuwwisseling tal van artikelen over onderwerpen als ministry-gebed, ziekenzalving, gebedsgenezing etc. Deze tijdbetrokkenheid was er vanaf het begin. Zo schreef ds. K.J. Velema in 1963 dat men eerlijk moest bekennen dat er in het verleden vaak weinig was gedaan om de gemeenschap te bevorderen. Hoewel de pastorale bearbeiding op zichzelf vrij intensief was, zag men de opdracht tot gemeenschapsvorming te weinig. Daardoor was er toch sprake van veel vereenzaming. Velema constateerde: ‘Het is in deze tijd hoogst noodzakelijk, dat de gemeenschap in de gemeente met alle kracht bevorderd wordt’.

Bij het bevorderen van de gemeenschap zag Velema voor de kerkenraad een leidende functie. Hij herinnerde aan de noodzaak van een wijkindeling. Wijken moesten niet te groot zijn. Ambtsdragers konden niet volstaan met een jaarlijks huisbezoek. Zij dienden zo nu en dan eens ongedwongen ‘binnen te vallen’ om op die manier het contact te intensiveren en vertrouwen op te bouwen. De kerkenraad moest wijkbewoners ook stimuleren tot contact met elkaar, zeker ook als er nieuwe leden waren komen te wonen. Te denken viel aan het beleggen van een koffietafel. De gemeenten leefden over het algemeen te weinig uit de principiële gedachte dat men elkaars ‘leden’ was en verantwoordelijkheid voor elkaar droeg.

BIJZONDER AMBT?

Zonder dat het woord al werd genoemd, tekenen zich hier de contouren af van de pastorale gemeente, die in deze tijd werd herontdekt. De pastorale gemeente werd principieel gemotiveerd vanuit de Schrift (Efeziërs 4:12 en 16), maar geboren in de praktijk van het ouderenpastoraat. In de jaren zestig steeg het aantal ouderen in de samenleving als gevolg van de betere levensomstandigheden sterk. Senioren werden een aparte groep, waarvoor ook in de kerken veel aandacht was. Zij gingen op hun 6Bste met pensioen, kregen AOW en in tal van gemeenten leek deze leeftijd ook een goede gelegenheid om een punt te zetten achter de ambtelijke dienst. Ambtelijk Contact bevat menig artikel over het ‘bejaardenpastoraat’ aan 65-plussers. Vaak was het onderwerp gespreksvoering over het christelijk ouder worden en de voorbereiding op het eeuwige leven. Tegelijk zag men ook wel dat heel wat ‘bejaarden’ nog uitstekend uit de voeten konden en van veel waarde konden zijn voor de opbouw van de gemeente.

De vraag rees of men in het denken over de pastorale zorg moest volstaan met het bijzondere ambt. In 1965 ging prof. Hovius in zijn rubriek kerkrecht in op de vraag of een kerkenraad aan een afgetreden ouderling de opdracht mocht verstrekken om zieken en ouden van dagen te bezoeken, zonder dat hij ‘als volwaardig lid’ in de kerkenraad was opgenomen. Het moest Hovius eerst van het hart dat iemand die als ambtsdrager was afgetreden op geen enkele manier meer lid was van de kerkenraad. Wat de eigenlijke vraag betrof, een kerkenraad kon die aan ieder lid van de gemeente stellen. Een dergelijke aanstelling of liever tijdelijke opdracht mocht niet dienen om de kerkenraad zelf van dit deel van zijn taak te ontheffen. Zij was slechts bedoeld om verlichting te brengen bij de taakuitoefening. Ziekenbezoekers dienden verantwoording aan de kerkenraad af te leggen. Uit dergelijke oud-ouderlingen is de pastorale gemeente weer in meer of mindere mate gegroeid.

SPECIALISATIE

Eind jaren zestig merkte ds. Jac.J. Rebel eens op dat hij zulke pastorale assistentie voor de predikant wenselijker vond dan alleen een ‘bejaardenouderling’. Een dergelijke ouderling was een uitvloeisel van toenemende specialisatie ook op kerkelijk terrein. Ambtelijk Contact telt vele artikelen over allerlei specifieke groepen die pastorale zorg nodig hadden: ouderen, zieken, dementerenden, recreanten, studenten, alleenstaande vrouwen, gemengd gehuwden, de ‘varende gemeente’, ‘Jan Soldaat’, verstandelijk gehandicapten enz. In de kerken kwamen er naast bejaardenouderlingen vooral jeugd- en evangelisatieouderlingen, maar ook schippersouderlingen en hier en daar een dovenouderling.

In Ambtelijk Contact bezon J.H. Velema zich in 1965 op de vraag of deze trend in de richting van de ‘ouderling-specialist’ wel zo wenselijk was. De predikant zag geen doorslaggevende bezwaren. Sinds jaar en dag was in grotere gemeenten de scriba reeds vrijgesteld van huisbezoeken. Onder predikanten was er specialisatie in bijvoorbeeld de legerpredikant, de zendeling en de evangelisatiepredikant. In de breedte van het gemeentelijk leven placht men bovendien te rekenen met de verschillende gaven en interesses. In de kerkenraden was men al gewend niet elke ouderling te verplichten zo nodig in leesdiensten voor te gaan. De Schrift liet naarVelema’s inzicht de nodige differentiatie toe in het ambt.

Zonder bezwaren was de voortschrijdende specialisatie echter niet. Velema wilde enkele ‘zekeringen’ inbouwen. De beiangrijkste waren dat de noodzaak echt aanwezig was en dat een dergelijke specialist functioneerde als volwaardig lid van de kerkenraad. Het moest voor alle betrokkenen helder zijn dat het bijzondere tot zijn recht kwam als deel van het geheel. Liefst zag Velema iemand benoemd die al ambtsdrager was of dit althans was geweest, zodat duidelijk uitkwam dat zij er waren ‘om het ambt in een bepaalde sector zo goed mogelijk te doen functioneren’. Geregeld rapporteren was wenselijk. De benoeming van een secundus kon ‘het gevaar van de éénmansbediening’ voorkomen. Kerkenraden moesten gebruik maken van de mogelijkheden die er waren. Deden zij dat al te uitbundig? In 1973 waarschuwde Geleijnse althans tegen een ‘te ver’ doorgevoerde splitsing, waaran hij een uitholling van het ambt vreesde. Hij benadrukte dat de roeping voor iedere ouderling gelijk was en iemand zich niet van bijvoorbeeld evangelisatie kon distantiëren omdat daar toch een evangelisatieouderling voor was.

BETAALDE NIET-AMBTELIJKE WERKERS

Vanaf eind jaren zeventig gaat Ambtelijk Contact aandacht besteden aan de pastoraal werker, die dan al enige tijd als betaalde niet-ambtelijke kracht aan de slag is gegaan in een handvol grote gemeenten. Centraal in de taakomschrijving stond hulp bij de catechese. Een pastorale component daarin was onder meer het bezoek van de werker aan de ouders. Verder was de jeugd in bredere zin spoedig een arbeidsveld van de pastoraal werker, maar prof. Velema constateerde dat ook chronisch zieken, bejaarden en randkerkelijken in de werkinstructies voorkwamen. De artikelen over de pastoraal werker waren zuiver informatief.

KLINISCH PASTORALE VORMING

Vanouds lieten veel ouderlingen probleemsituaties in het pastoraat over aan hun dominee. De toenemende complexiteit en frequentie daarvan manoeuvreerden predikanten nog sterker naar de pastorale fronten. Ook zij ervoeren daarbij echter vaak verlegenheid. De bagage die zij hadden meegekregen tijdens hun opleiding was vooral theoretisch van aard. Sommigen zagen in de methode van de Klinisch Pastorale Vorming (KPV) een waardevolle aanvulling op een tekort in hun scholing. De KPV sleutelde aan de houding van de pastor, zodat hij in allerlei moeilijke situaties beter kon funetioneren.

In de CGK werd deze methode enerzijds geroemd, anderzijds gewantrouwd. De KPV komt slechts eenmalig voor in de geschiedenis van Ambtelijk Contact, maar de artikelen verdienen vermelding omdat het de eerste keer was dat een onderwerp expliciet geheel verschallend werd gewaardeerd. De KPV werd een kerkelijk item toen ds. A. Rebel uit Rotterdam-Centrum in 1977 solliciteerde naar de post van pastoraal verzorger van het verpleeghuis Naarderheem. Om predikant in de CGK te kunnen blijven moest de kerkenraad van Naarden Rebel beroepen. Deze kerkenraad voelde daar niet voor omdat het bestuur van Naarderheem de KPV verplicht stelde. Met de kerkenraad van Bussum kon Rebel wel tot overeenstemming komen, hetgeen de verdeeldheid in het kerkverband blootlegde. In Ambtelijk Contact verschenen in 1979 gelijktijdig twee tegengestelde bijdragen. Drs. J.W. Maris uit Hilversum wees de KPV op principiële gronden af. Ds. J. de Jong uit Veenendaal daarentegen zei de KPV naar Bijbels recept met grote dankzegging te hebben genomen.

HOMORELATIES

Vaak zou het in het vervolg overigens niet gebeuren dat er tegengestelde bijdragen werden geplaatst. De redactie van Ambtelijk Contact wilde richting wijzen, geen verwarring vergroten. Waar kerkenraden bijvoorbeeld verschillend omgingen met het verschijnsel van samenwonende jongeren, was de lijn in Ambtelijk Contact ondubbelzinnig afwijzend. In het kader van een grondige handreiking met betrekking tot alternatieve samenlevingsvormen voor het huwelijk, uitten de hoogleraren Velema en Van ‘t Spijker alsmede dr. Brienen op de ambtsdragersconferentie van 1981 tevens eendrachtig hun moeite met homorelaties. Diverse aanwezigen dachten daar anders over. Pas veel later had het er even alle schijn van dat een afwijkend geluid doordrong in Ambtelijk Contact. Vond Van Pelt het in 2000 een bedenkelijk advies om als homoseksueel een pastor te zoeken wiens opvattingen aansloten bij de eigen belevingswereld, dat was precies wat ds. A.P. van Langevelde in 2006 aanraadde. Enkele kerkenraden uitten hun moeite met de passages over homoseksualiteit in zijn artikel. Van Langevelde verhelderde evenwel principieel geen andere benadering van homoseksualiteit voor te staan. Ook de redactie sprak uit daar geen ruimte voor te willen geven. Het omstreden gehalte van het thema blijkt uit het feit dat de synode van 2010-’11 er niet uitkwam en een nieuwe studiecommissie voor dit onderwerp benoemde.

VROUWEN IN HET AMBT?

Voortdurend was er in Ambtelijk Contact bezinning op allerlei pastorale omstandigheden. Steeds sterker drong door dat er voor alle pastorale zorg hoe dan ook mensen nodig zijn die pastoraat verlenen. De ontwikkeling naar een pastorale gemeente ten spijt bleef de ouderling daarvoor de aangewezen persoon. Mede vanwege de moeite om vacatures te vervullen drong de vraag zich steeds krachtiger op of men zich wel tot mannen moest beperken. In de grote kerkverbanden rukte vooral in de jaren zeventig het aantal vrouwen in de kerkenraadsbank gestaag op. Waren er ook in de CGK niet vele zusters toegerust met gaven? Er waren kerkleden, onder hen ook ambtsdragers, voor wie de oude bezwaren tegen de vrouw in het ambt waren weggesmolten als sneeuw voor de zon. Hun stem klonk niet in Ambtelijk Contact, maar is indirect wel hoorbaar. De roep erom was inmiddels ook al te luid om te worden genegeerd. Zo maakte M.F. de Geus-Bikker in juni 1983 in een recensie van het gedenkboek En toch niet verteerd in het blad DIA kritische kanttekeningen bij het onderschrift van een foto dat met enige trots meldde dat ook meisjes aan de Theologische Hogeschool konden studeren. ‘Zolang de ambtelijke deuren voor de vrouw dichtblijven moeten zulke foto’s maar niet geplaatst.’ Zij sprak van een ‘schijnvertoning’ van ruimte voor toerusting in de dienst.

Op de ambtsdragersconferentie van 1982 kwam prof. Van ‘t Spijker na een brede bespreking van de Schriftgegevens tot de conclusie dat in het Nieuwe Testament de ambten slechts als beschikbaar voor de man werden gezien. Hoewel het moderne levensgevoel in een andere richting drong, vereiste het Schriftgezag zich te houden aan wat Christus voor zijn gemeente had verordend. Ds. K. Boersma steide aan het eind van de conferentie vast dat argumenten als tijdgebondenheid of een verschillende taxatie van de aard en de kracht van het paulinische spreken onder ons geen plaats mogen hebben’; hij had ze ook niet gehoord. Dergelijke geluiden waren er echter wel. Ze kwamen bijvoorbeeld tot uiting in de studie Vrouwen in de dienst (1983) van een aantal christelijk-gereformeerde theologen. Maar Van Genderen betoogde in een uitvoerige recensie in Ambtelijk Contact dat deze brochure eenzijdig was. Men was het er wel over eens dat de gemeenten heel wat meer gebruik van de gaven van zusters konden maken. Buiten Ambtelijk Contact laaide de discussie zo nu en dan op, uitmondend in onder meer de synodale apporten Vrouw en ambt (1998) en Vrouwen dienst (2001), die de discussie op het grondvlak niet stopten, maar kerkelijk wel sloten.

FAILLIET

De jaren door geven de nummers van Ambtelijk Contact zicht op de ambtelijke omgang met pastorale moeiten. Vaak blijkt er een stuk verlegenheid uit, waarin en (uit)weg wordt gewezen. Slechts zelden werd de crisis waarin de ambten en de dragers daarvan op den duur zelf geraakten openlijk aan de orde gesteld. In het nieuwe millennium verdwijnt deze terughoudendheid. In 2000 publiceerde J. van Amerongen uit Hoogeveen een artikel onder de klinkende titel ‘Het failliet van de wijkouderling?’ De auteur had het vraagteken boven zijn bijdrage gerust kunnen weglaten. Van Amerongen verwoordde gevoelens van onvrede en onmacht over de in de CGK gangbare pastorale struetuur. Voor veel gemeenteleden was het huisbezoek een verplicht nummer. Met een maximum van een viertal bezoeken tijdens een ambtsperiode werd er niet werkelijk een vertrouwensrelatie opgebouwd, zodat gemeenteleden het achterste van hun tong niet lieten zien.

Kerkenraden hadden ook zelf moeite gekregen met de wijkouderling. ‘Naar mijn stellige overtuiging’, steide Van Amerongen, ‘wordt bij veel kerkenraden al lang niet meer gelet op de Bijbelse criteria als nuchter, bezadigd, onbesproken, bekwaam om te onderwijzen, gunstig bekend staand bij ongelovigen, niet opvliegend maar vriendelijk etc. Nee, het lijkt tegenwoordig slechts nog om drie criteria te gaan: mannelijk geslacht, trouwe kerkganger (ten minste eenmaal per zondag) en geen objectieve bezwaren tegen het ambt.’ Daarbij kwam dat de wijkouderling meestal onvoldoende was toegerust voor de groeiende complexiteit van de pastorale problemen, zodat de hoeveelheid crisispastoraat tot overbelasting van de predikant dreigde te leiden. Redenen genoeg voor Van Amerongen om te pleiten voor een andere pastorale structuur, voornamelijk vormgegeven in wijkteams.

CRISIS

Van Amerongen riep op tot discussie. Geheel in de stijl van Ambtelijk Contact werd het geen discussie maar een grondige bezinning. Redactieleden erkenden het probleem. Het ambt viel ten prooi aan de algemene maatschappelijke devaluatie van oude structuren, terwijl invloeden uit evangelische en charismatische hoek deze nog versterkten. De titels van enkele bijdragen spreken voor zich:

* ‘Kunnen pastorale medewerkers een verlichting betekenen voor de (vaak overbelaste) kerkenraad?’

* ‘Hebben wij eigenlijk nog ambtsdragers nodig?’

* ‘Voor een ambt in de kerk staat men niet meer in de rij’.

De laatste titel was tegelijk het thema van de ambtsdragersconferentie van 2003. Ds. Quant bepleitte daar onder meer het verbreden van het pastoraal-diaconale draagvlak door meer ‘gewone’ gemeenteleden in te zetten. Niet als vervanging, maar als aanvulling op het bezoekwerk van de ouderlingen. Door het moderamen meer beslissingsbevoegdheden te geven kon de vergaderdruk voor een groot deel van de broeders afnemen.

KERN

Daarmee stopte de bezinning in Ambtelijk Contact niet. Zonder de waarde van de suggesties te ontkennen, werden er indringende vragen bij gesteld. Mede omdat aanvulling in de praktijk steeds meer neerkwam op vervanging? Theologe M. Renkema-Hoffman wees in 2005 op een veranderende visie op het ambt als gevolg van het overnemen van maatschappelijke invloeden als democratisering en bestuurlijk denken. Zij vroeg of kerkenraden deze verandering niet zelf bevorderden door in het pastoraat steeds meer gebruik te maken van wijkteams, waarin ambtsdragers en gemeenteleden door elkaar heen bezoeken aflegden. Het onderscheid tussen een ambtelijk bezoek en een bezoek in het kader van de onderlinge gemeenschap werd daardoor steeds minder gevoeld. Of als een ouderling alleen nog maar een wijkteam aanstuurde, hoe kon hij dan nog herder zijn in de Bijbelse zin? En als bestuurlijk werk vergaand van pastoraal werk werd gescheiden, ging er dan geen wezenlijk deel van het ouderlingambt verloren?

Enkele jaren later bepleitte prof. Baars op de ambtsdragersconferentie van 2007 dat de pastorale zorg de kerntaak van de ouderling zou blijven. Naast de door Renkema genoemde punten bracht hij ook naar voren dat ouderlingen op huisbezoek de vrucht op de prediking nagingen. Bespreking hiervan in de kerkenraad be-vorderde de wederkerige bemvloeding van prediking en pastoraat. Het pastoraat stond onder druk, maar de redactie van Ambtelijk Contact stimuleert ermee door te gaan. Beide komen treffend tot uiting in de titel van een artikel van Van Pelt in deze vijftigste jaargang : ‘De onopgeefbaarheid van het Bijbelse huisbezoek’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.