+ Meer informatie

Verondersteld geloof

6 minuten leestijd

Veronderstelling bij de Doop.

Wij kennen allen het woord: „veronderstelde wedergeboorte”. Wij denken dan aan de uitspraak van de Gen. Synode der Ger. kerken 1905, waarin werd bepaald, dat bij de bediening van de Doop de kinderen der gelovigen voor wederomgeboren moesten worden gehouden, totdat bij het opwassen het tegendeel bleek.

Dat was de leer door Dr. Kuyper naar voren gebracht in verband met zijn beschouwing van het Genadeverbond.

Het Genadeverbond zou alleen gelden voor de uitverkorenen.

Van eeuwigheid gerechtvaardigd, zouden deze uitverkorenen met de kiem van het nieuwe leven worden geboren, en zo het teken en zegel mogen ontvangen van de Heilige Doop. Zekerheid omtrent dit alles wist men bij de kinderen niet, en daarom moest bij een rechte Doopsbediening dit alles worden verondersteld. Anders zou de Doop niet mogen worden toegediend of althans geen wettige Doop genoemd mogen worden. (Heraut no. 666).

Zo kwam dan de leer van de veronderstelde wedergeboorte in het Ger. Kerkelijk leven. Deze leer was steeds het grote verschilpunt tussen ons en de Ger. kerken. Gewezen werd steeds op het grote gevaar van zelfmisleiding, menende iets te bezitten en toch alles te missen, op het gevaar van een verkeerde gemeente-bearbeiding, op het gevaar van een verkeerd uitgangspunt in prediking en catechetisch onderwijs. De noodzakelijkheid van de wedergeboorte werd sterk beklemtoond, en zo werd naar de Schriften vastgesteld: de doodstaat van de mens, en dat de mens, door het wondere werk des Heiligen Geestes, moest levend gemaakt worden!

Dit was na de Afscheiding van de Doleantie steeds het Schriftuurlijke element in de Chr. Ger. prediking.

Komt dat element ook nü nog duidelijk naar voren? Of is het juist gezien, dat men nu al meer en meer dreigt terug te vallen op een verondersteld geloof?

Veronderstelling bij de Belijdenis.

Het afleggen van de belijdenis des geloofs is al jaren een punt van veel bespreking geweest, ook op de verschillende Synodi onzer kerken. Kort na de Afscheiding zouden zelfs de namen van de Cock en Scholten kunnen worden genoemd. Na de Doleantie noemen wij de namen van Doe. v. d. Schuit, Doe. de Bruin, Ouderl. van Brummen. De grenzen van het idealisme, en het realisme, in de gemeentebeschouwing, waren vaak de wrijfpunten in de besprekingen, die toen zijn gevoerd geworden. Vastgesteld werd dat aan de eis van een waar zaligmakend geloof niets mag worden afgedaan. Terecht! Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Anderzijds werd ook benadrukt, dat het geloof een gave Gods is, gewerkt door Gods Geest in het hart, naar de vrijmacht van Gods souvereine genade.

Hier valt van ’s mensen kant niets vast te stellen. Geen vaste lijnen te trekken wat leeftijd betreft, maar hier valt wel het volle aksent op Gods genadebeloften! De Heere wil gevraagd, de Heere wil gebeden zijn, ook om de gave van het geloof. En zou de Heere het dan zeggen en niet doen? Spreken en niet bestendig maken? Zo werd door één der afgevaardigden op de Synode van 1913 opgemerkt, dat jonge mensen, levende op de erve van het Verbond, belijdenis mogen doen, als zij onder de vleugelen van de kerk begeren te blijven, in de biddende begeerte van het geloof! Dan is er geen onverschilligheid in het afleggen van de belij denis des geloofs, dan is er ook zonder meer geen belijdenis van de waarheid, maar een hartelijke begeerte tot de geloofsbeleving van de waarheid!

Geen verondersteld geloof, maar wel een hartelijke begeerte tot het geloof! Dat is - dacht ik - de lijn van het realisme, bij het afleggen van de belijdenis des geloofs.

Volgt men de lijn van het idealisme, dan komt men onverbiddelijk tot een verondersteld geloof.

De veronderstelling bij de Doop, wordt dan de veronderstelling bij de Belijdenis.

Voordeur en achterdeur.

Men hoeft wel eens gezegd, wat men bij de voordeur heeft uitgeworpen, wordt dan bij de achterdeur weer binnen gehaald. Terecht is dat gevaar niet denkbeeldig, ’t Gevaar tevens van een verkeerde idealistische gemeentebeschouwing. De gemeente als belijdende gemeente, is dan de gemeente van de echt gelovigen, of van de verondersteld gelovigen; de noodzakelijkheid van de wedergeboorte komt dan op de achtergrond, de bekering wordt alleen maar als een dagelijkse bekering naar voren gebracht. Men leeft uit het bezit, men spreekt uit het bezit. Rijk en verrijkt, geen dings gebrek hebbende.

De nieuwe belijdenisvragen stuwen ook heen naar diezelfde richting.

’t Volle aksent wordt gelegd op de belijdenis van het echte zaligmakende geloof, met daaraan verbonden het Avondmaal vieren. Viert men geen Avondmaal, dan wordt men als een leugenaar aan de kaak gesteld, en zo wordt de idealistische lijn van het geloofsbélijden doorgetrokken tot het uiterste toe.

Zouden wij hier niet moeten attenderen op het gevaar van een verondersteld geloof? Veronderstellen bij de Doop is gevaarlijk, maar veronderstellen bij de belijdenis is niet minder gevaarlijk!

Openen wij de Schrift, dan zegt de Schrift ons - o zeker - hoe het zijn móét! maar dan zegt de Schrift ons ook hoe het in werkelijkheid is! Voor deze werkelijkheid mogen wij onze ogen niet sluiten, ook niet in het gemeentelijke leven. Hoe het zijn móét, dan zegt de Schrift ons, dat wij heilig en onberispelijk voor God moeten leven. Dat niemand het recht heeft onbekeerd, ongelovig voor God te leven. God immers heeft de mens goed, en naar Zijn evenbeeld geschapen, opdat die mens Hem zou kennen, dienen en liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zoude. Maar de mens heeft zichzelve van al die uitnemende gaven beroofd. Onbekwaam geworden tot enig goed, en geneigd tot alle kwaad. Onbekwaam ook om zich te bekeren, om te geloven, van nature geneigd om God, en zijn naaste te haten.

Deze werkelijkheid vinden wij dan niet alleen in de wereld, maar ook in het kerkelijk leven. Vandaar de noodzakelijkheid van wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardigmaking en heiligmaking. De noodzakelijkheid kortom van de beleving: „uit genade zijt gij zalig geworden, door het geloof, door de verlossing, die in Christus Jezus is”.

Dan valt niets in de mens, maar alleen in God Drieënig te roemen, en dan is het van God ontvangen geloof een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet.

Driebergen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.