+ Meer informatie

Het vijfde kruiswoord

„Mij dorst!" — Ev. Joh. 19: 58.

7 minuten leestijd

De Heiland klaagt over dorst, die het gevolg was van bijna geheele uitputting des lichaams. In den verschrikkelijken nacht, voor Zijn laatste lijden, had Hij na het Paaschmaal niets meer genuttigd. Onuitsprekelijk veel had Zijn lichaam geleden door den zielestrijd in Gethsemané, waar Zijn zweet gelijk groote droppelen bloeds werd, die op de aarde afliepen (Luk. 22: 44); en wie schetst het ons hoe ook Zijn lichaam leed door de ontzettende verlatenheid van God, Zijnen Vader ! Zes uren ongeveer had Hij nu aan het kruis gehangen, verzwakt door bloedverlies en uitterende wondkoortsen. Toen Hij op Golgotha aankwam, had men Hem een bedwelmenden drank willen geven; maar dien wilde, en dien mocht Hij niet aannemen. Nu de drieurige duisternis en de verlatenheid Zijns Vaders voorbij was, herneemt het lichaam zijne rechten, en van daar, dat Hij over dorst klaagde. „Mij dorst"! — ook nu bleef de Heiland in het Woord, en ontleende daaraan de uitdrukking, waardoor Hij lucht gaf aan hetgeen er in Hem omging en wat Hem kwelde. In Ps. 22 klaagt de Heiland: „Mijne kracht is verdroogd als eene potscherf, en Mijne tong kleeft aan Mijn gehemelte", en in Ps. 69 : „In Mijnen dorst hebben zij Mij «dik te drinken gegeven". Hadden de Joden, met al hunne beweerde kennis van Gods Woord, dat Woord werkelijk verstaan, dan hadden ze, bij al hetgeen de waarheid in de laatste dagen tot liunue consciëntiën gesproken had, ook uit de klacht des Heilands: „Mij dorst"! op den Messias moeten zjjn gewezen. Maar zij verhardden hunne harten, en door hunnen Messiashaat waren zij zoo verblind, dat zij den Heiland edik aanboden; vervullende alzoo, tegen hun zin en buiten hunne bedoeling, de Schrift, die dit voorzegd had. Men gaf den Heiland edik op verzuurden wijn. Dit is dan de laatste daad van barmhartigheid, die de mensch in zijne blindheid den Heiland aandoet. Dat moet barmhartigheid heeten? Ach, het is alles een teeken van bespotting ten einde toe; een bewijs, dat de barmhartigheid des vleesches tegen den Eénen Barmhartigen louter wreedheid is, en alleen geschikt om Zijn lijden nog te verzwaren. In die uiterste verlatenheid en overstelpt met spot en smaad, hangt onze Heiland daar aan het kruis om binnen weinige oogenblikken den dood te smaken. In zulk een deerniswaardigen toestand, waarin ons zelfs eene teug frisch water wordt geweigerd, sterft niemand der onzen. Immers, wanneer wij hen niet meer kunnen helpen; wanneer geene medicijnen meer baten, dan geeft do hand der liefde nog eenige lafenis, of zoo die niet meer kan worden genoten, dan bevochtigt men den stervende nog de lippen. Maar onzen Heiland weigert men elke verkwikking. Zulk eene ongerechtigheid en grenzenlooze onbarmhartigheid moest jegens Hem aan den dag komen, opdat geen vleesch zou roemen. In des menschen handeling op het geroep des Ileilands: „Mij dorst"! zien wij, dat Hij de ware Messias, het door God gegeven Lam is, dat de zonde der wereld wegdroeg (Joh. 1 : 29). Immers: ware Hij een Christus geweest, zooals vleesch zich dien voorstelt en begeert, dan zou Hij inet alle onderscheiding zjjn behandeld geworden; dan zouden allen Ziine gunst gezocht en in Hem geloofd hebben. Maar nu Hij de Christus Gods was, de Zoon in Wien de Yader al Zijn welbehagen had, nu kon het niet anders of Hij moest verworpen, ten einde toe miskend en befpt't tn eindelijk gedood viorden. Zóó juist lag het in Gods Raad; zóó moest Hij de eeuwige gerechtigheid en zaligheid vei w e n en voor ver'oienen. Daarom heeft Hij den toorn Gods tegen de zonde gedragen, om ons er van te verlossen; daarom is IIjj voor ons in de helsehe pijn en verdoemenis geweest; daarom kleefde Zijne tong van grooten dorst aan Zijn gehemelte. Den Heiland dorstte. Reizigers, die verschroeiende woestijnen doortrokken, berichten het ons, hoe zij op die tochten meermalen honger en dorst leden in eene ontzettende mate. Maar, zeggen zij, meer dan de honger kwellen kan, martelt de dorst Van alle ontberingen, waaraan wij kunnen onderworpen zijn, moet er geen grootere wezen, die meer aangrijpt en de levensvonk allengskens uitdooft, dan de dorst. Dat ondervond de Heiland, nochtans heeft Hjj dit willen verduren, om daarmede te verwerven, dat wij niet voor eeuwig met den rijken man in de hel geworpen zouden worden, om daar smarten te lijden, zonder eenige droppels water ter verkoeling van onze tong te kunnen bekomen (Luk. 16 : 24). „Mij dorst!" — zoo klaagde de Heiland, en — Hij vond bij menschen geen medelijden om Hem met eene teug verfrisschend water te verkwikken; maar wel drong deze klacht: „Mij dorst!" ten hemel door, en verwierf, dat allen, die naar gerechtigheid voor God dorsten, verhooring vinden ten dage huns roepens. Er is een geestelijke dorst, een verlangen naar God en Zijne gemeenschap bij hen, die uit den Geest zijn geboren. „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mjjne ziel dorst naar God, naar don levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?" (Ps. 42 : 2, 3). „O, God! Gij zijt mijn God! Ik zoek U in den dageraad; mijne ziel dorst naar U, mijn vleesch verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water" (Ps. 63: 2), — zoo roepen Gods heiligen, wanneer zij zich mat, ellendig en dood gevoelen, en begeeren, dat de zegen des Geestes hen rijkelijk overdekke. Bij zichzelven kunnen zij dat niet vinden; daar is het immers alles dorheid en versterving. Maar de Heilige Geest, Die in hunne ziel de begeerte legde naar genade, naar gerechtigheid, naar het water des levens, maakt ze ook dorstende om de vervulling hunner begeerte te zoeken bij den levenden God en den trouwen Heiland, Die hen nooit beschaamt. Om Zijnentwil is de rivier Gods vol water; om Zijnentwil en in Zijnen Naam wordt het allen dorstigen naar de voor God geldende gerechtigheid toegeroepen : „O, alle gij dorstigen! Komt tot de wateren" (Jes. 55: 1); „Zoo iemand dorst, die kome tot Mij, en drinke" (Joh. 7 : 3 7 ) ; „Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet" (Op. 2 2 : 1 7 ) . Zoo roept, lokt en noodigt het Woord onzes Gods allen, die het gevoelen, dat zij het water des levens niet kunnen vinden in alles, waarmede de wereld of de eigengerechtigheid ons wil laven. „Komt den dorstige te gemoet met water" (Jes. 2 1 : 1 4 ) — zoo was de' last des Heeren, en ziet! in Zjjne ontferming kwam en komt Hjj Zelf ons te gemoet: in den heiligen doop, in Zijn Woord, in het Sacrament Zijns doods en in zoovele ervaringen in ons leven. O, dat we daarop letten, opdat wij onszelven geene gebrokene bakken uithouwen, die geen water kunnen houden. Onze Heiland heeft in Zijn dorsten de fouteinen des eeuwigen levens ontsloten, die springen tot in het eeuwige leven. Daaruit drenkt Hij ons en verkwikt onze zielen, wanneer wij bij Hem en het Woord Zijner genade blijven, totdat wij Hem eens zullen zien, daar, waar wij niet meer zullen hongeren en dorsten, waar de zon noch eenige hitte meer op ons zal vallen; want het Lam, dat in het midden des troons is, zal ons weiden, en zal ons een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren (Openb. 7: 16, 17).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.