+ Meer informatie

De laatste vijand

4 minuten leestijd

Zolang als er al mensen op de aarde zijn, is er nagedacht over de dood. Het leven van de mens heeft zijn onherhaalbaar begin, maar ook een onherroepelijk einde. Peinzend daarover, hebben velen vaak gedacht en gezegd: „Dood is dood; een punt achter het aardse leven; meer niet." Op een vrijdenkerskerkhof ergens in Nederland staat geschreven: „Maak u het leven goed en schoon, er is toch geen hiernamaals." Anderen gingen voorzichtiger te werk. Ze zetten liever een vraagteken. „Er is nog nooit iemand teruggekomen uit het dodenrijk. Niemand weet toch immers wat het hierna zal zijn?" In Korinthe had men over deze dingen ook zo zijn gedachten. Vermoedelijk waren daar binnen de christelijke gemeente mensen die zich zo geestelijk en hemels gesteld wisten, dat zij liever vandaag uit het leven wegreisden dan morgen. Jezus was niet meer weg te denken uit hun leven. En sterven betekende voor hen: losmaking van hun ziel uit de banden van het stoffelijke, slechte omhulsel van het lichaam en voortaan altijd bij Jezus zijn. Een groot uitroepteken dus. Hoe rijk, als iemand mag weten: Het beste moet voor mij nog komen.

De apostel Paulus zet ook zo'n uitroepteken in zijn brieven. Maar eigenlijk zet hij een dubbel uitroepteken. In het bijzonder in 1 Korinthe 15. In de eerste plaats voelt hij zich geroepen om de Korinthiërs te zeggen dat de dood niet iets is waarnaar je alleen maar moet verlangen. In 1 Korinthe 15:26 noemt hij de dood een vijand. Geen vriend, maar een geduchte tegenstander die van het leven een puinhoop maakt. En dat is niet van vandaag of gisteren. Het is al zo vanaf de zondeval van de mens in het paradijs. „Indien gij van deze boom eet, zult gij de dood sterven." De mens is geschapen om te leven. Hij wordt, na de zondeval, geboren om te sterven. De dood is straf op de zonde. Zo beleven ook gelovigen het. De gedachte aan een naderend einde houdt hen aan de grond. Ze moeten leren inleveren, loslaten, afsterven aan het zondeleven. En dat kost strijd.
„Het is de mensen gezet om eenmaal te sterven en daarna het oordeel" (Hebr. 9:27). Ik geloof de opstanding des vleses. Maar is het dan voor allen die delen mogen in de verlossing door Christus' bloed niet ook een troostrijke zaak te weten dat „hun ziel (na het sterven) van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden"? (H.C. zondag 22). Zeker, gelukkig die het voor zichzelf geloven mag. Maar er is meer. Men moet in Korinthe niet denken dat verlossing niets te maken heeft met het lichaam. Wanneer men niet gelooft in de opstanding des vleses, halveert men het werk van Christus. Nog erger: men verklaart de lichamelijke opstanding van Christus uit de doden als van geen nut.
Maar als dat zo is, aldus Paulus, dan ontgaat u toch wel een heel belangrijk geloofsstuk. Dan kunnen we eigenlijk de kerkdeuren wel sluiten. Dan heb ik u dus verhaaltjes verteld. En u bent ten diepste een mens zonder toekomst. Maar dat behoeft u niet te zijn. Er is een machtige toekomst voor u. Een dubbel uitroepteken. De dood is weliswaar een (oer)vijand met een enorm uithoudingsvermogen. Maar... hij is toch niet meer dan een laatste vijand. Winnen kan hij nooit meer. Zijn zeggenschap over Gods kinderen is in principe voorgoed voorbij. Toen Christus opstond uit de doden, heeft hij zijn wapens al moeten inleveren. De dood is door een mens, Adam I. De opstanding der doden is ook door een mens, Adam II. En al gaat de dood vooreerst dan nog te keer, als Christus straks terugkomt, zal die laatste vijand voorgoed aan de kant worden gezet. „Dood, waar is uw prikkel; hel, waar is uw overwinning?" (1 Korinthe 15:55).

De graven worden geopend. Kinderen en grijsaards staan op. Hun ziel wordt met hun lichaam herenigd. En allen die de verschijning van de Heere Jezus hebben liefgehad, zullen met een verheerlijkt lichaam eeuwig de Heere mogen dienen. Geen "zielig" lichaam meer, geen doodszweet, geen angst, geen tranen. Nooit meer zondigen, nooit meer. „En de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn" (Openb. 21:4) Sterven is erven: een doorgang naar het eeuwige leven, een overstap naar het Vaderhuis. Maar over het graf mag ook het licht schijnen van de morgen der verrijzenis. Het lichaam „wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in kracht. Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt..." (1 Kor. 15:43). Mag uw leven zo "toekomstgericht" zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.