+ Meer informatie

HERORIENTATIE IN DE CATECHESE (I)* Doen we het goed, zoals we het doen?

13 minuten leestijd

1. Van Stiefkind tot troeteikind.

1.1. Lang verwaarloosd.

De grote pionier op het gebied van de catechese binnen de Nederlandse kerken, dr. P. ten Have, heeft in 1932 de catechese getypeerd als „het Stiefkind van de kerk”. Hij deed dat in een artikel, waarin hij wees op de toenmalige achterstand der catechetische didactiek. In zijn dissertatie uit 1946 over „Een methode van bijbelse catechese” stelt hij opnieuw, dat de taak der catechese binnen de gemeente van Jezus Christus lange tijd verwaarloosd is. Er werd weinig aandacht geschonken aan dit werk, dat toch van zo’n vitaal belang is voor de kerk van nu en van de toekomst. De bezinning ob dit facet van de kerkelijke diaconia werd grotelijks nagelaten, zodat er een behoorlijk achterstand is opgelopen in vergelijking met andere facetten, met alle gevolgen daarvan. De literatuur in ons land over de catechese is op één hand te teilen.

Het veld van de catechese in het algemeen en van de wetenschappelijke bezinning daarop in de catechetiek in het bijzonder is heel sporadisch en slechts summier verkend en ontgonnen, vooral als we dit vergelijken met andere taken der kerk en vakken der theologie. Als dit dan ook voortduurt, kan het de praktijk van de catechese gaan schaden. Ook in de theologische opleiding en vorming van aanstaande dienaren van de kerk is de bestudering van de catechetiek en de bekwaming tot catechetische vaardigheid een in ontwikkeling achtergebleven gebied, zodat de toekomstige catecheet haast ongeschoold zijn taak van onderwijzing der jeugd in de kerken moet gaan beginnen. Vier en twintig colleges voor zeg dertig jaar catechisatie-geven is toch belachelijk weinig!

Wat de gevolgen kunnen zijn van dit stiefmoederlijk bedelen van de catechese? Dat de kennis van het boek der kerk (de Bijbel), van de stem der kerk (de belijdenis), van de gang der kerk (de kerkgeschiedenis) en van de orde der kerk (de kerkorde) afneemt; dat de bijbelvastheid verdwijnt en allerlei wind van leer gemakkelijk kan binnenwaaien. Niet genoeg kunnen we de belangrijkheid van goede catechese onderstrepen. Ik vond een rake Stelling van G.H. Plantinga, gevoegd bij zijn proefschrift over „Jeugd en godsdienstige vorming” (1967), die luidt: „Een van de oorzaken van het geringe aantal theologische Studenten is gelegen in het gebrekkige functioneren van de catechese, hetgeen een gevolg is van het ontbreken van een adequate opleiding in de theologische Studie”. En om nog eens P. ten Have aan te halen, als hij schrijft in „Een vreugdevol bedrijf” (1947): „Het ware nodig, dat binnen het raam van de theologische Studie geschikte colleges in psychologie, sociologie, paedagogie, speciaal didactiek en inzonderheid catechetische didactiek, gegeven werden en dat als regel werd gesteld, dat elke a.s. predikant een bepaald minimum catechetische lesuren onder didactisch verantwoorde leiding had bijgewoond en gegeven”. Dit is misschien wat teveel van het goede, maar het geeft zeker te denken. Vooral omdat het gaat om een uiterst belangrijk deel van de dienst des Woords in het midden van de gemeente, waarbij de toekomst van de kerk en de kerk van de toekomst in geding zijn. Terecht heeft K. Dijk in „De dienst aan de kerkjeugd” (1954) gezegd: „De Catechese mag niet langer het Stiefkind zijn in het ambtelijk werk”.

1.2. Nu meer aandacht.

Gelukkig is er de laatste decennia wat leven en beweging in de catechetische brouwerij gekomen, bijzonder door de impulsen die van het werk van Ten Have zijn uitgegaan. Vandaag worden nieuwe aanzetten aangereikt; nieuwe publikaties verschijnen en nieuw materiaal wordt op tafel gelegd. Dat is verbindend. Het is dan ook noodzakelijk zich hiervan op de hoogte te (laten) stellen en het gegevene en aangebodene te doorlichten en hetzij negatief hetzij positief aan te wenden ten nutte van de catechisaties in deze tijd.

Als ik me beperk tot Nederland, moet ik zeggen dat er vooral bij Rome na 1945 heel wat losgekomen is op het terrein van de catechese. Wie denkt niet aan De nieuwe katechismus uit 1966. Hoewel dit allereerst is bedoeld als een geloofsverkondiging en -onderricht voor volwassenen, heeft de voorbereiding en verschijning van dit werk zijn invloed laten gelden voor heel de catechese daar. In de theoretische of theologische bezinning op de catechese kunnen we na 1945 zelfs een drietal fasen bij Rome onderscheiden. Allereerst is er de traditionele, bijbels-liturgische, in hoge mate nog intellectualistische oriëntatie van de catechetiek (tot ongeveer 1960). Dan ontstaat de meer kerugmatisch-existentiële fase, waarbij toch de liturgie, speciaal de bediening van de mis, nog centraal blijft staan. Zo is dit het geval in „Grondlijnen voor een vernieuwde schoolkatechese”. Doch rond 1970 treedt een derde fase van bezinning in, die we kunnen karakteriseren als de wereldgerichte catechese. Catechese betekent dan een stuk bestaansverheldering van onze plaats in de wereld en historie van nu en wordt dan „heilscatechese” genoemd.

Ook in het Nederlands protestantisme schijnt er iets wakker te worden rond de catechese. Ik denk aan publikaties van Ten Have, Berkelbach van der Sprenkel, Bijlsma, Plantinga en Kuiper. Vanuit de Gereformeerde Kerken verscheen een eerste belangrijke bijdrage „Er zijn nog catechisanten ” en de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk van dit jaar nam ook de catechese in bespreking, terwijl er van die zijde zo juist een boekje verscheen onder de titel „In de leer.... (met het oog op de catechese)”, waarin verschillende bijdragen het terrein van de catechisaties analyseren. Toch moeten we zeggen, dat er binnen de gereformeerde gezindte nog weinig over de catechese is nagedacht en geschreven. Het terrein van de catechese ligt naar theorie en praktijk nog veelszins braak onder ons. Het is jammer, dat er in onze kerken na het commissierapport aan de Generale Synode van 1956 geen voortgaande bezinning is gekomen. Dat moet m.i. weer worden opgenomen en aangepakt. W.a. Brakel schreef reeds in de zeventiende eeuw: „Daar is niets in de wereld, daermede een dienaar Gods meer nut doen kan, dan met catechiseren. Ik kan niet zien, hoe een predikant met een goed gemoed kan leven en sterven, die zijn werk niet maakt van catechiseren”. Er kan niet genoeg aandacht aan de catechese worden besteed !

2. Belangrijkheid, prioriteit en continuTteit.

2.1. Duidelijke opdracht.

Op de achtergrond van alle catechese en onderricht van de jeugd van de kerk en de jonge leden van het verbond ligt een duidelijke, bijbelse opdracht van de Here God.

Reeds onder het oude testament gaf de Here de opdracht aan zijn volk de jeugd in te leiden in zijn openbaring. Als Mozes de Israëlieten in Deut. 6 voorhoudt het gebod, de inzettingen en verordeningen van de Here, hun God, die Hij bevolen heeft hen te leren, opdat zij ze nakomen in het land dat ze in bezit gaan nemen, dan luidt het niet alleen „Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn”, maar ook „gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat” (vs. 6, 7). Verder in dit hoofdstuk valt nog het volgende te lezen: „Wanneer later uw zoon u vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen, die de Here, onze God, u opgelegd heeft? dan zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte, maar de Here heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid;de Here deed voor onze ogen tekenen en wonderen, groot en onheil brengend aan Egypte, aan Farao en aan zijn gehele huis; maar ons heeft Hij daaruit geleid, om ons te brengen in het land dat Hij aan onze vaderen onder ede beloofd had, en ons dit te geven. De Here gebood ons al deze inzettingen te onderhouden en de Here, onze God, te vrezen, opdat het ons altijd wèl zou gaan en Hij ons in het leven zou behouden, zoals dit heden het geval is. En het zal ons tot gerechtigheid zijn, wanneer wij heel dit gebod naarstig onderhouden voor het aangezicht van de Here, onze God, zoals Hij ons geboden heeft” (vs. 20-25). Vergelijk Deut. 11 : 19-21.

En in Psalm 78, een „leerdicht” van Asaf luidt de aanhef : „Wend net oor, mijn volk, tot mijn leer, neigt uw oor tot de woorden van mijn mond; ik wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden verkondigen. Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons hebben verteld, dat willen wij voor nun kinderen niet verhelen; wij willen verteilen aan het volgend geslacht des Heren roemrijke daden, zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft. Hij richtte een getuigenis op in Jacob en stelde een wet in Israël, die Hij onze vaderen gebood hun kinderen te leren, opdat het volgende geslacht die zou kennen, de kinderen, die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze te verteilen aan hun kinderen: opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen, en Gods werken niet vergeten, maar zijn geboden bewaren; en niet worden gelijk hun vaderen, een weerbarstig en weerspannig geslacht, een geslacht, onstandvastig van hart, en welks geest niet trouw was jegens God” (vs. 1-8).

Het was dus in Israël de plicht van de ouders hun kinderen en van de oudere generatie de kornende generatie te onderwijzen in de grote daden des Heren, in zijn getuigenissen, inzettingen en verordeningen. Zij moesten aan hen, hun kinderen ende jongeren, weer doorgeven wat ze zelf van hun ouders en voorgangers hadden gehoord. Zo werd in een tijd van bijna uitsluitend mondelinge overlevering de traditie van Gods daden van geslacht tot geslacht doorgegeven.

In het oude testament is dus vooral het gezin de plaats voor het godsdienstig onderwijs, dat naast „leren” ook al vroeg een „meedoen” vraagt. Aan de paasmaaltijd bijvoorbeeld vroeg de oudste zoon aan de vader, waar dit feest op sloeg en dan moest de vader verteilen over de verdrukking in en de uittocht uit Egypte. Wanneer men längs de Jordaan liep en men kwam bij de plaats waar te Giigal een hoop stenen waren opgericht en de kinderen wezen de vaders daarop: Wat betekenen deze stenen? dan moest hen verteld worden, dat Israël hier droogvoets door de Jordaan achter de ark aan het land was binnengetrokken!

Rond het begin van onze jaartelling, tussen de beide testamenten in, schijnen er ook scholen te zijn geweest. Ze werden vanuit de Synagogen in het leven geroepen en soms ook in de Synagogen gehouden. Het waren echte „leerhuizen”. Er werden wetsleraren, meestal priesters, aangesteld om de jongelui uit Israël vanaf hun zesde jaar de Tora te leren lezen en uitleggen, totdat ze op 12- of 13-jarige leeftijd bar-mitswa, zoon der wet, werden. Dan hield men ze voor mondig, zelfstandig, zelf in Staat om Gods wil te onderkennen uit het onderwijs der heilige rollen en daaraan vorm te geven in hun eigen leven van elke dag.

In de kerk van het nieuwe testament vinden we in het begin niet zo’n sterk accent op de onderwijzing van de jeugd. Dat vindt zijn oorzaak in het feit, dat de gemeente toen allereerst met volwassenen te doen had, die of uit het jodendom of uit het heidendom tot haar geleid werden. Toch lezen we al spoedig van onderwijs binnen de gemeente zelf. Die tot het geloof in Christus kwamen, moeten nader onderricht worden in de weg en het leven met deze Here en Heiland. Hier ligt allereerst een taak voor de ouders. Zo staat er in Efeze 6 : 4: „En gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht en terechtwijzing des Heren”. En in 2 Tim. 3 : 14-17 schrijft de apostel Paulus aan zijn medewerker Timotheus: „Blijf gij……. bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wèl bewust van wie gij het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus Jezus. Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust”. Verder zien ook de voorgangers, de apostelen en evangelisten, het als hun opdracht gemeenteleden en gemeenten te onderwijzen, het heil van Christus nader uit te leggen en in zijn consequenties aan te geven; zie: Luk. 1 : 4, Hand. 18 : 25, Gal. 6 : 6 en Hebr. 6:1-3.

De Here schakelt in oud en nieuw verbond zelf de onderwijzing in als een middel tot het (al meer) kennen van Hem en zijn heil. En door deze onderwijzing wil Hij zijn gemeente bewaren, zegenen en bouwen.

Laten we vanuit het bovenstaande goed vasthouden:

1. dat de opdracht tot onderwijzen en doorgeven in de eerste plaats de ouders geldt;

2. dat het gaat om onderricht binnen de gemeente aan haar doopleden;

3. dat het in dit onderricht aankomt op het doorvertellen van de grote daden Gods in de heilshistorie;

4. dat het doel van dit onderricht hierin bestaat, dat een jongere generatie van het verbond en van de kerk deze God in zijn daden van heil zal leren kennen, d.i. deze God zal vrezen, met Hem leven en in deze wereld dienen.

2.2. Uitgesproken prioriteit.

Zo bezien is de catechese geen zoveelste-rang taak in de gemeente van Jezus Christus, maar behoort haar een uitgesproken prioriteit gegeven te worden in alle kerkelijke activiteiten. Zo heeft de kerk der Reformatie het ook steeds gezien. Ze heeft zich daarom intens met het catechetiseren bezig gehouden en er zich keer op keer indringend en zonder misvatting over uitgesproken.

Op het Convent te Wezel in 1568 hebben de Nederlandse afgevaardigden eenstemmig de noodzaak van catechetiseren onderstreept en betuigd, dat deze dienst door alle kerken stellig moet onderhouden worden. We kunnen ook wijzen op de Dordtse Synode van 1618/19, waar gesproken is over huis-, school- en kerkcatechese in navolging van Calvijn en waar voor deze drievoudige onderwijzing allerlei waardevolle aanwijzingen werden gegeven. Men ziet de Heidelbergse Catechismus, het Kort Begrip van ds. Faukelius en het zgn. ABC- of Haneboekje als geschikt catechisatiemateriaal.

De kerk der reformatie in Nederland heeft het onderwijzen van de kerkjeugd zo belangrijk geacht, dat ze verordende dat nalatige ouders vermaand moesten worden, dat de school- of catechiseermeesters de gereformeerde belijdenissen moesten ondertekenen, dat de kerkeraden toezicht moesten houden op het godsdienstonderwijs op de scholen en dat in de beroepsbrieven van de predikanten als een primaire opdracht werd opgenomen: dat zij hadden te behartigen de prediking van het Woord èn „het onderwijzen van het zaad der kerk in de leer des heils” (oude formulier) of zoals het in de nieuwe zetting luidt: „Zij moeten de jeugd van de gemeente onderrichten in de Schriften, die haar wijs kunnen maken tot zaligheid, opdat zij door Godsgenade zal komen tot belijdenis des geloofs in Christus Jezus”.

Waarom werd deze opdracht, deze diaconia van de kerk, als zo primair en belangrijk gezien?

2.3. Noodzakelijke continuiteit.

De belangrijkheid van de catechese ligt daarin, dat de continuiteit van het geloof en van de kerk in geding is. Daarom is het beste hier nog niet goed genoeg. Op de catechisaties wordt de kerk van de toekomst gevormd en zijn we bezig met het doorgeven van het heilsgoed, van het geloof, de heiligen toevertrouwd, aan de volgende generatie. Daarom is getrouwe catechese zo uitermate belangrijk!

God gebruikt het kerkelijk onderwijs krachtens zijn eigen wil tot voortgang van zijn heil en werk. Zij zorgt er mede door middel van onze catechese voor, dat de kennis van zijn Naam ook weer beslag krijgt in en meegaat met de volgende geslachten.

Omdat in de catechese zo de continufteit van het geloof en van de kerk behartigd wordt, is permanente bezinning, theologische doorlichting en praktische vorming zonder meer geboden. Daarom is de vraag gewettigd: Doen we het wel goed, zoals we het tot nu toe doen?

* Dit is een lezing, die we Melden voor de ambtsdragers-conferentie van de classis Den Haag en die op verzoek van deze conference wordt gepubliceerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.