+ Meer informatie

GESPREKKEN MET UITKERINGSGERECHTIGDEN

6 minuten leestijd

Deputaten Kerk en Bedrijfsleven hebben o.a. als taak gekregen „zich te bezinnen op de vragen en de consequenties van het kerk- en christenzijn in een industriële samenleving, en de resultaten daarvan aan de kerken door te geven”. In dat kader zijn er door depu-taten de laatste jaren activiteiten ontwikkeld die de problematiek van de economische teruggang aan de orde stelden. Te noemen vallen:

- gesprekken met een aantal gemeenten van onze kerken over wat economische recessie betekent voor het gemeente-zijn;

- de brochure Kerk en Crisis die aan alle predikanten en kerkeraden is toegezonden en inmiddels „uitverkocht” is;

- het beleggen van bezinningsavonden in elke classis, samen met de classicale diaconale commissies, waaraan veel diakenen hebben deelgenomen;

- het voeren van gesprekken met mensen die de pijn van de teruggang het meest ervaren, de uitkeringsgerechtigden.

Over deze laatste gesprekken willen deputaten de ambtsdragers informeren.

Deputaten hebben gemerkt dat mensen met een uitkering extra gevoelig zijn. Voor hen is dit een tere zaak, die door ambtsdragers alleen met wijsheid en fijngevoeligheid aan de orde gesteld kan worden. Een ambtelijk of gewoon bezoek waarbij in het begin allerlei oordelen over „luxe, uitkeringstrekkende zwartwerkers” te berde worden gebracht, nodigt niet uit om vervolgens aan die ambtsdrager de problematiek van uitgeschakeld zijn voor te leggen. Als u het voorbeeld wat overdreven vindt, moet ik u tot mijn spijt vertellen dat het een praktijkgeval is.

De wat botte generaliserende manier van omgaan met uitkeringsgerechtigden zou mede veroorzaakt kunnen worden door het feit dat binnen de kring van ambtsdragers lang niet altijd bekend is wie werkloos is of een bijstandsuitkering krijgt. Dat ambtsdragers dat niet weten komt o.a. doordat de mensen niet gewend zijn deze zaken in een ambtelijk gesprek in te brengen. Als de mensen er niet over praten is het voor ambtsdragers moeilijker één en ander op het spoor te komen. Zo kan de gedachte postvatten dat „deze problemen bij ons niet voorkomen”.

Daar komt bij dat de jongere generatie ambtsdragers - die de crisis van de jaren dertig niet heeft meegemaakt - ook niet gewend is aan deze problemen aandacht te schenken. Zo is de opmerking van een werkloze te begrijpen dat „ambtsdragers meer oog hebben voor de nood van zieken dan van werklozen”. De oude pastorale raad dat ambtsdragers hun wijk moeten kennen, heeft nog niets van zijn kracht verloren. Evenmin het belang dat de mensen geleerd hebben dat ze „hun” ambtsdragers kunnen vertrouwen.

Een andere zaak is dat er vaak de behoefte is vóór uitkeringsgerechtigden iets te doen. Er zijn in dat opzicht allerlei initiatieven door diaconieën en kerkeraden ontplooid. De respons daarop is lang niet altijd naar verwachting, wat voor de initiatiefnemers teleurstellend is. Het is niet leuk om enthousiast iets te beginnen voor een groep mensen in nood en die groep blijkt dat maar amper op prijs te stellen. Eén van de oorzaken daarvan kan zijn dat er onvoldoende geluisterd is naar de mensen die het aangaat. Iets doen voor b.v. werklozen zonder met werklozen over dat „iets” te spreken, leidt tot niets.

Zoals werd opgemerkt „je zit met mensen in de kerk die het heel goed hebben”. Als die mensen tegen iemand met een WAO-uitkering zeggen: „Ga maar genieten, je krijgt 80 procent” of „Je bent toch fijn van je werk af” of „Het zal wel meevallen”, voelt degene die uitgeschakeld is in het arbeidsproces, zich niet begrepen in de kerk. Mensen willen, zeker in die situatie, serieus genomen worden. Er niet meer bijhoren in het werk mag niet betekenen dat mensen in de kerk er ook niet meer bijhoren. Juist de manier van omgaan met elkaar is dan van groot belang. „Ik heb waardering ondervonden in de vorm van lintjes, speldjes, oorkondes, een erepenning en dan ineens, na 43 jaar, eruit, terug naar af, je bent niets meer”, zei iemand. En hij vervolgde: „Ik heb het gevoel dat als je afhankelijk bent van een uitkering je een beschadiging hebt opgelopen. Er is wrok en verdriet”. In die situatie is de behoefte erbij te horen, met name in de kerk, niet alleen begrijpelijk, maar terecht. Ambtsdragers mogen laten blijken dat mensen niet waardeloos, uitgerangeerd zijn in de gemeente van de Here Jezus Christus.

Nog weer een andere kant is dat het recht op uitkering door velen die zelf geen uitkering hebben, meer gezien wordt als een gunst. Dat leidt ertoe dat buitenstaanders zich het recht aanmatigen om een oordeel uit te spreken over b.v. de geldbesteding van mensen met een uitkering.

„Waar doen ze het van” wordt dan gezegd. En de achterliggende onuitgesproken gedachte is soms dat uitkeringsgerechtigden bepaalde uitgaven niet zouden mogen doen. Er wordt dan op een bepaalde manier op hen gelet. Deze manier van letten op is bepaald niet de zorgvolle aandacht voor elkaar zoals bedoeld in het ambtelijk contact.

Daarbij komt dat er soms ook heel generaliserend over mensen met een uitkering gesproken wordt. De indruk wordt dan gewekt dat allen lui zijn en te beroerd om te werken. Of dat de meesten naast hun uitkering een riant zwart loon verdienen door te klussen. Ook al komen uitwassen als uitzondering mogelijk voor dan maken generalisaties, waarbij allen over één kam worden geschoren, dat mensen zich niet erkend voelen en zich in die beelden ook niet herkennen. In het uitspreken van oordelen kan zo gemakkelijk gekwetst worden. En ook al bedoelen we het goed, dan nog is het fout. In het evangelie van Mattheus en de brief van Jacobus lezen we niet voor niets fundamentele opmerkingen over oordelen.

De tering naar de nering zetten is een wijsheid die in het dagelijkse leven moeilijk te realiseren is. Tien gulden meer is gemakkelijker uit te geven dan één gulden minder. Voor veel mensen is het aanvragen van een bijstandsuitkering al vernederend. En een achteruitgang in financiën in een samenleving die kijkt naar de grootte van het inkomen, valt niet mee. De vraag of de kerkelijke bijdrage echt omlaag moet, kan dan ook beter niet worden gesteld.

Dat wetten die sociaal bedoeld zijn en dus het beste met mensen voor hebben, toch onrechtvaardig kunnen zijn bewijst bijv. de voordeursregeling. Iemand met een bijstandsuitkering kwam in de problemen toen haar zoon een baan kreeg. Een stuk van de uitkering viel weg en ook de huursubsidie werd ingetrokken. Het salaris van de zoon plus het restant van de uitkering kwam op hetzelfde uit als de eerste uitkering met de huursubsidie. Alleen: nu is de moeder afhankelijk van de welwillendheid van haar zoon, die zijn salaris thuis moet inleveren. En een zoon die werkt en zich daardoor ook financieel zelfstandiger voelt, is dat praktisch niet, tenzij hij zijn moeder minder geld geeft. Kortom een situatie die voor de onderlinge relatie niet goed is.

Deze verschillende verhalen, gedestilleerd uit gesprekken met mensen met een uitkering, hebben bij deputaten de behoefte gecreëerd om aan de ambtsdragers door te geven:

- neem uitkeringsgerechtigden serieus;

- spreek geen oordeel uit; luister goed;

- laat merken dat we bij elkaar horen door samen dingen te doen.

Oog en oor voor elkaar hebben kan immers in één Lichaam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.