+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

„Maar door al die tekortkomingen heen is de Heere de Getrouwe gebleven in het zorgen voor Zijn pelgrimsreizigers”, merkte Barmhartigheid op Zijn trouw is groot, wonderlijk groot, daar onze ontrouw er door verslonden wordt, om haar met des te meer smart te bewenen voor Zijn aangezicht Door zich te verdiepen met die innige droefheid over onze ontrouw in Gods onveranderlijke trouw, wordt het steeds meer een roemen in Zijn goedertierenheid en barmhartigheid. Toen deze vrouwen in het spreken daaruit tot verheerlijking van de Heere en tot onderwijzing van de kinderen de weg vervolgden, kwamen zij in de nabijheid van een huis, dat aan de weg was gebouwd ten dienste en tot verkwikking van de pelgrims. Een huis, dat aller aandacht trok en bleek te zijn het huis van Uitlegger, waarvan zij wel eens hadden gehoord.

Gekomen bij de deur van het huis hoorden zij van binnen uit een levendig gesprek. Het kwam haar voor als hoorden zij de naam van Christinne uitspreken, want u moet weten, dat het gerucht reeds vóór haar uitging, dat zij zich met haar kinderen op reis had begeven. En dat gaf te meer oorzaak tot blijdschap, omdat men gehoord had, dat zij de vrouw was van de Pelgrim, dezelfde die er vroeger niet van wilde horen de pelgrimstocht te aanvaarden De vrouwen bleven dus staan en hoorden, dat de goede mensen daar binnen over haar spraken, weinig vermoedende wie daar buiten voor de deur stonden. Eindelijk klopte Christinne, evenals vroeger de Pelgrim, aan de poort. Weldra verscheen er dan ook een jong meisje, genaamd Onschuld, die de deur opende en naar buiten keek, en zie daar stonden twee vrouwen.

Als vanzelf vroeg het meisje; „Wie wenst gij hier te spreken?” Maar dat was niet in de eerste plaats het doel van het kloppen aan de poort, het ging om een nachtelijk verblijf in dit zo vermaarde huis voor pelgrims.

„Wij me nen”, zo sprak Christinne, ”dat hier een onderkomen wordt verleend aan pelgrims en daar wij ons op de pelgrimsreis bevinden, verzoeken wij vriendelijk hier te worden ontvangen, want, gelijk als gij ziet, begint het reeds donker te worden, en kunnen wij met het oog op de invallende nacht moeilijk verder reizen”.

Op de vraag van het meisje: „Mag ik dan uw naam weten, dan kan ik uw verzoek aan miin heer overbrengen?” werd door de weduwe van de Pelgrim geantwoord: „Mijn naam is Christinne, de vrouw van de pelgrim, die enige jaren geleden deze kant uit kwam, en dit zijn onze vier kinderen. Dit meisje is een vriendin van mij en is, evenals ik, op de pelgrimsreis” Op het horen van deze woorden liep Onschuld naar binnen en zeide tot degenen, die zich daar bevonden: „Raadt eens wie hier voor de deur staat! Daar is Christinne met haar kinderen en haar vriendin, allen verlangende hier te worden binnengelaten”.

Toen sprongen zij op van blijdschap en gingen het hun meester vertellen. En terstond kwam hij naar buiten, en haar ziende zeide hij: „Zijt gij die Christinne, welke de Pelgrim, die goede man, heeft moeten achterlaten toen hij de pelgrimsreis aanvaardde?”

„Ja”, zei Christinne, „ik ben de echtgenote, die zo hardvochtig was, dat ik mij aan zijn kommer en verdriet niet gelegen liet liggen en hem alleen liet trekken; en dit zijn onze vier kinderen Maar nu ben ik óók gekomen, want ik ben overtuigd dat dit de enige goede weg is”.

„Dan wordt tot onze vreugde vervuld”, zeide Uitlegger „hetgeen geschreven staat van de man, die tot zijn zoon zeide „Werk heden in mijn wijngaard”. en hij zeide tot zijn vader: „Ik wil niet” maar daarna heeft hij berouw gehad en is heengegaan”.

„Amen”, zei Christinne „God geve, dat dit woord aan mij bevestigd worde en ik eindelijk door Hem moge worden bevonden zonder vlek en zonder rimpel”.

Van hart tot hart werd hier bij de poort van dit vorstelijk huis gesproken Hier ging het om herkennen van elkander in de Heere, tot onderhouding van de gemeenschap der heiligen.

„Maar waarom blijft gij zo buiten staan? Kom binnen”, zei Uitlegger, „gij dochter Abrahams. Wij spraken juist over u, want wij hadden reeds vernomen, dat gij een pelgrim geworden waart. Komt kinderen, komt binnen, en gij ook, jonge dochter!” En op deze vriendelijke uitnodiging traden zij allen het huis binnen. Hier werden zij uitgenodigd plaats te nemen en wat uit te rusten, hetgeen zij gaarne deden. En nu kwamen allen, die gewoon waren voor de pelgrims te zorgen, die daar hun intrek namen, binnen om hen te begroeten en welkom te heten. Zij lachten de vrouwen zo vriendelijk toe van blijdschap, dat Christinne nu ook het goede deel had gekozen. En zij zagen de knapen ook aan met de innigste belangstelling en ontvingen hen hartelijk. Maar niet minder genegenheid betoonden zij aan Barmhartigheid, zodat allen gevoelden, hoe welkom zij waren in het huis van de Meester”.

Zie, dat is nu de warmte van de liefde, waarmee deze geestelijke familie vervuld is, omdat de liefde Gods in hun harten is uitgestort door de Heilige Geest.

Na enige tijd nodigde Uitlegger, daar het avondeten nog niet gereed was, de nieuwe bezoekers uit met hem de betekenisvolle kamers te beschouwen en daar toonde hij hun de dingen, die de Pelgrim vroeger ook had gezien. Hier zagen zij de man in de ijzeren kooi; de man, die zich zegevierend door de vijand heensloeg, en al die zinnebeelden waarvan de verklaring voor de Pelgrim zo nuttig was.

Door de man in de ijzeren kooi wordt het ons tot op de dag van heden betuigd, dat het ongeloof alle hoop op Gods genade ontneemt, zodat het bidden om de vervulling van Gods beloften tot vernieuwing en bekering er door verlamd wordt. Toen hem het geloof, dat het wel met hem stond voor de eeuwigheid, kwam te ontvallen, kwam hij steeds dieper weg te zinken in de redeneringen van het ongeloof. Terwijl de Schrift ons toch ontdekt aan onze droggronden om van de Heere het geloof te begeren dat Hem aankleeft en vreest. In het ware geloof gaat het niet om krediet voor zichzelf, maar voor de Heere, om door Hem gezaligd en zalig gesproken te worden.

Gans anders was het met de man, die de Heere niet langer kon missen, zodat hij in het komen tot Hem door alle tegenstand heen mocht dringen. En zo werd hij tot roem van Gods genade een medeburger der heiligen en huisgenoot Gods.

Op deze twee mannen wijst Uitlegger de pelgrims tot op deze dag, tot beproeving van ons innerlijk leven. Het is zo erg als men met zijn godsdienst klaar is, terwijl de Heere zegt: „Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de Naam des Heeren betrouwen”.

Nadat zij al deze dingen gezien en daarna enige tijd rust genomen hadden, bracht Uitlegger Christinne en haar gezelschap nog in een ander vertrek. Daar zagen zij een man, die slechts naar beneden kon zien. In zijn hand had hij een vuilnishark, en boven zijn hoofd stond iemand met een hemelse kroon, welke hij hem aanbood in ruil voor die vuilnishark. Maar de man keek niet op en deed niets anders dan de strootjes, de stokjes en het vuil van de grond bijeen en naar zich toe harken. Wat het natuurlijke leven betreft, is deze man in het werk dat hij kwam te verrichten te waarderen. Hij vervulde zijn aardse roeping met nauwgezetheid. Maar vanwege zijn erfelijk gebrek kon hij alleen naar beneden zien, zijn nekspier was verlamd, zodat hij de kroon, die hem aangeboden werd, niet zag en zelfs niet kon zien. Ja, verlamd is de mens door de zonde in Adam, niet in staat hart en hoofd op te heffen tot de Heere. Het is een dodelijke kwaal, waarvan wij alleen door de Heere bevrijd kunnen worden.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.