+ Meer informatie

Een bladzijde voor en van onze jeugd

7 minuten leestijd

Een praatje vooraf.

Wat gebeuren er toch veel ongelukken, jongelui. Vooral weer in deze drukke maanden. Iedere avond kun je het in de krant lezen hoe mensen onverwachts uit het leven weggerukt worden. Daar zijn ock zoveel jonge mensen bij. Jongens en meisjes, net als jullie, van acht tot zestien. Wees toch voorzichtig jongens bij alles wat je doet; waag toch nooit iets. Je 'hebt van die jongens en meisjes die alles durven. Maar je weet dat ik op de landdag nog gezegd heb; dat zijn geen helden. Je bent pas een held als je alles durft, wat God van je vergt. Ik wilde wel dat jullie van die helden waren.

Het zou toch zo erg zijn als jullie iets overkwam. Je zou voor je gehele leven verminkt kunnen zijn of nog erger, je zou ook ineens uit het leven weggeroepen kunnen worden en wat dan? Kunnen we sterven? Dit is een ernstige vraag, en wat ik je bidden mag, leg ze nu eens niet naast je neer, maar geef eens eerlijk antwoord. Iedere dag kan ook voor jullie de laatste zijn; denk daar toch veel aan, jonge vrienden; bid zonder ophouden, want dat is het middel, dat de Heere ons in Zijn woord bevolen heeft. Begin en eindig geen dag zonder God. Kom maar eerlijk voor je mening uit, over al waar je bent; ja, ook in de vakantie. Zoals ik beloofd heb, plaats ik nu het eerste opstel over de natuur: het is van Marijke de Wilde uit Vijfhuizen.

In de natuur.

Als we in het najaar of in de zomer door de uitgestrekte velden lopen dan horen we de vogels fluiten in de lucht. Hoog boven de weiden cirkelen de torenvalken op zoek naar hun prooi en al gauw horen we de bekende roep van de kievit „kie wiet" „kie wiet." De kievit is één van de bekendste vogels. In de winter als het koud is trekken ze naar het warme zuiden en in het voorjaar komen ze weer terug. Toch blijven er ook weieens enkele kievieten de winter over in ons land.

Men kan de kievit herkennen aan de kuif op z'n kop. De kievit is, zoals jullie wel zullen weten, een weidevogel uit de familie der pluvieren; hij wordt ongeveer 34 cm lang.

In het voorjaar draait hij een kuiltje in de grond of in de wei en legt er een beetje stro of iets dergelijks in en dan legt het vrouwtje er haar eitjes in; ze legt er meestal drie of vier. Het eerste kievitsei wordt aan de Koningin gegeven. De eitjes zijn groenig zwart gesprikkeld; men ziet ze niet gauw als men ze zoekt. Als de kievit je aan ziet komen vliegt hij niet gelijk op, eerst loopt hij een eindje weg en dan pas vliegt hij weg. Zodoende vindt men niet gemakkelijk z'n nest. Gedurende enkele weken mogen de eitjes geraapt worden. De kievit zit graag op drassig land. Het vrouwtje broedt haar eitjes ongeveer drie weken, dan breekt het schaaltje en er komt een klein kievit je uit. Deze kan al gauw lopen, maar nog niet vliegen. Ze hebben een goede schutkleur: bruinachtig zwart. Ook de pootjes en de snavel zijn zwart.

Het is een prachtig gezicht als de jonge kievitjes over het land springen; zij moeten al gauw voor zichzelf zorgen. Als ze groter worden gaan ze vliegen en dan horen we ook al gauw hun roep over de weiden „kie wiet" „kie wiet."

Op het land bij onze boerderij hebben we acht kievitseieren gevonden, twee nestjes met vier. We hebben toen opgeschreven wanneer we ze gevonden hadden en zijn geregeld wezen kijken. Na drie weken was het nestje leeg, na enig zoeken vonden we eerst één kievitje en later drie. Ze hadden zich verscholen achter een aardappelplant. De andere vier van het tweede nestje hebben we nooit gevonden. Ook vonden we nog een merelnestje met vier eitjes.

Marijke de Wilde

Ik hoep, dat je de eerste bent van een lange rij Marijke. Wat kun je toch heerlijk genieten in die uitgestrekte polders van de Haarlemmermeer. Het is maar goed dat je er bij schreef waar Vijfhuizen ligt, want ik wist het echt niet. Hier op het eiland Flakkee ligt het dorpje Achthuizen en in Zevenhuizen ben ik ook wel eens geweest, maar van Vijfhuizen had ik nog nooit gehoord. Zo doen we met elkaar nog wat aardrijkskunde op. Stuur je nog eens een opstel?

Het tweede opstel, dat ik kreeg is wel niet zo lang, maar toch wel mooi. Er staat boven:

Koekoek

„Koekoek!" „Koekoek!" Wat was dat? Ik hoorde dicht bij huis de koekoek roepen. Hoor daar was het weer. „Koekoek." „Koe koek." Ik keek naar buiten en ja hoor, daar zag ik hem zitten; boven op een paaltje. Er kwamen twee kieine vogeltjes aanvliegen, die naar de koekoek toe gingen. Deze vloog echter weg en de kleine vogeltjes vlogen mee. Ze vlogen zo ver weg, dat ik ze niet meer zien kon. Toen ik de volgende dag naar school ging, zag ik weer een koekoek, maar nu vlogen er wel tien vogeltjes bij. En hard dat ze gingen. Ze vlogen naar een paar bomen. Ik ben daar een poosje blijven staan, want ik vond 'het zo mooi. Later heb ik hard moeten rijden om niet te laat op school te komen.

TRUUS SLABBEKOORN, Wolphaartsdijk.

Je hebt dus hard moeten fietsen Truus? Ja, de natuur is ook zo mooi, dat je alles om je heen vergeet.

Weet je wat ik zo fijn vind? Je bent niet vergeten om mij gauw je opstel te sturen. Nu kunnen we allemaal meegenieten. Het opstel van je zusje Mien bewaar ik tot de volgende keer.

Na jaren

Hij toog naar vreemde landen Met groene wandelstaf. Na jaren kwam hij weder, Toen viel het herfstloof af.

Aan 't huisje van zijn moeder Daar bleef de zwerver staan. De kind'ren weken bange De keeshond gromde 'm aan.

Hij keek naar 't oude venster, Hij keek naar 't oude dak: Hij hoorde een vreemde spreken Waar eens zijn moeder sprak.

En ogen spiedden, vragend, En schuw, door 't vensterglas; 't Leek alles hem zo vreemd nu, Wat eens zo innig was.

De gele linde glimlachte In 't avondrood zo moe, En stak de vriend van vroeger Trouwhartig de armen toe.

En zij sprak nog haar tale Met de eigen innigheid, En neurde op de eigen wijze Een lied uit vroeger tijd.

G. W. Lovendaal.

Vragen staat vrij.

Zo nu en dan komt er eens een brief, waarin dan iemand mij een vraag stelt. Ik vind, dat natuurlijk reuze leuk. Dit keer kreeg ik zelfs een brief met drie vragen. Ik vind het wel jammer, maar twee van de drie moet ik onbeantwoord laten. Waarom zal je zeggen? Wel, er wordt gevraagd naar het verschil tussen onze Gemeenten en twee andere, die erg veel met ons gemeen hebgen.

Nu is „Daniël" een jeugdblad en geen strijdblad en ik ben zo bang, dat er wel eens reacties zouden kunnen komen van die anderen, die het niet met ons eens zijn. Laten we de vrede liefhebben en bewaren. Het is jammer genoeg dat de verschillen er zijn. Laten wij biddend hopen, dat ze nog eens weg mogen vallen. Op de derde vraag wil ik wel even ingaan. Een vriend vraagt me iets te schrijven over de gebedshouding. Op catechisatie heb ik vroeger geleerd: Onder een heilige gestalte van het hart en een zedige houding van het lichaam. Wat is nu die zedige houding?

Deze hangt af van waar men zich bevindt. Bij het persoonlijk gebed, waar je dus alleen met God bent, is knielen de juiste houding. Knielen is ootmoedig God aanroepen, om genade en hulp. In de openbare eredienst is volgens mij voor mannen en jongens de juiste houding om te gaan staan; deze houding drukt eerbied uit. De gebeden bij de maaltijden worden zittend uitgesproken door vader of één van de oudste kinderen. En zo zou ik nog meerdere voorbeelden kunnen geven. Onze bladzijde is nu vol, maar een andere keer hoop ik hier toch even mee door te gaan. Lees vast maar eens door wat ds. Smijtegelt in z'n „Maandagse Catechisatieën" er van zegt. Doen hoor!

C. DE BODE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.