+ Meer informatie

Uit de Praktijk

8 minuten leestijd

16

Goede avond; ja dat komt gelegen dat jullie ons weer komen bezoeken; ’t is inmiddels weer een poos geleden, maar over dat laatste bezoek heb ik veel nagedacht. Wij waren het met u niet eens over sommige zaken, die toen ter sprake kwamen, maar het was toen al zo laat geworden, dat het hoog tijd was om af te breken.

Ja vriend, dat herinner ik mij nog wel. Ik heb toen wel gemerkt dat u het met onze mening niet eens was. Laat ik nu vooruit zeggen dat onze mening geen gewicht in de schaal legt; alleen Gods Woord is richtsnoer. Vandaar dat wij toen gedurig heenwezen naar hetgeen de Heere ervan heeft laten beschrijven, en ik meen dat wij daaruit gesproken hebben. Maar er is toen zo veel besproken, misschien kunnen we er nu wat nader over spreken, dus kom er maar mee voor de dag.

U sprak toen over een pasgeboren kind, dat ter wereld is gekomen, liggende onder de vloek en toorn Gods. Dat kan ik maar moeilijk begrijpen, zo’n klein kind dat nog van geen goed of kwaad afweet, ’t is toch eigenlijk nog onschuldig en het heeft toch nog geen kwaad gedaan, nee dat kan ik niet begrijpen. Vriend, wij hebben toen gezegd dat de mens van nature dat niet gelooft. Hoe weinig ouders ontmoet men, die dit hartelijk geloven. In het Doopformulier staat: „dat wij in zonden ontvangen en geboren zijn”, en op de Doopvragen antwoordt men voor de preekstoel volmondig of schuchter met: ja.

Gods Woord leert ons duidelijk: hij gewon een zoon naar zijn gelijkenis en zijn evenbeeld. En welke gelijkenis en beeld was dat? Van een gevallen Adam! Deze zoon is niet geboren in de staat der rechtheid, dat is in het paradijs, maar in de staat der slechtheid, dat is na de zondeval, dus buiten het paradijs, en nu vertoont deze zoon van buiten wel de gelijkenis van zijn vader, maar ook van binnen is hij even verdorven als zijn vader. Denk hierbij dat Adam gevallen is als bondshoofd, vandaar staat er: dat wij allen in Adam gezondigd hebben, dus komen wij als gevallenen ter wereld, en dragen mede de vloek en straf, op de zonde bedreigd.

Door de val zijn wij zondaars geworden en liggen wij onder het oordeel des doods, en wat kunnen wij, zo zijnde, anders voortbrengen dan vruchten des doods?

Ga uw kinderen maar eens na, wat zijn ze nog zeer jong als zij reeds de tekenen vertonen van hun verdorvenheid. Er wordt wel gezegd: het kwaad zit er al vroeg in; men kan ook zeggen: het kwaad komt er al vroeg uit. Als wij ter wereld komen, zitten alle zaden der boosheid in ons. Is dit u nu een beetje duidelijk geworden?

Nou ja, ik kan daar niets tegen zeggen, maar ik vind het moeilijk om dit te begrijpen. Ik denk vriend, dat het nuttiger is om dit te geloven, dan om het te begrijpen. Van nature willen wij graag alles begrijpen, maar de waarheden Gods te geloven en te omhelzen is zaliger. Verstaat u nu dat wij de vorige maal spraken dat een kind net zo goed als een volwassene vernieuwing des harten van node heeft? Zijn we reeds met onze geboorte zo verdorven in ons bestaan, zodat wij geen wezenlijk goed kunnen voortbrengen, wat moet er van ons terecht komen als de Heere niet ingrijpt? Want wij liggen in onze bondsbreuk geestelijk dood, zijn de tijdelijke dood onderworpen, en moeten de eeuwige dood inwachten. Als deze dingen gewichtig voor ons worden, en de eis des Heeren op ons gemoed komt: „Bekeer u tot Mij”, dan beginnen de vrolijke dagen op te houden, en kunnen wij niet meer door met onze redeneringen, want dan krijgen wij met God te doen, en kunnen voor Hem niet bestaan. Dan wordt het waarheid van binnen, en leren wij kennen in welk een poel van ellende wij ons zelf gestort hebben, waaruit we ons zelf niet kunnen verlossen. Daar is een wonder van Boven voor nodig, daar moet de Heere aan te pas komen. En wanneer dat gebeuren mag, dan krijgt men veelal eerst met zijn eigen dadelijke zonden te doen, en bij voortgaande ontdekking waar de zonde vandaan komt. Er wordt wel eens gevraagd: Is u wel eens in het paradijs geweest? En dan wordt eigenlijk bedoeld: hebt u kennis gekregen aan uw val in ’t paradijs, is dat uw val geworden? Want daar komt het op aan. En is ook daar voor u de mogelijkheid ontsloten tot vergeving en redding, evenals voor Adam? Dit zijn zaken daar wij terdege kennis van moeten hebben, zal het wel zijn voor de eeuwigheid. Ik bedoel, dit moet werkelijkheid worden in ons eigen hart en leven. Een mens kan veel praten over zonden en ellenden, maar als het daarbij blijft, loopt dat op eeuwige teleurstelling uit. Het leven ligt niet in de zondekennis, hoewel het noodzakelijk is, maar het leven ligt alleen in Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. En die Weg wordt alleen ontsloten als het aan schepsels zijde afgesneden is; dan is er sprake van zielenood. Wat een genade voor zulkeen als die gezegende Persoon van uit het verbond aan hem wordt geopenbaard. Dat wonder kan hij niet op: en dat voor zulkeen, die waardig is in de dadelijkheid voor eeuwig verworpen te worden en om te komen, en dat er nu een deur der hoop geopend wordt. Voor mijzelf zeg ik wel eens: daar leert een mens genade ondervinden. Maar wat gaan de genegenheden uit om die geopenbaarde Heere Jezus te leren kennen, en dat Hij mijn Borg en Middelaar worde, en mij voor Zijn rekening neme. Dan wordt er geweld gedaan op dat Koninkrijk, maar dan wordt ook geleerd dat de Heere Jezus maar niet te grijpen is, want het belieft Hem Zichzelf te openbaren na richterlijke onderhandelingen, waarin een mens totaal ontledigd, en de Heere Jezus alles wordt. Had men eerst met God te doen, nu worden de uitgangen en begeerten op Hem gericht. In deze gangen leert men onderscheid kennen in de Goddelijke Personen, en naar de waarneming wordt men heengeleid naar deze gezegende Persoon, Die zo dierbaar, gepast en noodzakelijk is.

Maar mij dunkt, dat we wel heel wat verder gepraat hebben dan eigenlijk de bedoeling was, en de tijd gaat door. U ziet uit dit alles wel hoe noodzakelijk het is dat we onszelf leren kennen als alles verbeurd hebbende schepselen, die uit en afgedreven worden van alles wat van ons is, en leren vragen: Is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan? ’t Is naar het Woord en de ervaring dat het van onze zijde nooit meer goed kan komen, maar voor diegenen, die als een verslagen en verbrijzeld zondaar onder God mogen komen, voor die liggen demogelijkheden aan Gods zijde alleen.

Maar u sprak daar over het verbond. Hoe zit dat eigenlijk, want we zijn toch allemaal in het verbond als wij gedoopt zijn, dat staat toch in het formulier? Ja vriend, de Doop is een teken van het verbond, maar waar wij over spraken, is wel even onderscheiden. Wij dragen het teken des verbonds aan onze voorhoofden, maar daarmee hebben wij de zaak nog niet. God heeft een onderscheid gemaakt waar geen onderscheid van nature is; wij werden in de drieënige Naam gedoopt, terwijl de heidenen daarvan verstoken zijn. Hij deed ons geboren worden onder de beademing van Zijn Woord; de mogelijkheid om zalig te worden ligt ons in dit opzicht nader dan de heidenen, omdat wij leven onder de middelen, door God gegeven, hetwelk de heidenen missen. Daarom ligt de verantwoordelijkheid des te zwaarder op ons, en zal ons oordeel verzwaren indien wij onherboren moeten sterven, want wij hebben de weg geweten, maar de heidenen missen dit. Dus hebben wij een groot voorrecht, dat wij niet onderschatten mogen. Maar als wij spraken over het verbond, bedoelden wij eigenlijk hoe het beleefd wordt om in dat verbond betrokken te worden. Het komt toch altijd maar weer op het persoonlijke aan. Als de Heere voor de zielsogen dat verbond openbaart en ontsluit, is dat geen geringe zaak, want dit is dat eeuwige verbond waarin al de uitverkorenen besloten liggen. Dan ontvangt een ziel genade om dat verbond in te willigen en goed te keuren, want daarin liggen al Gods deugden verklaard.

Als men deze zaken mag ondervinden, roept men wel in verwondering uit: Heere, wat is het dat U mij met U in een verbond betrekt. Denk eens in wat het is als een mens, die zichzelf heeft leren kennen als één zonde, daar geen draad van deugt, als een geschikt voorwerp voor de rampzaligheid, nu mag inblikken in die wondere weg, van eeuwigheid gesteld, waarin God weer nadert tot Zijn verloren schepsel, en het schepsel tot zijn Schepper. Nu vriend, wij hebben er maar kort en eenvoudig over gesproken. Wat wordt er veel gesproken over het verbond en de H. Doop, ook van de kansels, maar dat er wat van beleefd wordt, vindt men zo weinig. Men spreekt wel eens over zijn Doop beleven, maar als dat eens gebeuren mag, wordt men teruggeleid in de stille eeuwigheid waar al de grondslagen liggen zo wel van schepping als herschepping. Hoe noodzakelijk voor ons om deze zaken te leren kennen voor onseigen hart. Dit zijn eeuwigheidszaken. Daarom, jaag naar deze kostelijkheden meer dan naar alles wat de wereld biedt en geeft. Nu hiermee besluiten wij deze avond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.