+ Meer informatie

...die mens is geworden [3]

ACTUELE OPVATTINGEN VAN BONHOEFFER

8 minuten leestijd

4. Christologische fundering

Wanneer er wordt gesproken over het natuurlijke leven bij Bonhoeffer, kan niet voorbij worden gegaan aan zijn visie op de plaats en betekenis van Jezus Christus in de werkelijkheid, waarin wij leven. In Christus ging God de werkelijkheid van de wereld in. Daardoor is het mogelijk om over één werkelijkheid te spreken en dat betekent dat:

'Wie de werkelijkheid van Jezus Christus aanvaardt als de openbaring van God, aanvaardt tegelijk de werkelijkheid van God en de werkelijkheid van de wereld; want hij vindt in Jezus Christus God en de wereld met elkaar verzoend.'

Deze visie op de werkelijkheid is intrigerend. Bonhoeffer heeft namelijk een aantal bladzijden eerder gesteld, dat ieder begrip van de werkelijkheid dat niet uitgaat van de werkelijkheid van God, een abstractie is. Abstracties treffen we met name aan in de diverse theorieën die over het persoon-zijn van de mens zijn ontwikkeld. Daarin wordt op een tamelijk abstracte wijze gesproken over mensen met een verstandelijke handicap, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de positieve ervaringen van ouders. Uit diverse onderzoeken kan worden opgemaakt dat vele ouders het leven van hun verstandelijk gehandicapte kind, na een langdurig proces van aanvaarding, niet alleen zijn gaan aanvaarden, maar ook dat gehandicapte leven van hun kind als een verrijking van hun eigen leven zijn gaan ervaren. Deze ervaringen van ouders kunnen in samenhang met Bonhoeffers visie op de werkelijkheid bijdragen aan een positieve waardering van het 'natuurlijke' en de betekenis van het menselijk lichaam. Daarmee wordt niet alleen tot uitdrukking gebracht dat door de komst van Christus het natuurlijke in zijn aard als het voorlaatste (de huidige werkelijkheid, waarin wij leven) wordt bevestigd, maar ook dat het levende lichaam de mens zeifis.

De reden om aandacht te besteden aan de lichamelijkheid is gelegen in het feit dat in de huidige opvattingen over het persoon-zijn eigenlijk geen wezenlijke waarde wordt toegekend aan het menselijk lichaam. Laat staan dat men zich Iaat leiden door de opvatting dat de lichamelijkheid en het mens-zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Met deze visie behoeft het leven van diep zwakzinnigen niet meer (op een negatieve wijze) als een 'vegeterend bestaan' te worden gewaardeerd, maar als een leven dat evenzeer door God gewild is.

Dat Bonhoeffer de lichamelijkheid van de. mens zo positief weet te waarderen, hangt samen met zijn visie op de menswording van God. De menswording van God is niet alleen van betekenis voor het verstaan van de werkelijkheid van God, maar ook voor de waardering van de lichamelijkheid van de mens. God heeft zich niet voor niets zo solidair met de mensen opgesteld, dat Hij een menselijk lichaam heeft aangenomen en zich onder de mensen heeft gevoegd. Met Bonhoeffer kan het zelfs nog worden aangescherpt. In zijn colleges over de christologie (1933) heeft hij zelfs gesteld:

'De menswording is de boodschap van de verheerlijking van God, die er eer in stelt mens te zijn. We moeten eraan denken dat de menswording allereerst werkelijk openbaring van de Schepper in het schepsel is en niet een verhulde openbaring.'

Niet onbelangrijk in dit verband is de verwijzing van Bonhoeffer, dat God tot 'het zijne' is gekomen (Joh. i: xi). Deze woorden kunnen een erg diepe betekenis krijgen in het leven van ouders van een zwakzinnig kind, als zij op zoek gaan naar de zin van zowel hun eigen leven, als dat van hun kind. Erg veel ouders kennen namelijk de strijd om de zwakzinnigheid van hun kind en hun kind zelf te aanvaarden. Hierin speelt de vraag naar zingeving een cruciale rol. De vraag naar zin is, aldus de ethicus Hans Reinders, een verraderlijke vraag:

'We zouden deze vraag niet kennen als ze niet uitdrukking was van een groot verlangen, een verlangen naar geborgenheid, naar een plek waarvan je weet: hier is het leven goed. Een plek, een ander, een liefde, iets wat het leven héél maakt, gaaf, integer, zodat je één bent met jezelf. Als mensen dat verlangen niet kenden, kenden ze ook de zinvraag niet. Het omgekeerde is ook waar: dat wij die vraag kunnen stellen komt omdat het verlangen naar heelheid onvervuld blijft. De vraag naar zin ontspringt aan een gemis, het besef dat er iets ontbreekt. Ze vraagt of het leven ook anders zou kunnen zijn dan het is. Ze komt vooral dan op wanneer ons iets overkomt wat we liever niet zouden meemaken.'

Op de visie van Bonhoeffer voortbouwend kan inzake het zoeken naar de zin en betekenis van het leven (van de ander), met Abraham Joshua Heschel worden gesteld dat het zoeken

'zonder betekenis [is] tenzij het zoeken naar de mens betekenis heeft. Bijbels gedacht is de mens niet alleen een schepsel dat voortdurend op zoek is naar zichzelf, maar tevens een schepsel naar wie God voortdurend op zoek is.'

De realiteit van de mensgeworden Zoon van God is tegen de achtergrond van dit zoeken niet anders te verstaan dan als het ondoorgrondelijke geheim van de liefde van God. God heeft de wereld en de mensen lief. Niet een ideaalmens, maar de mens zoals hij is, en geen ideaalwereld, maar de werkelijke wereld. Wat onze weerzin wekt omdat het tegen God is, wat ons pijnlijk treft en waar wij ons van afwenden, de werkelijke mens en de werkelijke wereld, dat is voor God reden tot ondoorgrondelijke liefde, daar verbindt Hij zich mee. De ervaring van deze liefde kan bijdragen tot de erkenning dat ook ongeborenen en zwakzinnige tot ons geslacht behoren, dat zij bij ons behoren en er in onze mensengemeenschap plaats voor hen is en dat zij evenzeer delen in de werkelijkheid van God. Dat kan erg moeilijk zijn. Het schijnt voor de samenleving bijzonder moeilijk te zijn de zwakzinnigen te accepteren als een medemens, als een evennaaste, met dezelfde rechten als anderen. Ongewild en onbewust roepen de ernstig zwakzinnigen meer aversie dan affectie, meer weerzin dan genegenheid op.

In de opvattingen van de huidige gezondheidsethiek over wie de mens is, is nagenoeg niets te vinden van de bovengenoemde visie op de werkelijkheid en de daarmee samenhangende waardering van het (natuurlijke) leven. Er is overigens sprake van een kentering. In de hedendaagse kritiek op het moderne denken, die onder meer ten grondslag ligt aan de gezondheidsethiek, ontstaat langzamerhand een zekere ruimte voor een andere benadering, waarin de morele betekenis van mens-zijn niet tot redelijkheid en wilsbekwaamheid wordt gereduceerd. Het wordt mede daardoor mogelijk om de vraag te stellen wat mens-zijn kan betekenen wanneer de beperkingen van onze lichamelijkheid niet alleen gelden als neflatiuum - als het trotseren kwaad dat ons van het ware mens-zijn vervreemdt - maar als inherent aan het menselijk bestaan. Deze ruimte maakt vanzelfsprekend de strijd tegen ziekte en gebrek en het daarmee gegeven leed niet overbodig. Echter niet alles wat afwijkt van het ideaal van het redelijke en zelfstandige individu leidt een leven dat wordt gekenmerkt door leed en tekort. Hiermee samenhangend kan nog eens worden verwezen naar de kritiek van Bonhoeffer op de idee van de 'soziale Nutzwert' van het leven en zijn verwijzing naar de arme Lazarus, die door de honden werd gelikt en door God het eeuwige leven waard(ig) werd geacht.

Het bijzondere aan de liefde van God is dat God de werkelijke mens bemint, zonder enig onderscheid te maken.

Hij duldt niet, aldus Bonhoeffer, dat wij mensen indelen naar onze maatstaven en ons als rechter opwerpen. Door zelf werkelijk mens te worden, een collega van zondaren, brengt God ons in een absurde situatie, want zo dwingt Hij ons rechter te worden over Hem. Tegen alle aanklagers in kiest God de zijde van de werkelijke mens en de werkelijke wereld. Met de mens en de wereld gaat Hij in de beklaagdenbank zitten en zo maakt Hij zijn rechter tot aangeklaagde. Met deze kritiek van Bonhoeffer worden wij niet alleen bepaald bij de willekeur die aan de diverse opvattingen over het persoon-zijn ten grondslag ligt, maar ' kunnen we ook met Heschel stellen:

'De toekomst van de menselijke soort hangt af van hoe ver onze eerbied voor de enkele mens reikt. En de kracht en de waarde van die eerbied hangen af van ons geloof in Gods bemoeienis met de mens.'

Deze bemoeienis van God houdt niet slechts halt bij het feit dat Hij de mens naar zijn beeld heeft geschapen. In tegendeel, 'God wendt zijn oog niet af van zijn verloren schepselen. Hij zoekt in hen', aldus Bonhoeffer in Nauokjincj, 'zijn eigen beeld om het lief te hebben. Maar Hij vindt dat niet anders dan doordat Hij zelf uit louter barmhartigheid het beeld en de gestalte van de verloren mens aanneemt. God moet aan het beeld van de mens gelijk worden, omdat de mens niet meer gelijk kan worden aan het beeld van God.' God is niet alleen de Schepper, maar ook de Verlosser en Onderhouder van het leven.

A. A. W. J. RIETMAN, KAMPEN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.