+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

37

’t Is waar, Vorst Immanuël heeft ’t request vanuit Mensziel in ontvangst genomen en gelezen, maar daarmee was de zaak bij lange na nog niet in orde. En de stad kwam er door in een zware beproeving.

Daar was een dag des gerichts aanstaande. Gods vergevende en reddende liefde kan alleen langs de weg van recht en gerechtigheid verkregen worden. „Sion zal door recht verlost worden en haar wederkerende door gerechtigheid.”

Daarop gaf Vorst Immanuël de mannen die met het request tot Hem gekomen waren deze schuldbrief mee: „De stad Mensziel heeft zeer droevig tegen Mijn Vader gerebelleerd, daarin dat ze Mij verworpen heeft, opdat Ik geen Koning zou zijn en dat zij tot haar kapitein gekozen heeft een leugenaar, een moordenaar, een vuile slaaf.

Want deze Diabolus, uw gepretendeerde gebieder, bij u eertijds zo hoog geacht, heeft tegen Mijn Vader en Mij gerebelleerd. Zelfs in Ons paleis, in het hof der hoven, menende daar een prins of koning te worden.

Maar daar tijdig ontdekt en gegrepen, is hij om zijn goddeloosheid in ketenen geboeid en met al de zijnen naar de afgrond verwezen.

Deze heeft zich aan u voorgesteld en gij hebt hem ontvangen en aangenomen. Dit nu is en was reeds voor lange tijd een grote oneer voor Mijn Vader, waarom Hij Mij met een machtig leger op u heeft afgezonden om u tot gehoorzaamheid te brengen.

Maar gij weet nog wel, hoe deze mannen en hun kapiteins bij u geacht waren en wat zij uit uw hand ontvingen.

Gij zijt wederspannig tegen hen geweest, gij hebt uw poorten voor hen gesloten, gij hebt hun de krijg geboden, zijt tegen hen in gevecht getreden en hebt met Diabolus tegen hen geoorloofd. Zij zonden daarom aan Mijn Vader om meer strijdkrachten. Ik ben daarop afgekomen met de mijnen om u tot onderwerping te brengen.

Maar gelijk gij met de dienaren gehandeld hebt, hebt gij ook gehandeld met de Heere. Gij hebt u op vijandelijke wijze tegen Mij opgemaakt, uw poorten voor Mij gesloten, en als doof voor Mij gehouden en Mij tegengestaan zo lang gij kondt. Hebt gij wel om genade geroepen toen gij nog enige hoop hadt, dat gij het tegen Mij zoudt kunnen volhouden?

Maar nu Ik de stad heb ingenomen, nu roept ge, waarom roept ge niet vroeger, toen de witte vlag van genade, de rode van gerechtigheid en de zwarte van uitvoering opgestoken waren, om u daartoe op te roepen?

Nu Ik uw Diabolus overwonnen heb, nu komt gij gunst bij Mij zoeken; maar waarom hebt gij Mij niet tegen die machtige geholpen?

Maar nochtans wil Ik uw verzoekschrift in overweging nemen en het beantwoorden zoals dat zal strekken tot Mijn heerlijkheid.

Gaat heen en zegt kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging, dat ze morgen de gevangenen tot Mij uitbrengen in het leger.

De kapiteins Oordeel en Uitvoering blijven in het kasteel en draagt gij goede zorg voor uzelf dat alles binnen Mensziel in goede vrede blijft tot ge nader order van Mij ontvangt.”

Daarop wendde Hij Zich van hen af en ging weder naar Zijn koninklijke tent.

Dit antwoord van de Vorst ontvangen hebbende, keerden zij weder naar hun metgezellen met een bezwaard gemoed, alsof Immanuël de zuchtende stad geen genade zou bewijzen.

Gekomen tot degenen, die hen hadden afgezonden, waren zij nauwelijks bekwaam de boodschap, die zij ontvangen hadden, mede te delen.

Terwijl de burgers wier verlangen hun geen rust gelaten had, in ernstige stemming naar hun komst uitzagen. Begerig waren zij om te weten welk antwoord op hun request gegeven was. Deze riepen hun toe: „Wat nieuws is er van de Prins, wat heeft Immanuël gezegd?”

De ernst der zaak begon van alle kanten steeds meer te drukken.

Hierop werd door de bezwaarde mannen geantwoord, dat allen moesten heengaan gelijk tevoren naar de gevangenis om daar de boodschap die ze hadden aan te horen. En zo gingen ze dan tot de gevangenis, door een grote menigte gevolgd.

Aan de tralie van de kerker staande, ontvouwden zij het eerste gedeelte van Immanuëls boodschap met al Zijn bezwaren tegen de stad, wat de gevangenen deed verbleken.

Mijnheer Begeerte voegde er bij: „De Prins zei ook dat Hij uw request in overweging zou nemen en zulk een antwoord daarop geven als met Zijn heerlijkheid zou kunnen bestaan.”

Toen deze woorden gesproken werden, slaakte mijnheer Nat-oog een diepe zucht. Dit een en ander wierp hen in een grote verbaasdheid en zwaarmoedigheid, zodat zij niet wisten wat ze zeggen zouden.

De vrees had hen ook op een wonderlijke wijze aangegrepen en de dood scheen zich bij enigen hunner als op de oogleden geplaatst te hebben. Nu was onder hen een zeer scherpzinnige gast, doch een persoon van geringe stand, met name de Onderzoekende.

Opkomende als uit een diep gepeins, stelde hij degenen die met het request waren uitgezonden de vraag of zij Immanuëls rede in haar geheel hadden meegedeeld, waarop zij — gelijk de lezer duidelijk is — ontkennend moesten antwoorden.

„O, dat dacht ik wel,” zei de Onderzoekende „Maar eilieve, wat heeft Hij dan verder tot u gezegd?” En zo werden zij verplicht te zeggen wat hen het meest van alles bezwaarde. Met een bevend hart zeiden zij: „De Vorst heeft ons bevolen dat we kapitein Boanerges en kapitein Overtuiging zouden gelasten de gevangenen morgen voor Hem te brengen en dat de kapiteins Oordeel en Uitvoering ’t kasteel in de stad in bezetting zouden houden tot nader order.” Daar nog bijvoegende dat de Vorst hun, zodra Hij hun dit bevel had gegeven, de rug had toegewend en naar Zijn koninklijke legertent gegaan was.

Maar ach! hoe brak dit omkeren en in het bijzonder het laatste vonnis, dat de gevangenen bij de Prins in het leger moesten komen, hun lenden als in stukken.

Waarom zo ook tegelijkertijd een geschrei aanhieven dat tot aan de hemel reikte. Ook bereidden zich alle drie om te sterven en de registreerder zeide: „Dit is juist wat ik gevreesd heb”, want het lag vast bij hem dat ze de volgende dag eer de zon onderging, uit de wereld zouden zijn. De ganse stad hield het daar ook voor en verwachtte niets anders dan dat ze elk op zijn tijd en beurt van dezelfde kop zouden moeten drinken, waarop de ganse stad de gehele nacht doorbracht in weeklagen en in zak en as.

„De mannen van Juda maakten een alarmgeschrei.” Dit alarmgeschrei was de uiting van het geloof, het amen op het trompetgeschal van de priesters. En de Heere gaf uitkomst. Hij hoort het geroep der ellendigen.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.