+ Meer informatie

WAAROM GROEIEN ONZE KERKEN NIET? Een terugblik en een vooruitblik

14 minuten leestijd

Iets over de vraag

De vraag in de titel werd gesteld in een vergadering van de redactie. Aan mij werd gevraagd daarop in te gaan. In de laatste jaren heb ik bij de bespreking van ons Jaarboek op dit feit gewezen en het zorgelijk genoemd. Een kerk die niet werft, sterft, heb ik in een van de tien Stellingen over Evangelisatie in ‘Doorgeven’ gezegd.

Daarom voelde ik me verplicht aan de uitnodiging van de redactie te voldoen. Het thema is indringend en urgent. De beantwoording van de vraag is een hachelijke onderneming. Laat ik dat voorop mogen stellen. Ik heb geen onderzoek kunnen doen naar de oorzaak van de afwezigheid van groei. Tegenwoordig is een dergelijk ”veldonderzoek” gebruikelijk, om niet te zeggen een must. Ik zou eigenlijk vragenlijsten aan kerkenraden hebben moeten sturen, om via hun antwoorden enig inzicht te krijgen in de situatie van de gemeente. Ook om een antwoord van de kerkenraden zelf te krijgen. Waar zoekt een kerkenraad, in consultatie van de gemeente, de oorzaak of de oorzaken?

Over zulk materiaal beschik ik niet. Dat maakt de feitelijke basis voor dit artikel zwak. Ik stel me bij de beantwoording dus uitermate kwetsbaar op.

Een zeer persoonlijk antwoord

Er is nog een tweede punt dat ik vooraf wil noemen. Dat is het feit dat mijn antwoord een sterk persoonlijk karakter draagt. Ik heb dit antwoord niet met anderen doorgesproken. Ik heb het niet eerst uitgeprobeerd in een kring van predikanten. Als dit antwoord terug zou gaan op een lezing voor bijvoorbeeld de Vereniging van christelijke gereformeerde predikanten zou dat stellig gebeurd zijn. Dan had ik de mening van anderen in mijn antwoord kunnen verwerken. De gelegenheid daartoe heb ik niet gehad. Het artikel schrijf ik niet alleen op persoonlijke titel, maar ook als verwoording van een persoonlijk inzicht. Een andere scribent zou het antwoord misschien vanuit een ander gezichtspunt hebben gegeven; ook met andere accenten en aandacht voor feiten die men nu niet besproken vindt.

Vanuit liefde tot de Christelijke Gereformeerde Kerken

En toch dit artikel op papier gezet? Ja, om twee redenen. Voordat ik die noem, heb ik behoefte te zeggen dat ik de Christelijke Gereformeerde Kerken van harte liefheb. Dat is al zo vanaf mijn kinderjaren. Ik ben in een christelijke gereformeerde pastorie geboren en opgegroeid. De moeiten van het predikantschap heb ik van jongsaf meegemaakt. Toch heb ik er nooit aan gedacht lid, respectievelijk predikant van een andere kerk te worden.

Ik heb getracht in prediking en pastoraat, in theologische publicaties en in voordrachten over christen-zijn in deze tijd en in deze samenleving, uit te dragen wat ik als erfenis van mijn opvoeding en van mijn Apeldoornse leermeesters heb ontvangen. Wel wil ik zeggen dat ik dankbaar ben voor mijn eerste jaar Studie in Leiden en mijn doctoraalstudie aan de VU in Amsterdam, en voor de vele contacten met collega’s in binnen- en buitenland. Ik voel me daardoor verrijkt en gesterkt in het beginsel dat de basis is voor al mijn werk in de kerk en daarbuiten.

In november 1997 mocht ik in Pusan vierhonderd studenten toespreken. Daar heb ik iets verteld van de Apeldoornse traditie waarin ik sta. Ik heb er bij die studenten op aangedrongen om goed gereformeerd te zijn en te blijven, in kerk en theologie. De schoonste vorm van christen-zijn, voegde ik eraan toe. Het warme applaus ervoer ik als meer bestemd voor de gereformeerde theologie en prediking dan voor mijn persoon. Ik kan niet zeggen hoe goed mij dat applaus om die reden deed.

Vanuit deze achtergrond schrijf ik dit artikel. Het heeft een enigszins autobiografische inslag.

Zelfonderzoek met betrekking tot onze Kerken

In onze prediking dringen we aan op zelfonderzoek. Dit artikel heeft in mijn optiek iets van een zelfonderzoek. Daarbij moet iemand er niet voor terugschrikken kritisch naar zichzelf te kijken. Bij zelfonderzoek is eerlijkheid een eerste vereiste. Nu is het moeilijk om jezelf helemaal door te hebben. Gods Geest dringt een mens daartoe. Dat geldt ook in verband met kerkelijk zelfonderzoek.

Vervolgens: ik heb zorg over onze Kerken. In de loop van dit jaar heb ik die zorg meermalen in de prediking ter sprake gebracht. Dat wij in drie jaar tijd een aantal predikanten verloren hebben - zij onttrokken zich, kwamen buiten de bediening te staan of werden van hun gemeente losgemaakt - stemt tot nadenken en zelfonderzoek. Wij kennen het admissie-examen. De zojuist bedoelde predikanten zijn door kerkelijke vergaderingen onderzocht en toegelaten - en toch ging er iets mis. Hoe komt dat? Is er meer mis in onze Kerken? Wat mij opvalt is dat er over deze nood weinig gesproken en geschreven wordt. Deze zomer heb ik ervaren dat gemeenteleden er behoefte aan hebben dat deze moeiten ook in de prediking aan de orde komen. Natuurlijk niet om broeders met de vinger na te wijzen; wel om de nood van het kerkelijk leven voor Gods aangezicht te brengen en om te luisteren naar wat Gods Woord in zulke situaties te zeggen heeft.

Ook om deze reden meen ik me niet te mogen onttrekken aan het verzoek dat in een redactievergadering tot mij kwam.

Kerken hebben de wind tegen

Ik begin aan de buitenkant. De kerk heeft het moeilijk in deze tijd. Ze wordt niet gezocht, maar genegeerd; niet begeerd, maar gemeden. Mensen menen het zelf te kunnen en hebben God niet nodig. Dan is de kerk evenmin nodig. Een leven voor zichzelf, zonder God, is ook een leven zonder kerk. Dat geldt in het individuele leven. Het geldt ook voor de samenleving. De zo geprezen scheiding van kerk en staat is een bezegeling van het ontbreken van de behoefte in de samenleving aan een levende en sprekende Kerk.

Daar komt bij, dat vrijwel geen enkele kerk groeit. Men is al blij als de vermindering in ledental wordt gestopt. Op hetzelfde peil blijven betekent dan al een oorzaak van vreugde. Lang niet alle kerkverbanden kunnen zich daarover Verheugen.

Bepaalde groeperingen groeien. Daarbij moet in rekening gebracht worden dat deze groei mee te danken is aan overloop vanuit de kerk.

Er komen wel mensen tot bekering - Gode zij dank. Zij treden ook - soms - toe tot de kerk, maar hun aantal is meestal niet groter dan het aantal dat van de kerk afscheid neemt.

De kerk heeft het getij niet mee. Laten we eerlijk zeggen: wij hebben het getij tegen. Dat zou geen bezwaar hoeven te zijn als er van binnenuit een krachtige beweging was, die aantrekkingskracht naar buiten had. Hier en daar komt dat voor. Het is echter geen verschijnsel dat voor heel het kerkelijk leven karakteristiek is.

Waarom niet? Ik kom nu dichter bij de binnenkant van het kerkelijk leven.

Eerst wijs ik er nog op dat het kerkelijk besef en de kerkelijke trouw niet meer voorkomen zoals dat vroeger het geval was. Toen kon men op mensen rekenen. Overgang van de ene naar de andere kerk kwam wel voor, maar in veel mindere mate dan tegenwoordig. Men bleef waar men was, ook al had men moeite en al voelde men tegenzin. Nu is de band veel losser. De term kerkelijk shoppen is gangbaar geworden. Dat kerkelijk shoppen raakt niet alleen de zondagse kerkgang, maar ook het kerklidmaatschap. Men verandert van kerkverband in parallellie met verandering van woonplaats. De verandering komt ook voor als men in dezelfde woonplaats blijft wonen. Het geldt gelukkig niet voor allen, maar ook niet voor enkelen.

Daarmee komt de vraag naar voren: Wat bindt mensen aan een bepaalde kerk? Moet ik de vraag niet zó formuleren: Wat bindt mensen aan hun plaatselijke gemeente?

Het evangelie van Jezus Christus zal het antwoord moeten zijn. Dat vindt men echter ook buiten eigen gemeente. Dus moet er meer gezegd worden. Is het niet een modaliteit? Dat wil zeggen de wijze waarop het evangelie wordt verkondigd? De verhouding van wet en genade. Soms wordt de nadruk op de wet gelegd en komt de genade spaarzamelijk aan de orde. Het omgekeerde is ook het geval. De modaliteit van de prediking is voor mensen soms een reden om hun heil (letterlijk) elders te zoeken. Sociale contacten en de cultuur van het gemeenteleven, zoals liturgie, psalmberijming en oude of nieuwe vertaling, zijn voor mensen een reden zich op hun kerkelijke positie te beraden. Ik noem deze factoren zonder ze op dit moment te evalueren.

Wat is christelijk gereformeerd?

Christelijk gereformeerd zijn betekent voor mij voluit reformatorisch zijn. Dat wil zeggen: de beloften van God aan zondige mensen verkondigen met volle aandacht voor het werk van de Vader, de Zoon en de Geest. Dat wil zeggen: genade als geschenk van God. Het heil begint niet bij ons. De kennis ervan niet en de beleving ervan niet. God begint. Vandaar het accent op de verkiezing, op de Schrift en op de Geest, Die het geloof werkt.

Daarbij een prediking die op de persoonlijke beleving en verwerking is toegespitst. De ervaring van de gelovigen - in positieve en in negatieve zin - moet in de prediking een plaats hebben. Deze zijn geschreven, zegt Johannes (20:31), opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijn Naam.

In deze tekst wordt de waarheid van ons geloof verwoord; dus dat wat wij geloven en belijden. Tegelijk komt de beleving van het beleden geloof aan de orde! Dat is nodig. De beleving hoort in de preek ter sprake te komen. Niet als een beschrijving van onze subjectiviteit, maar als aanwijzing en verwoording van wat God in ons werkt; van wat Hij ons laat beleven.

In ‘Een eeuw christelijk-gereformeerd’ (Kampen 1992) ben ik hierop breder en dieper ingegaan. Men zie aldaar blz. 166-167.

Vanwege de verschillende accenten die bij deze prediking gelegd worden spreekt men wel van een wankel evenwicht. Denk aan de dissertatie van dr. J.E. Post ‘Gereformeerd zijn en blijven - een wankel evenwicht’ (Heerenveen 1998).

Het is voor een dominee in de preek altijd weer het zoeken naar een evenwicht tussen het werk van Christus en dat van de Geest; tussen het spreken over zonde en over genade. Tussen aandacht voor het verleden, het heden en de toekomst.

Daar komt bij dat er steeds weer een spanning is tussen het onveranderlijke van het evangelie enerzijds (ik spreek dan over de bijbelse substantie van een preek) en anderzijds het ingaan op de hedendaagse situatie (de mens van onze tijd in zijn situatie aanspreken). Gemakkelijk verwordt deze spanning tot een tegenstelling: óf alleen omzien naar het verleden waarover de Schrift spreekt, óf alleen aandacht voor het heden. Welke keus men ook maakt, een aspect, een dimensie gaat dan verloren. De een voelt zich bij het alleen maar spreken over de actualiteit niet thuis, de ander voelt zich vervreemd doordat alleen het oude naar voren wordt gebracht.

Reactie

Er zit vaak een reactie in. Laat ik het ronduit zeggen: naarmate de hedendaagse inslag en intonatie aangetroffen en gehoord wordt, neigen sommigen naar het vasthouden aan het oude vertrouwde in woord en vorm. Naarmate anderen dit weer opmerken, wenden zij zich naar een nieuwe aanpak en benadering, al evenzeer in woord en vorm.

De oude schrijvers en de Puriteinen vormen voor de een naast de Schrift een bron voor prediking en pastoraat. Hedendaagse auteurs, van verschillende stijl en theologische vormgeving, bieden aan anderen een bruikbaar of op zijn minst te beproeven oriëntatiepunt. Zo ontstaan er vleugels en werken er naar twee zijden middelpuntvliedende krachten.

Spanningen en gevaren

Ik stel met nadruk: spanningen en gevaren zijn er altijd geweest. Ik koos deze woorden, omdat ze door prof. Kremer zijn gebruikt in de titel van een brochure (1953).

Spanningen kunnen een teken van leven zijn. Een mens leeft nu eenmaal niet zonder spanningen. Als ze te groot worden, veranderen ze in tegenstellingen. Tegenstellingen leiden ertoe dat mensen tegenover elkaar komen te staan. Dan treedt er vervreemding op. Hebben onze Kerken hun groeikracht niet verloren doordat men van buitenaf op tegenstellingen stuit? Buitenstaanders vragen zich welwillend af: met welk type christelijk-gereformeerden hebben we te doen? De hier beschreven onduidelijkheid (om zo maar te zeggen) verlamt onze werfkracht, verslapt onze aantrekkingskracht en is - als conclusie - een negatieve factor.

In de dissertatie van dr. J.E. Post ‘Gereformeerd zijn en blijven - een wankel evenwicht’ vindt men een weliswaar summiere, maar toch opvallende beschrijving van de groei van onze Kerken in het eerste kwart van deze eeuw. Ondanks spanningen en gevaren was er groei. Nu ontbreekt die. De tegenstellingen zijn toegenomen.

Men kan zeggen dat dit probleem zich ook in andere Kerken voordoet. Dit artikel gaat over onze Kerken.

Hoe verwerken we de uitdaging van onze tijd

Als men zich afvraagt wat de oorzaak is van deze toegenomen spanningen, dan denk ik dat wij - overigens evenzeer als anderen - moeite hebben met ons staan als christen in deze wereld. Hoe moeten wij de culturele, religieuze en sociale omslag verwerken? Wat is ons antwoord op de secularisatie? Hoe verwerken we de uitdaging van onze tijd? Velen van ons zijn daarmee bezig. De antwoorden dragen veelal de kleur van de vleugel waartoe men behoort, ook al zou men zelf zich niet bij een vleugel laten indelen.

Wij zijn het samenbindend midden kwijt. We hebben het wel. Dat is mijn vaste overtuiging. Ik ben begonnen met ‘vroeger’. Dat is er nog, maar het functioneert niet breed en wijd.

‘Apeldoorn’

Waar staat Apeldoorn? Predikanten die hier de colleges hebben gevolgd, kunnen het antwoord geven. Publicaties getuigen ervan.

En toch. Ik kan niet meer teilen het aantal keren dat mij door ambtsdragers is gevraagd: Hoe komt het toch dat onze predikanten, die allen dezelfde colleges hebben gevolgd en dezelfde vorming hebben ondergaan, zo verschillend preken? Ik heb het antwoord niet kunnen geven. Mijn conclusie was tegenover ambtsdragers in kerkenraadskamers en op conferenties: Ze verwerken kennelijk op hun eigen wijze wat hun ondubbelzinnig is voorgehouden. Ik kies de meest vriendelijke formulering. Op dieptepunten ben ik wel eens geneigd krassere formuleringen te gebruiken.

Kennelijk heeft Apeldoorn niet die greep op jonge mensen kunnen leggen en houden, dat daardoor de tegenstellingen weer tot goed verwerkbare, confessioneel te dragen spanningen worden.

Met onszelf bezig zijn

Samen met het zojuist genoemde gaat gepaard een met onszelf bezig zijn, waardoor we de bezieling tot getuigen en dienen in eigen land zoal niet missen, dan toch onder het bijbelse minimum zien zakken. Ik wil voorzichtig zijn: er zijn voorbeelden van zendingsijver en buitenkerkelijk diaconaal dienstbetoon, die hartverwarmend zijn. In die gemeenten zit ook een voorzichtige groei. Maar zo ziet het hele plaatje van ons kerkelijk leven er niet uit. Wordt de traditie nog doorgloeid door het vuur van liefde voor Christus’ zaak en voor de wereld om ons heen? Dat is een wereld zonder God, en daarom in nood. Is er zendingsdrang? Naar andere continenten wel, maar ook in eigen land?

Ik besef dat ik aan twee punten nog niet voldoende aandacht heb gegeven. Dat is de liturgische verscheidenheid. Een woord voor een heel complex van feiten en zaken. En het openstellen van onze kansel voor predikanten in Kerken waarmee plaatselijke kerken een door de classis erkend en goedgevonden contact hebben. Mijn vraag is of onze kerkelijke vergaderingen daarbij voldoende toezicht hebben uitgeoefend.

Vier kernpunten

Ik moet naar een afsluiting. Het was niet gewenst dit artikel in tweeën te splitsen en het tweede deel pas over twee maanden te publiceren. Misschien zal ik op sommige punten terug (moeten) komen.

Ik noem nu vier punten die mijns inziens het midden van onze kerkelijke opdracht vormen.

- Het evangelie van genade voor schuldige mensen prediken, waarbij het werk van de Here Jezus en van de Heilige Geest zijn plaats krijgt.
In dat kader dient de prediking praktisch te zijn én herkenbaar in onze tijd.

- Bewogenheid met de wereld om ons heen, dichtbij en veraf,
- zending en diaconaat door allen, en niet door enkelingen.

- In de kracht van de Geest dienstbaar zijn in het land onzer vreemdelingschap. Dat wil zeggen de bijbelse notie van vreemdelingschap beleven, zonder voorbij te gaan aan de dienstbaarheid jegens de wereld.

- Leven uit de verwachting dat onze Here Jezus Zijn werk voltooit. Het gebed om zijn komst dringt tot het vervullen van onze taak in de tijd die aan zijn verschijning vooraf gaat.

In leer en leven gereformeerd zijn, een missionair bewogen vreemdeling zijn, die zich pelgrim weet naar het beloofde land - met hoofdletters.

Noot van de redactie:

Meer dan anders nodigt de redactie uit tot reactie van de lezer. Die kan men richten tot de auteur. Wellicht kan er in een later stadium een tweede artikel op volgen. Het onderwerp is er belangrijk genoeg voor.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.