+ Meer informatie

„Ik ben

griffomeerd

5 minuten leestijd

Het vak is al weer ruim zes jaar oud, maar je hoort er weinig van. Dat betekent niet dat het leeren vormingsgebied "geestelijke stromingen" ontsnapt aan de aandacht van de leerkrachten op de basisschool. Bij de invoering van het basisonderwijs in 1985 werd een aantal nieuwe vakken geintroduceerd; bevordering van gezond gedrag, Engels, maatschappelijke verhoudingen/staatsinrichting, spel en beweging, mondeling taalgebruik en sociale redzaamheid en geestelijke stromingen.

In haar jaarverslag over 1990 constateert de onderwijsinspectie dat deze nieuwe leer- en vormingsgebieden nog onvoldoende uit de verf komen. „Dit komt vooral door de extra belasting die het voor de scholen meebrengt". Dat geldt bij voorbeeld voor het bevorderen van gezond gedrag en maatschappelijke verhoudingen/staatsinrichting. „ Bovendien worden nieuwe leer- en vormingsgebieden vaak geïntegreerd in andere vakken, waardoor een vervlakking van de inhoud kan optreden", aldus de inspectie.

Doel

Een vak dat buiten de schijnwerpers blijft, is geestelijke stromingen. Het vak werd destijds ingevoerd met een tweeledig doel. Eén: inzicht in de multiculturele samenleving is voor leerlingen alleen mogelijk als ze enig zicht hebben op de normen- en waardensystemen van anderen. Twee: de leerlingen moeten in aanraking komen met wat zich in het binnen- en buitenland afspeelt op het terrein van het geestelijk leven.

Het is goed dat er op de basisschool aandacht wordt besteed aan het vak geestelijke stromingen. Het is beter andere godsdiensten dan het christendom bespreekbaar te maken dan ze dood te zwijgen. Uiteraard moet de aangeboden leerstof aansluiten bij het bevattingsvermogen van de leerlingen. Dat staat buiten kijf. Het is daarom goed dat de Wet op het basisonderwijs niet voorschrijft vanaf welke groep geestelijke stromingen moet worden gegeven. Dat kan iedere school zelf invullen.

Onderzoek

Sceptici zijn geneigd te veronderstellen dat het met de aandacht voor geestelijke stromingen binnen het reformatorisch onderwijs wel niet zo hard zal lopen. Het tegendeel is het geval, zo blijkt uit een in 1990 uitgevoerd onderDe geheel herziene uitgave van het "Blijvende Woord" is nu uitgevoerd in twee delen. Deel I: Oude Testament, deel II: Nieuwe Testament. Het is een goede gedachte geweest om dit werk ter hand te nemen: op de scholen voor voortgezet onderwijs was duidelijk een behoefte aan een dergelijk leerboek. Door B. S. van Groningen De schrijver, collega drs. J. van Mourik, is er op een uitnemende wijze in geslaagd deze geschiedenissen dicht bij onze jeugd te brengen, zonder aan het niveau te kort te doen. Het geheel bestaat uit twintig hoofdstukken en geeft een globaal beeld van de geschiedenissen rondom het Evangelie van het Koninkrijk. Na de geboorte van de Koning, gaat de auteur in op het leven van de Heere Jezus; Zijn wonderen, gelijkenissen, lijden, sterven en opstanding, alsook Zijn Hemelvaart. zoek van twee pabo-studentes van de hogeschool De Driestar in Gouda. Voor hun afstudeerscriptie bezochten zij een week lang diverse scholen in de omgeving van Gouda: drie protestants-christelijke, twee reformatorische en twee openbare basisscholen.

Op elk van de scholen werd een les geestelijke stromingen gegeven of bekeken. „Elke school bood nieuwe ervaringen", schrijven de studentes in hun verslag. Op beide openbare scholen werd een bijbelles geobserveerd. „Belangrijk hierbij was voor ons de vraag: hoe biedt men de kinderen het christendom aan". Volgens de twee pabo'ers is dit een vergelijkbare situatie met het christelijk onderwijs. „Wij bieden eerlijk en zakelijk informatie over geestelijke stromingen als de islam en het hindoeïsme. Zij moeten dat dan doen over het christendom".

Er kwamen behoorlijke verschillen aan het licht. „Een openbare school was verre van objectief, de leerkracht legde duidelijk haar christelijke overtuiging in de les". Op de andere openbare school kwam de leerkracht met een wat onverschillige benadering van de leerstof over. „Hij zei: „Ik geef les op een openbare school en moet dus objectief zijn, ik mag ze niet oproepen tot bekering of zo. Door een verhaal te vertellen zonder toepassing komt de boodschap ook wel over"."

Antwoorden

Op de protestants-christelijke en reformatorische basisscholen gaven de studentes lessen over de islam, het hindoeïsme en het jodendom. „We begonnen telkens met het zakelijk bespreken van een stroming. We bespraken vergelijkingen en tegenstellingen met het christendom". Aan het eind van de les kregen de kinderen de vraag voorgelegd: „Hoe weet je nu, dat wat jij gelooft waar is?"

De antwoorden waren ontwapenend. „Ik behoor tot de christelijke godsdienst", aldus een leerling van een reformatorische basisschool. „Ik weet dat het waar is omdat het in de Bijbel staat en ik heb het thuis geleerd en wat in de koran staat is door mensen verzonnen". Een leerling van een christelijke school schreef: „Ik ben niet echt christelijk. Maar toch wel. Ik geloof wel in God, maar niet in alles. Dus ik weet niet of mijn geloof echt is...",

Een leeftijdsgenoot van een andere christelijke school: „Ik ben christen, maar de mensen met een andere godsdienst kunnen ook wel eens gelijk hebben". Een klasgenoot: „Thuis gaan we niet naar de kerk, maar met school wel want op elke maandagochtend hebben we gods

Binnen het leer- en vormingsgebied geestelijke stromingen kan onder andere aandacht worden besteed aan de islam en het jodendom. dienst en dat vind ik wel leuk". Iemand anders uit dezelfde klas: „Ik ben griffomeerd".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.