+ Meer informatie

Pastoraat onder studerenden

12 minuten leestijd

INLEIDING

Tenminste tien gemeenten bieden kerkelijk onderdak aan studenten en zijn geroepen tot het verlenen van pastorale zorg.

Hoe moeten zij dat doen? Kunnen zij die taak aan?

De studenten vormen een voor het pastoraat en kerkelijke bearbeiding lastige groep. Ze zijn meestal moeilijk bereikbaar en hun problemen verschillen in vele gevallen van die van de andere gemeenteleden en vragen daarom veel inzicht van de pastorale medewerker.

Studenten wonen als regel niet meer thuis. Daarmee valt een stuk sociale controle weg — het moet gezegd — vaak tot hun opluchting. De universiteitsgemeenten staan ervoor dit werk met zijn speciale moeiten te verrichten. Er blijkt bij deze gemeenten veel getrouwheid te zijn bij het vervullen van die taak, maar helaas ontbreekt het soms aan inzicht hoe het werk aangepakt moet worden, en vaker nog: waar is die student te vinden, waar woont hij, want hij meldt zich meestal niet eigener beweging. En de kerkeraad van de thuisgemeente denkt er evenmin aan even een berichtje te zenden. Het lijkt erop dat men in die thuisgemeenten sterk onderschat wat het betekent te gaan studeren of op kamers te gaan wonen. Hebben ze er wel over nagedacht deze jongelui voor te bereiden op hun nieuwe toekomst?

Deze en andere vragen zijn aan de orde geweest in een bijeenkomst die door de deputaten voor het contact met de kerkjeugd op 24 mei 1976 werd georganiseerd voor de kerkeraden die pastoraat onder studerenden verrichten.

De inleiding tot het gesprek werd verzorgd door dr. T. Brienen, toen nog predikant te Groningen, onder de titel: „Enige gedachten over het studentenpastoraat”. Dit referaat staat volledig afgedrukt in dit nummer van Ambtelijk Contact. In het gesprek dat er op volgde, werden ook ervaringen uitgewisseld. Daarbij kwam de wens naar voren, een en ander nog eens na te kunnen lezen. Aan de hand van een door deputaten samengestelde vragenlijst werd de situatie, zoals die medio 1976 bestond ten aanzien van het werk onder studerenden in de diverse gemeenten, weergegeven en hieronder samengevat. Sommige kerkeraden hebben uiteraard beter de gang in het werk dan andere. De beteren schreven hun werkzaamheden niet neer om geprezen te worden. Degenen bij wie het niet zo wil lukken, verdienen geen afkeuring. Deputaten vragen van de lezers bij voorbaat respect en ootmoed voor de eerlijkheid van de geënquêteerde kerkeraden, temeer daar, om de praktische bruikbaarheid te bevorderen, is afgezien van het anoniem maken van de resultaten.

Dit themanummer van Ambtelijk Contact wordt over alle kerkeraden en ambtsdragers verspreid om begrip te wekken voor de moeilijkheden van het pastorale werk onder studerenden en om het besef te doen groeien dat ook nietuniversitaire gemeenten een belangrijke bijdrage kunnen leveren tot het welslagen van deze arbeid. Hoe beter de thuisgemeente haar taak hierin verstaat, des te beter het pastoraat onder studerenden kan fungeren.

UITSLAG VAN DE ENQUETE

Allereerst dient te worden vastgesteld wat onder een student moet worden verstaan. Sommige lezers hebben misschien reeds opgemerkt dat regelmatig de term studerende is gebruikt. Het normale spraakgebruik verstaat onder een student iemand die aan een inrichting voor wetenschappelijk onderwijs — een universiteit of hogeschool — studeert, daar mettertijd examens zal afleggen, en zich daarnaast enkele gewoontes aanmeet die bij de status van student passen.

De term studerende is wijder. Daaronder wordt ook verstaan degene die studeert voor onderwijzer aan een pedagogische académie, voor leraar aan een lerarenopleiding, voor maatschappelijk werker aan een sociale academie of voor een specifiek beroep aan een HTS of een HBO.

De student en de studerende hebben gemeen dat zij als regel buitenshuis, op kamers, wonen, in de adolescentenleeftijd verkeren, meestal nog niet gehuwd zijn en in deze leeftijdsfase veel verstandelijke activiteiten moeten ontplooien.

In de hiernavolgende samenvatting van de uitslagen van de enquêtes gaat het meestal over studenten; sommige gemeenten echter proberen al de studerenden te bereiken met speciaal studentenwerk.

Aantallen studenten

Vraag 1:

Hoeveel christelijke gereformeerde studenten staan in Uw gemeente ingeschreven? Zou onderscheiden kunnen worden, hoeveel er vermoedelijk zijn, hoeveel er bij de kerkeraad bekend zijn en hoeveel er voor pastoraat bereikbaar zijn? Hoe worden de adressen van de studenten verkregen? Zijn in de gefallen ook de leerlingen van pedagogische en sociale academies, HBO- en HTS-en opgenomen?

(Apeldoorn wordt om praktische redenen buiten beschouwing gelaten).

Leiden, Utrecht en Groningen hebben een Rijksuniversiteit. Amsterdam huisvest zowel de Vrije Universiteit als de (gemeentelijke) Universiteit van Amsterdam.

Delft, Eindhoven en Enschede-West (Twente) hebben een Technische Hogeschool.

Rotterdam-Centrum heeft de Erasmus-universiteit en Bennekom de Wageningse Landbouwhogeschool. Enschede-West en Bennekom kennen voorts sociale academies binnen hun ressort.

De aantallen studenten zijn sterk verschillend. In volgorde van grootte qua studentengemeenschap worden de universiteitsgemeenten genoemd. Utrecht telt waarschijnlijk ongeveer 140 christelijke gereformeerde studenten. 110 adressen zijn bij de kerkeraad bekend. 20 nemen er deel aan door de gemeente speciaal voor hen georganiseerde activiteiten.

Groningen heeft 69 studenten ingeschreven en daarnaast nog 28 niet-universitaire studerenden. De adressen worden verkregen van studentenpredikanten van andere kerken. Dezen laten bij de inschrijving alle jongelui een kaart met hun godsdienst invullen.

Amsterdam telt vermoedelijk 50 studenten. 30 adressen zijn bij de kerkeraad bekend. 15 van hen nemen deel aan het voor hen georganiseerde werk. De adressen zijn erg moeilijk te achterhalen omdat de godsdienst christelijk gereformeerd — indien de studenten dit al invullen bij de inschrijving — door de computer wordt verwerkt onder overige godsdiensten.

Delft heeft waarschijnlijk 30 à 40 studenten. Ook hier is het een groot probleem om aan adressen te komen. Ook zijn er veel spoorstudenten, omdat de afstanden in de randstad niet zo groot zijn. Bij de kerkeraad zijn slechts 12 adressen bekend.

Leiden telt 15 studenten, Rotterdam 9, Enschede-West 10, Bennekom 9, Eindhoven 3.

Enschede-West krijgt de adressen van de Burgerlijke Stand.

Vrijwel alle kerkeraden van de universiteitsgemeenten zijn het erover eens dat de medewerking van de thuisgemeenten bij het doorgeven van adressen van studenten minimaal is.

Wie doet het werk?

Vraag 2:

Aan welke personen binnen de kerkeraad is het studentenpastoraat opgedragen?

De universiteitsgemeenten met veel christelijke gereformeerde studenten hebben voor de pastorale zorg een speciale commissie. Groningen heeft een groep van twaalr leden, waarvan zes — meestal ouderejaars — studenten. Ook de studentenouderling behoort tot deze groep. De commissieleden hebben per twee bezoekers ongeveer zestien adressen. De studentenouderling bezoekt behalve de studenten uit zijn wijk ook alle eerstejaars studenten.

Utrecht heeft een sectie jeugdzorg waarvan de studentenouderling deel uit maakt. Hij wordt in zijn werk bijgestaan door enkele studenten.

Amsterdam rekent het studentenpastoraat tot de taak van het Centraal Consistorie. Eén van de Amsterdamse predikanten, twee gemeenteleden (academici) en vier of vijf studenten zijn met de uitvoering belast.

In Delft is een speciale studentenouderling met daarnaast een kamerbewonerscommissie. Leiden, Enschede-West en Bennekom hebben het studentenpastoraat opgedragen aan de predikant en de jeugdouderling. De overige gemeenten met een inrichting voor hoger onderwijs hebben geen speciale voorzieningen getroffen.

Wat wordt er gedaan?

Vraag 3:

Welke activiteiten worden er verricht, hoe vaak vinden die plaats, hoeveel studerenden worden ermee bereikt en welke activiteiten blijken het meest waardevol?

Utrecht-Centrum is in het gelukkige bezit van een kostersechtpaar dat veel gastvrijheid biedt aan kamerbewoners, studenten incluis. Omdat dit echtpaar ook bemiddelt bij verhuur van kamers is het achterhalen van adressen van studenten hier ook wat eenvoudiger. Om de veertien dagen organiseert de studentencommissie een gesprekskring die door 15 à 20 personen wordt bezocht. Daarnaast worden persoonlijke bezoeken afgelegd. Aan het begin van het studiejaar wordt een zg. kamerbewonersweek-end georganiseerd.

Groningen heeft zoals gezegd het bezoekwerk systematisch aangepakt. Bij het begin van het seizoen wordt een studentenweekend belegd. Een gastspreker leidt een theologisch of maatschappelijk onderwerp in. Nog twee à drie maal per jaar worden dergelijke gesprekken, maar dan in de avonduren, gehouden. Er is een tendens voor het verkiezen van bijbelstudie boven bezinningsthema’s. In dit seizoen wordt geexperimenteerd met een vaste vergaderavond per maand. Het blijkt dat, indien de bijeenkomst wordt voorafgegaan door een gezamenlijke nasimaaltijd, het aantal deelnemers duidelijk groter is. De catechisaties worden niet apart voor studenten gehouden.

Wel is er een indeling van catechisanten in meer geschoolden en minder geschoolden.

In Amsterdam wordt éénmaal per veertien dagen een studentengesprekskring gehouden, die gedeeltelijk als een vorm van catechisatie is te beschouwen, onder leiding van één van de Amsterdamse predikanten. Ongeveer 10 à 15 personen bezoeken deze studie- en discussieavonden. Soms komt het voor dat studenten-doopleden in Amsterdam openbare belijdenis afleggen. Vaker echter is met name het bezoekwerk arbeidsintensief en — door veel vergeefse bezoeken — teleurstellend.

Leiden organiseert vijfmaal per jaar een gespreksgroep waar vanuit de verschillende studierichtingen onderwerpen aan de orde worden gesteld met een bijbelse doorlichting. De opkomst is prima. In huisbezoek, catechisatie en activiteiten als jeugdwerk en evangelisatie, wordt geen onderscheid gemaakt tussen studenten en gewone gemeenteleden.

Twente kent een actief gesprekskringenwerk. Er is ruime samenwerking met studenten uit vrijgemaakte kring, de gereformeerde gemeenten en de hervormde kerk.

De contacten lopen deels ook via de C.S.F.R. Een groep studenten heeft zich diepgaand bezonnen op (calvinistisch) wijsgerige problemen en daarvoor ook gastsprekers uitgenodigd. Eten voorafgaand aan discussiëren bleek ook hier een beproefde méthode tot het bijeenbrengen van studenten. Naast de gesprekskringen is er éénmaal per week een bijbelstudieuur, waar zes tot twaalf studenten komen. De studenten krijgen huisbezoek zoals de overige gemeenteleden. De predikant onderhoudt contacten met de gespreks- en bijbelkringen en met de studenten persoonlijk.

In Bennekom lopen de meeste contacten van de studenten-onderling via de C.S.F.R. en/of Ichthus. De predikant was enige tijd mentor van een C.S.F.R.-bijbelkring. De studenten krijgen normaal huisbezoek en catechisatie.

Betrokkenheid op de gemeente

Vraag 4:

Zijn de studenten ook betrokken bij het gemeente- en jeugdwerk?

In de gemeenten met zeer veel studenten, zoals Amsterdam, Utrecht en Groningen, zijn de studenten als regel minder betrokken bij het gemeentelijke leven, hoewel er incidenteel gunstige uitzonderingen zijn. In kleinere studentengemeenschappen als Leiden en Bennekom ligt dit gemakkelijker. In Twente vormt het bijeenwonen op een campus een belemmering voor het deelnemen aan het gewone gemeentewerk. In Delft is het aantal spoorstudenten nogal groot. In Eindhoven en Rotterdam zijn de zeer weinige studenten die daar bekend zijn geheel in de gemeente opgenomen. Beide gemeenten vermelden een student als diaken.

Relatie tot thuis

Vraag 5:

Is het mogelijk iets te zeggen over de relatie van studenten tot de gemeente van hun ouders? Hebt U enige indruk van de voorbereiding op de studentenfase in de thuisgemeente?

De geënquêteerde kerkeraden zijn vrijwel unaniem van mening dat een groot aantal studenten blijft ingeschreven in de gemeente van het ouderlijk huis. De thuisgemeente geeft daarom meestal geen kennisgeving aan de universiteitsgemeente. Anderzijds wordt vaak waargenomen dat studenten juist in deze jaren losweken van thuis, soms zich zelfs keren tegen het ouderlijk milieu en de kerk.

Een oproep in „De Wekker” om tenminste het adres door te geven, heeft vrijwel geen reactie tot gevolg. Incidenteel zijn er wel uitzonderingen, zowel bij de studenten (ze blijven zeer meelevend), als bij de kerkeraden (ze tonen hun zorgzaamheid) door het studieadres op te geven).

Vrijwel nooit blijkt de student in zijn thuisgemeente voorbereid te zijn op zijn toekomstige positie als student en kamerbewoner.

Suggesties

Vraag 6:

Hebt U suggesties voor het werk onder studerenden Wat verwacht U in dit opzicht van deputaten?

Amsterdam wil de suggestie in bespreking geven om als gezamenlijke universiteitsgemeenten een studentenpredikant te beroepen. Er ligt teveel werk dat nog nooit gedaan is en toch dringend noodzakelijk is.

Twente heeft goede ervaringen met samenwerking met de vrijgemaakten en de C.S.F.R. en beveelt dit hartelijk aan. Alle deelnemers aan het gesprek van 24 mei jl. over het pastoraat onder studerenden stellen voor zulke bijeenkomsten jaarlijks te herhalen. Eén van de deelnemers stelt voor dat in deze vergaderingen met elkaar gesproken wordt over de eerste opvang van studenten en kamerbewoners, de eenzaamheid van de jonge mensen, de sexuele problematiek, de vragen van geloof en wetenschap, Studieproblemen enz.

Anderen zouden willen weten wat ze van de jeugddeputaten mogen verwachten en voor welke zaken ze bij de deputaten voor kerk en onderwijs terecht kunnen.

Delft stelt voor dat jaarlijks vanuit een centraal punt — bijvoorbeeld het kerkelijk bureau — namens de jeugddeputaten, aan alle kerkeraden per brief met een invulformulier als bijlage wordt gevraagd om adressen van hen die gaan studeren met vermelding van het studieadres.

Anderen stellen voor jaarlijks een informatieve brief over het studentenpastoraat aan alle kerkeraden te zenden. Zo nodig zouden financiële middelen ter beschikking gesteld moeten worden om plaatselijke of landelijke activiteiten voor studenten te stimuleren.

Voorts zou — aldus één der geënquêteerden — de (Apeldoornse) opleiding tot predikant een stage pastoraat onder studerenden mogelijk moeten maken.

Aanhangsel

Deze vragen werden ook toegezonden aan nog twee deelnemers aan het gesprek van 24 mei j.l., te weten de heren Westerman en Ferguson van de Commissie Nederland I.F.E.S. en de heer H. Alblas, voorzitter van de Reünistenorganisatie van de Christelijke Gereformeerde studentenbond. Na de uitslag van deze enquête is een kort overzicht van de Commissie Nederland I.F.E.S. opgenomen.

De Reünistenorganisatie beraadt zich momenteel over het ontplooien van activiteiten op landelijk niveau voor studenten uit christelijke gereformeerde kring.

Conclusies

1. Pastoraat onder studerenden is kerkewerk met veel moeite en (ogenschijnlijk) weinig zegen. Het vergt veel trouw en volharding van de pastorale medewerkers op dit terrein. Van de thuisgemeenten wordt oplettendheid en zorgzaamheid verwacht. Van beiden veel gebed voor deze tak van pastorale arbeid.

2. Het is voor het pastoraat onder studerenden een eerste vereiste te beschikken over de adressen van deze jongelui, ook indien ze bij hun ouders blijven wonen. De thuisgemeenten hebben hierin een grote verantwoordelijkheid.

3. Studerenden zijn in een leeftijdsfase en krijgen zoveel problemen, vooral van verstandelijke aard, te verwerken, dat de afstand tot de kerkelijke gemeente snel groter wordt.

4. Het pastoraat onder studerenden kan niet louter zielszorg zijn. Ook de meer stoff elijke noden (eenzaamheid, éénmanshuishoudinkjes) vragen om een meer diaconaal dienstbetoon van de universiteitsgemeente.

5. Studerenden behoeven niet afgescheiden van de gemeente pastoraal verzorgd te worden. Hun speciale omstandigheden en problemen vragen wel vaak om een speciale aanpak, zodat de universiteits gemeente er om praktische redenen niet aan ontkomt om studerenden als aparte groep te begeleiden. Het doel blijft echter toch steeds hen vroeger of later een plaats te geven binnen de gemeente.

6. Pastorale medewerkers van universiteitsgemeenten voelen het als noodzakelijk met elkaar inzichten en ervaringen uit te wisselen. Deputaten voor het contact met de kerkjeugd dienen hierbij een brugfunctie te vervullen.

7. Overwogen dient te worden een studentenpredikant aan te stellen teneinde de kerkeraden van universiteitsgemeenten bij te staan in dit soort pastoraal werk.

8. De voortgang van het pastorale werk onder studerenden wordt op sommige plaatsen gehinderd door het ontoereikend zijn van de financiën. Omdat de universiteitsgemeenten hierin plaatsvervangend bezig zijn voor de thuisgemeenten verdient het sterke aanbeveling een regeling voor de financiële kant van het pastoraat onder studerenden te treffen.

Namens deputaten voor het contact met de kerkjeugd,

drs. P. H. Vree.

Maasdam, december 1976

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.