+ Meer informatie

Boutens geinterviewd

4 minuten leestijd

Het is begrijpelijk dat Boutens, de zoeker en de zanger van de schoonheid, de maand mei (ongetwijfeld de schoonste maand van het jaar) als symbool van de schoonheid beschouwt. De meimaand is voor hem de verpersoonlijking van de schoonheid. Als de dichter een mooie meimorgen beleeft, gaat zijn hart open. De natuur kan clan zo schoon zijn, zo zuiver, alsof alles pas was geschapen. Waarom beleeft hij dat niet dagelijks; waarom weer telkens ingewikkeld zijn in de lage aardse dingen? Meimaand verwijt de dichter zulks; Boutens spreekt zijn hart aan en dan komt het antwoord van mei:

Hart dat aldoor moet volharden Om in bloeien te verbloeden (Buiten kleurt door lichte gaarden 't Korte wonder van den Mei Zijn bosvluchtige vermoeden Van een eeuwger lentetij):

Zie uw lief komt uitgetogen. Boven witte bloesemhagen Stralen oogen in uw oogen Hun weerspiegelend verwijt: „Waartoe afgezonderd dragen Dezen last van zaligheid?

„Wat nieuw wonder bleeft gij beiden, Sinds met de eerste zonnewende Wij op liefdes paden scheidden, Toen ten nedergang van 't jaar Wij elkander onderkenden En onszelven aan elkaar? "

En dan gaat de mei (de symbolische schoonheid) verder en beschouwt de dichter als een kind, dat gevoed wordt dooide schoonheid; dat geregeld met heimwee is vervuld naar het volmaakte, het ongerepte, naar het verre-weg zijn van al het aardse, zoals de Grieken dat voorstelden.

De dichter wordt dan geïnspireerd, wat ook mei tot hem zegt:

„Uit de zaalge sterrennachten Waar zijn maagdlijkheid zich paarde Aan uw heimwees donker smachten, Stamt het vreemd gemengde broed Dat bevolken gaat deze aarde Met zijn schoonheids nieuwen vloed.

Doordat Boutens zich aangetrokken gevoelde tot de oude Grieken, kon het niet uitblijven, dat hij werken uit die tijd ging vertalen. En hij stelt aan de vertaler zware eisen: hij moet de taal verstaan.

In een interview zegt Boutens:

„Dat is het, wat ik op vele schilders en dichters tegen heb. Kijk hier eens, deze foto. Een afbeelding van een stuk van een onbekenden meester. Een kind met een dood vogeltje in de hand. De eerste ontmoeting van het kind en den dood. De lip trilt van verdriet. Zuiver-eenvoudig, hè? Zoo van de natuur afgekeken. Ja, maar je moet kunnen kijken, kunnen zien. Dat kunnen de meesten niet. Maar wie wil schilderen moet altijd bedenken, dat hij te concurreren heeft met Rembrandt en Vermeer. En wie wil dichten met Homerus en Shakespeare. Kom mij nu niet aan met te zeggen, dat er een nieuwe tijd is. Die is er niet en was er niet. Homerus wist het precies zooals Shakespaere of iemand van nu. Het is aldoor weer de oude stem van het wezenlijk Zijnde, die ons maant.

Die groot is, maakt zich klein zonder vernedering Volgroeidheid is tot alle ding beveedring Zoo gaat de vader met ons kindren om En spreekt onze eigen taal in Zijn verteedring.

Die taal klinkt door alle eeuwen. En altijd weer. Die taal moet men verstaan. Daarom moet de dichter de grooten kennen. Hij moet er zich doorheen werken of hij zal geen dichter zijn.

En meent men het beter te kunnen zeggen dan de Perzische dichter, als hij spreekt over den man, die oud werd en moet zeggen:

Genade zwijgt; de tuin ligt herfstbeloken: Rozen van deemoed zijn er nooit ontloken Mijn rug werd niet gebogen in 't gebed De last van zonden heeft hem krom gebogen.

Homerus. Er zijn menschen, die Homerus vervelend vinden. Zij zijn niet te helpen. Anderen loopen voorbij de Nachtwacht en zien niet. Zij kunnen niet zien, noch hooren. En dan meenen ze nieuwe dingen te moeten maken. Nieuw. Wat is er dan sinds Homerus in den mensch veranderd? " Over de nieuwe spelling zei hij o.a.:

„Jaren terug wandelde ik eens in Den Haag. Ik kwam voorbij het huis van een waschvrouw. Haar man had op het raam geschreven: Hier mangeld men. De letters waren nog nat. Ik zag de d en sprak den man aan, zeggende: „Mijn waarde, nu de letters nog nat zijn, kunt gij de fout herstellen. Hier mangelt men is met een t."

De man keek mij aan en schudde het hoofd. „Neen, jongeman, neen. Wij hebben een groote, ouderwetsche mangel. Een lieele zware. Die moet je met twee mannen bedienen. Je zegt dus, als je dat ding in werking zag: Zij mangelden. Dus hij mangeld met een d. Begrijp je dat? "

Ik begreep. Deze man dacht. Omdat hij dacht, was het beter, dat hij „hij mangeld" schreef dan „hij mangelt" zonder te denken.

INDEX

P. C. Boutens, Zomerwolken. De Telegraaf, 3 aug. 1940.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.