+ Meer informatie

OPENINGSWOORD LANDELIJKE AMBTSDRAGERSCONFERENTIE op zaterdag 8 Oktober 1994 in de Ichthuskerk in Amersfoort

7 minuten leestijd

Weleerwaarde en eerwaarde broeders,
In 1988 is een landelijke ambtsdragersconferentie van onze kerken gewijd geweest aan het onderwerp “Verarmt de geloofsbeleving in de reformatorische kerken?” De keuze voor dit thema was ingegeven door een groot aantal reacties uit de kerken op een serie artikelen in de Wekker onder de titel “De wereld schreeuwt erom”, waarin het vooral ging om het persoonlijke getuigenis van de gelovigen naar buiten. Veel reacties kwamen hierop neer, dat het met dat getuigenis van reformatorische/gereformeerde christenen niet zo best is gesteld, in tegenstelling tot wat men op dit punt bij christenen uit de charismatische geloofsgemeenschappen waarneemt. Door de meeste briefschrijvers werd als oorzaak genoemd dat het onder reformatorische christenen met de geloofsbeleving naar binnen niet zo goed is gesteld. Die geloofsbeleving is verarmd en verschraald, stelden sommigen. Door steeds méér mensen zou het geloofsklimaat binnen de reguliere kerken als kil en statisch worden ervaren.

Dààrdoor komt het dat de charismatische geloofsgemeenschappen op veel mensen, ook uit onze kerken, zo’n grote aantrekkingskracht hebben. Op enkele plaatsen zou sprake zijn van opmerkelijke en zelfs collectieve overgangen naar deze geloofsgemeenschappen. Dat kan door een kerkeraad -zoals ik onlangs hoorde - bij de afkondiging aan de gemeente niet worden afgedaan met de kanttekening van de voorganger dat wie zijn eigen weg wil gaan, dat dan maar doen moet. Het zal tot nadenken moeten stemmen, tot bezinning op de vraag of wat men bij ons niet vond, inderdaad als een tekort moet worden aangemerkt.

Wat hebben zij dat wij niet hebben? Te denken valt hier aan de blijmoedigheid, ongedwongenheid, aanstekelijkheid en het collectieve enthousiasme waarmee men binnen de charismatische geloofsgemeenschappen de geloofsgeheimen viert en naar buiten uitdraagt. Zou de oorzaak van wat door sommigen een verarming van de geloofsbeleving in de reformatorische kerken wordt genoemd, voor een deel gelegen kunnen zijn in de omstandigheid dat onze erediensten in het algemeen arm (lijken te) zijn aan mogelijkheden tot expressie van geloofservaring en geloofsbeleving door de gelovigen persoonlijk en als gemeente gemeenschappelijk?

Is veel prediking niet te veel beschouwend en te weinig aansluitend bij, beter gezegd, te weinig toegespitst op de realiteit en de praktijk van het geestelijk leven van de luisterende gemeente? Is het werkelijk waar dat veel prediking vandaag niet meer in staat is vanuit het Woord op overtuigende wijze aan te duiden wie God (voor ons) en wie wij voor God zijn? In dit verband zal onder beschouwende prediking moeten worden verstaan of intellectualistische verhandelingen over Gods Woord zonder toepasselijke spits naar het hart van de gemeente of een uitstalling van schematische geloofswaarheden en geloofsvoorstellingen, zonder dat de gemeente heilzaam wordt opgeschrikt of verrassend wordt getroost.

Zou het echt waar zijn dat in onze tijd niet meer wordt gehoord van “krachtdadige” bekeringen onder en door de verkondiging en dat getuigenissen, waaruit verdieping van het geloofsleven spreekt, uiterst zeldzaam zijn geworden? Hoe komt het dat maar zo weinig prediking in staat is bij de gelovigen heilige geestdrift te wekken, zo men wil, de gemeente in (Schriftuurlijke) spirituele vervoering te brengen, zodat er via het geleide van de Heilige Geest onderling vonken overslaan?

Zijn onze kerkdiensten, welke prachtige theorieën er ook over zijn geschreven, niet wat erg statisch en missen ze niet de dynamiek, die men in de meer spiritueel georiënteerde geloofsgemeenschappen aantreft? Of wordt dààr voor spiritualiteit aangezien wat in wezen niet veel méér is dan menselijke emotionaliteit?

Als in betrekking tot onze erediensten het woord dynamiek wordt gebruikt, moet niet worden gedacht aan modern liturgische fratsen als pogingen tot verlevendiging van de erediensten, maar veel meer aan de noodzaak om in onze reformatorische erediensten te geraken tot een devote(re) viering van de geloofsgeheimen, waarin de gemeente met diepe aandacht en in een directe betrokkenheid, dat is met in zekere vormen gegoten bijdragen, echt participeert. Het laatste klinkt nogal vaag, zal iemand misschien opmerken. Wat moet men zich daarbij dan precies voorstellen?

Dat is niet zo gemakkelijk aan te geven. Bedoeld is hier aan te geven dat de rol van de kerkganger in de reformatorische erediensten een te passieve en daardoor te vrijblijvende is.

Overigens hoeft het voorgaande geen verdringing van de Woordverkondiging als wezenlijk hoofdelement van de eredienst te betekenen. Integendeel, het zou er naar het oordeel van sommigen extra accent aan kunnen geven. Want laat ons wel wezen en eerlijk zijn: hoeveel gemeenten binnen de reformatorische kerkgemeenschappen -ook wel in de onze - zijn er niet waar het kerkelijke leven zich doods, grauw en vlak voortsleept, waar de erediensten door velen als glans- en kleurloos worden ervaren omdat de gemeente veroordeeld is tot het zondag in zondag uit moeten aanhoren van preken, waarvan de inhoud voor de luisteraars aan het begin reeds geheel voorspelbaar is. En waarin men zichzelf vanuit de eigen levenssituatie niet herkent.

De elgenlljke liturgie

lemand heeft eens gezegd dat de eigenlijke liturgie begint als de kerk uitgaat, waarmee bedoeld is dat het verkondigde woord, als het goed is, zijn uitwerking zal vinden in het leven van de gelovigen van elke dag. Daarvan zal ook vandaag zeker nog sprake zijn, maar zou het ver naast de werkelijkheid zijn als wordt gesteld dat in veel gezinnen en in veel conversaties binnen de gemeente, de evaluatie van de zondagse prediking blijft steken in een kritische toetsing van vormgeving en presentatie en van de vaststelling van het soortelijk gewicht? De lof op het verkondigde Woord blijft dikwijls hangen in loftuitingen of misprijzende kritiek op de prediker, met voorbijgaan van het eigenlijke van de boodschap.

En als we werkelijk zouden moeten spreken van verarming in de geloofsbeleving binnen de reformatorische kerken, zou dat dan ook kunnen samenhangen met het feit dat het element “toekomstverwachting” in veel prediking niet of nauwelijks meer aan de orde komt? Over de wederkomst van de Here Jezus wordt nagenoeg nooit gepreekt, noch in vermanende noch in vertroostende zin.

Jongeren missen warmte

We zijn geneigd veel afval en kerkverlating terug te brengen tot onverschilligheid, desinteresse in God en Zijn Woord, die de mens van nature nu eenmaal eigen is. Ook de geest van de tijd trekt aan onze jonge mensen (en niet alleen aan hen), maar gaat er ook niet veel terug op het feit dat veel jongeren het in de kerk geestelijk koud en erg verburgerlijkt vinden en niets voelen van de warmte van een geloofservaring en geloofsbeleving, die het leven van de gemeente als geheel en van elke christen persoonlijk echt doortrekt?

De hoog gestegen kennis met betrekking tot de oorsprongen van het christelijk geloof, de verkregen inzichten in ontstaan, inhoud en bedoeling van de bijbel en de intellectuele openlegging van de bijbelse geheimen, die eeuwenlang meer of minder verborgen bleven, kunnen niet genoeg als een grote zegen worden aangemerkt.

Maar wanneer kennis doel in zichzelf wordt en zich abstraheert van de bijbelse wijsheid, die ons in ons denken, spreken en schrijven over God onze beperkingen en verstandelijke ontoereikendheid te binnen brengt, dan lopen wij met al onze vergaarde kennis hopeloos vast. Dan mogen we intellectueel veel weten, maar dan kan er een discrepantie ontstaan tussen verstandelijk weten en innerlijke beleving, eenvoudig omdat verabsoluteerde kennis de kanalen waarlangs de Heilige Geest in ons wil werken, verstopf.

Levert alle vergaarde kennis op het terrein van het geloof over de brede linie van het kerkelijk leven in onze westerse samenleving, generaal gesproken, nog wel het rendement op van de eenvoudige relatie met God? Is de theologie met haar diversiteit in geestelijke denksystemen, al of niet behoudzuchtig of modernistisch getint en dikwijls verabsoluteerd, de eenvoudige wijsheid van het leven met God niet in de weg gaan staan? Sluit zij nog wel aan bij de werkelijkheidservaring van de mens in het algemeen en bij de geestelijke belevingswereld van de gelovigen in het bijzonder?

Misschien kan op deze vragen vanmorgen en vanmiddag antwoord worden gegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.