+ Meer informatie

Besluitenboekje generale synode Rotterdam-Centrum 1983

45 minuten leestijd

Aan de lezers.

De redactie biedt u hierbij de tekst aan van de besluiten der generale synode van Rotterdam 1983.

Ds. J. Brons, scriba I, en ds. H. van der Schaaf, scriba II, hebben de tekst verzorgd. Zij hebben hieraan toegevoegd alle nieuwe reglementen en richtlijnen.

Het is de redactie een zaak van vreugde dat alle lezers van Ambtelijk Contact zo snel van besluiten en de getroffen richtlijnen/reglementen op de hoogte gesteld worden.

Moge van het gebodene serieus kennis genomen worden.

REDACTIE

A. KERKORDE

1. Artikel 3.

De synode besloot als sub 8 aan artikel 3 toe te voegen:

Een kerkeraad is gerechtigd een belijdend lid der kerken, dat daartoe een bepaalde opleiding heeft gevolgd of anderszins daartoe bekwaam is — wat in beide gevallen uit een door de kerkeraad in te stellen onderzoek moet blijken — een bijzondere opdracht te verlenen, betrekking hebbend op de opbouw van de gemeente of de voortgang van het werk in Gods Koninkrijk.

Hierbij gelden de volgende regels:

a. Degene die de opdracht ontvangt zal schriftelijk hebben te verklaren zich in zijn werk trouw te zullen houden aan de heilige Schrift, de belijdenis der kerken en de geldende kerkorde.

b. Het verlenen van deze opdracht brengt geen enkele bevoegdheid tot het vervullen van enige ambtelijke dienst als bedoeld in artikel 2 K.O. met zich mee.

c. De bijzondere opdracht, die verleend wordt, dient te worden vastgelegd in een nauwkeurig omschreven dienstovereenkomst, die ter goedkeuring aan de classis zal worden voorgelegd.

d. In de onder c genoemde overeenkomst zullen ook de tijdsduur van de overeenkomst en de wijze van levensonderhoud worden vastgesteld, waarbij rekening zal worden gehouden met de door deputaten voor financiële zaken te geven richtlijnen.

2. Artikel 50.

Door een toevoeging luidt artikel 50 sub 14 nu als volgt:

In geval een of meer vacatures vervuld moeten worden, zullen de deputaatschappen een voordracht van twee personen voor elke vacature in de eerste zittingsweek bij het moderamen van de synode in een afzonderlijk schrijven indienen. Deze aanbeveling zal aan de synode worden bekendgemaakt. Het moderamen heeft evenwel het recht van de aanbeveling af te wijken. In geval van afwijking van de voordracht zal zo mogelijk vooraf met het desbetreffende deputaatschap contact worden opgenomen (1962, 1983).

B. NIEUWE REGLEMENTEN/RICHTLIJNEN

1. Reglement voor kerkvisitatie (nieuwe bijlage 27).

De gewone kerkvisitatie, die volgens artikel 44 K.O. jaarlijks in de kerken moet plaatshebben, zal naar de volgende regels geschieden.

Algemene bepalingen.

1. Elke classis benoemt tenminste twee van haar meest ervaren en bekwame dienaren des Woords, dan wel — indien nodig — één zulk een dienaar en één bekwame ouderling, alsmede een gelijk aantal secundi, met de opdracht om aan de hand van dit reglement op de gewone kerkvisitatie onderzoek te doen naar de toestand van de kerken in haar ressort.

2. De visitatoren geven minstens drie weken van tevoren aan de betrokken kerkeraad kennis van de dag en het uur van hun komst.

3. Alle leden van de kerkeraad zorgen op de vergadering, voor kerkvisitatie bestemd, aanwezig te zijn.

Bij verhindering zijn zij verplicht de reden van hun afwezigheid ter kennis van deze vergadering te brengen.

4. De kerkeraad draagt zorg dat de ledenadministratie, het notulenboek, alsmede de boeken van de penningmeesters van kerk en diaconie — voorzover gebruikt na de laatste gehouden kerkvisitatie — ter vergadering aanwezig zijn.

5. Aangezien de gewone kerkvisitatie een vergadering van de kerkeraad met de visitatoren is, heeft de voorzitter van de kerkeraad de leiding en maakt de scriba van de kerkeraad notulen.

Op een buitengewone kerkvisitatie, die een vergadering is van de visitatoren met de kerkeraad, vervult de oudste van de visitatoren in dienstjaren de functie van praeses en fungeert de andere als scriba.

6. Voorafgaand aan het onderzoek informeren visitatoren of de kerkvisitatie aan de gemeente bekendgemaakt is en of de boeken ter tafel zijn. Tevens stellen zij de presentie aan de orde.

De kerkvisitatie kan alleen doorgang vinden wanneer tenminste tweederde van het aantal kerkeraadsleden aanwezig is.

7. Het reglement op de kerkvisitatie is bedoeld als handleiding die de lijn aangeeft waarlangs de kerkvisitatie dient te verlopen.

De aan de orde te stellen onderwerpen kunnen ook door de kerkeraad in eigen kring worden besproken. In dat geval kan de kerkeraad aan de visitatoren tevoren schriftelijk het antwoord op bepaalde vragen doen toekomen om ter vergade-dering gelegenheid te hebben andere zaken met visitatoren breder door te spreken.

Visitatoren hebben te allen tijde het recht op de aldus beantwoorde vragen terug te komen.

8. De vragen, die betrekking hebben op het ambtswerk van de predikant(en) — I, 5 t/m 9 — zullen gesteld worden in zijn (hun) afwezigheid.

In gevallen van bijzondere kerkvisitatie kunnen vragen met betrekking tot het ambtswerk van de ouderlingen en diakenen in hun afwezigheid worden gesteld.

I. Dienst des Woords en der sacramenten — ambtswerk predikant(en).

1. Wordt de gemeente elke zondag tweemaal en ook op de christelijke feestdagen en bid- en dankdagen voor het gewas samengeroepen tot de ambtelijke dienst des Woords?

2. Wordt elke zondag de wet des Heren aan de gemeente voorgehouden en het apostolisch geloof beleden?

3. Wordt in de samenkomsten van de gemeente zowel uit het Oude als het Nieuwe Testament gepreekt en waakt de predikant met de kerkeraad voor eenzijdige tekstkeuze?

4. Wordt elke zondag — behalve op feest- en avondmaalszondagen — de Heidelbergse Catechismus behandeld (of eventueel een ander belijdenisgeschrift der kerk) zó, dat geen enkel deel van deze belijdenis wordt overgeslagen?

5. Gaat de predikant bij de bediening van Woord en sacrament getrouw te werk volgens Gods Woord, de formulieren van enigheid en de kerkorde?

6. Leidt de predikant met stichting de kerkdiensten en bedient hij in zijn prediking de sleutelen van het koninkrijk der hemelen?

7. Studeert de predikant — mede met het oog op de prediking — ijverig? Komt hij voldoende aan studeren toe?

8. Legt de predikant ook huisbezoek af? Bearbeidt hij elk gezin/adres van de gemeente? Is hij trouw in zijn pastorale arbeid?

9. Is de predikant in zijn optreden een voorbeeld voor de gemeente en besteedt u ook pastorale zorg aan hem en zijn gezin?

10. Komt de prediking regelmatig aan de orde op de vergadering van de kerkeraad?

11. Hoe is de opkomst van de gemeente in de verschillende erediensten en vormt het kerkbezoek onderwerp van bespreking op de kerkeraadsvergadering?

12. Is er vrucht op de prediking, uitkomend in geloof en bekering en in een opwassen in de genade en kennis van de Here Jezus Christus, zodat u kunt spreken van een gebouwd worden van de gemeente?

13. Hebt u als kerkeraad een liturgische orde vastgesteld of laat u ieder die in de eredienst voorgaat in dit opzicht vrij?

Houdt u zich aan de bepalingen van de kerkorde betreffende de liturgie?

14. Wordt bij elke sacramentsbediening het daarvoor bestemde formulier gelezen en maakt u, indien ook in de tweede dienst het avondmaal wordt gevierd, gebruik van het korte formulier?

15. Geeft u er behoorlijk acht op wie u tot het gebruik van de sacramenten toelaat?

16. Zijn de ouders begerig hun kinderen te laten dopen en wordt met hen over de betekenis van de doop gesproken?

17. Zijn er ouders die bezwaren hebben tegen de kinderdoop en spreekt u daarover met hen? Draagt dit ook vrucht?

18. Hoe vaak vindt de bediening van het avondmaal plaats? Wordt ook steeds een voorbereidingspreek gehouden?

19. Leeft er in de gemeente een begeerte naar de viering van het avondmaal? Stelt u zich daarvan regelmatig op de hoogte?

20. Besteedt u in de voorbereidingspreek en op het huisbezoek aandacht aan de in de gemeente levende vragen met betrekking tot het avondmaal?

21. Worden de huwelijken kerkelijk bevestigd? Geeft u er ook behoorlijk acht op aan wie u kerkelijke bevestiging van hun huwelijk toestaat?

Vragen in vacante gemeenten te stellen.

22. Stelt u ijverige pogingen in het werk, al of niet in samenwerking met een naburige gemeente, om een dienaar des Woords te beroepen, eventueel met hulp van de kas onderlinge bijstand?

23. Vervullen de daartoe door de classis aangewezen predikanten hun vacaturebeurten getrouw? Stelt u ieder van hen daartoe ook in staat?

24. Worden, indien geen predikant voorgaat, uitsluitend preken gelezen van predikanten die tot de dienst des Woords in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland wettig geroepen zijn, respectievelijk van predikanten die gediend hebben in de kerken welker wettige voortzetting zij zijn of van predikanten uit kerken in het buitenland waarmee wij in correspondentie staan?

25. Worden, indien geen predikant voorgaat, de preken gelezen door een ambtsdrager of door een ander gemeentelid? Leidt in het laatste geval een ouderling de dienst en gaat hij voor in de gebeden?

26. Besteedt u ook aandacht aan de behandeling van de Catechismus?

II. Catechese.

1. Gedurende hoeveel weken per jaar geeft de predikant catechisatie?

Vanaf welke leeftijd en in welke mate volgt de jeugd van de gemeente dit onderwijs? Hoe groot is het aantal catechisanten per groep?

2. Is er een door de kerkeraad goedgekeurd leerplan? Van welke boeken of andere leermiddelen wordt gebruik gemaakt?

3. Ziet u erop toe dat op de catechisatie behalve aan de kennis van de Heilige Schrift ook aandacht wordt besteed aan de belijdenis en de geschiedenis van de kerk?

4. Staan de ouderlingen de predikant bij in de catechese en bezoeken zij volgens een door de kerkeraad opgesteld rooster de catechisaties?

5. Vinden er met de ouders gesprekken plaats over de catechese en weten zij zich er bij betrokken?

6. Komt op de catechisatie, met name bij de oudste groep, ook het doen van openbare geloofsbelijdenis en de betekenis daarvan aan de orde?

7. Hebt u met hen die belijdenis des geloofs willen afleggen een gesprek over hun motieven om dat te doen en over wat belijdenis afleggen inhoudt, voordat u hen toelaat tot de belijdeniscatechisatie?

Vraag in vacante gemeenten te stellen.

8. Wie geeft bij u catechetisch onderwijs en hebt u nauw contact met de catecheet?

III. Pastoraat.

1. Is er een wijkindeling, zodat de leden weten wie hun wijkouderling en -diaken (eventueel hun wijkpredikant) is?

2. Ontvangen alle gezinnen elk jaar huisbezoek, zodat geen gezin of alleenstaande wordt overgeslagen en wordt van elk huisbezoek verslag uitgebracht?

3. Komen doel, inhoud en vorm van het huisbezoek regelmatig ter sprake op de kerkeraadsvergadering?

4. Indien u een predikant hebt naar artikel 6 K.O., hoe is het contact met hem, rapporteert hij regelmatig en gaat hij van tijd tot tijd bij u voor in de dienst des Woords?

5. Overweegt u wel eens, gezien de grootte van de gemeente, een tweede predikantsplaats in te stellen?

6. Zijn de (wijk)ouderlingen trouw in het bezoeken van de hun toevertrouwde leden en beijveren zij zich om in moeilijkheden van welke aard ook de juiste pastorale leiding te geven in overleg met de predikant en (eventueel) de diaken?

7. Hebt u ouderlingen met bijzondere opdracht: jeugd-, evangelisatie-, bejaardenouderling? Besteedt u ook aandacht aan verpleegkundigen, studenten en in het algemeen aan kamerbewoners?

8. Gedragen de ouderlingen zich als voorbeelden der gemeente?

9. Hoe bearbeidt u doopleden die niet meer ter catechisatie komen en geen belijdenis des geloofs begeren te doen?

10. Geeft u bij vertrek van leden der gemeente bericht aan de kerkeraad van de gemeente waaronder zij komen te ressorteren?

11. Worden de namen en adressen van doop- en belijdende leden die regelmatig elders verblijven (militairen, studenten, verpleegkundigen etc.) ter kennis gebracht van de betrokken kerkeraden?

12. Welke aandacht besteedt u aan gemeenteleden, die regelmatig voor recreatie elders verblijven?

IV. Diaconie.

1. Houden de diakenen afzonderlijk vergaderingen naar artikel 40 K.O. en doen zij verantwoording van hun arbeid en beheer aan de kerkeraad?

2. Is er een goed overleg tussen de diakenen enerzijds en de predikant en de ouderlingen anderzijds?

3. Gaan de diakenen ook op diaconaal huisbezoek om de gemeente toe te rusten tot haar diaconale taak? Schenken zij daarbij ook aandacht aan bijzondere noden die zich in eigen land of in de wereld voordoen?

4. Met welke instellingen op maatschappelijk gebied werken de diakenen samen? Maken zij, waar nodig, gebruik van dediensten van de Christelijke Gereformeerde Vereniging voor Kinderbescherming en van het van haar uitgaande Adviesbureau?

5. Op welke wijze schenken de diakenen aandacht aan hen die speciale zorg behoeven: werklozen, gehandicapten, langdurig zieken, bejaarden?

6. Bestaat er een zusterkring of vereniging van ziekenzorg die werkt onder auspiciën van de diaconie?

7. Openbaren de diakenen christelijke bewogenheid in allerlei nood en gedragen zij zich zoals een christen betaamt?

V. Kerkeraad.

1. Heeft verkiezing van kerkeraadsleden naar de kerkorde plaats?

Hebt u een regeling voor deze verkiezing vastgesteld?

Hoe lang is de diensttijd van de ambtsdragers en worden de aftredenden door anderen vervangen?

2. Hebben alle kerkeraadsleden het voor hen bestemde verbindingsformulier ondertekend, ook na eventuele herverkiezing?

3. Hoe vaak vergadert de kerkeraad en is het tijdstip van vergaderen de leden van de gemeente bekend?

4. Worden van elke vergadering notulen gemaakt die na lezing en vaststelling door voorzitter en scriba worden ondertekend?

5. Waakt u — mede door studie en gesprek — over de aangenomen leer, zodat u bij deze leer blijft volharden?

6. Is er een saamhorigheid in de kerkeraad en treedt de kerkeraad als een eenheid naar buiten?

7. Wonen de kerkeraadsleden getrouw de kerkdiensten en de vergaderingen van de kerkeraad bij?

8. Vindt voor elke (voorbereiding op de) avondmaalsbediening censura morum plaats onder de leden van de kerkeraad en op welke wijze?

9. Oefent u getrouw de kerkelijke tucht uit zowel over belijdende leden als doopleden overeenkomstig Gods Woord en de kerkelijke bepalingen?

Zijn er broeders en zusters die onder censuur staan en bereikt de tuchtoefening het gewenste doel?

Vraag in vacante gemeenten te stellen.

10. Wordt in gewichtige gevallen de dienst van de consulent ingeroepen?

In welke mate maakt u van zijn dienst gebruik?

VI. Gemeentelijk leven.

1. Welk beeld vertoont het gemeentelijk leven in geestelijk opzicht?

Zijn er op dit punt bijzonderheden mee te delen?

2. Bezint u zich als kerkeraad op de eenheid en opbouw van de gemeente? Wat doet u om de onderlinge gemeenschapsoefening te bevorderen?

3. Belegt u ook jaarlijks een vergadering met de leden van de gemeente (een zgn. „ledenvergadering”) en behandelt u dan uitsluitend van tevoren vastgestelde agendapunten?

4. Welke verenigingen zijn er en hoe is de deelname aan het verenigingsleven? Hoe onderhoudt u het contact met de verenigingen?

5. Besteedt u aandacht aan de jeugd? Neemt de jeugd deel aan het gemeentelijk leven en welke plaats heeft de jeugd in de gemeente?

6. Probeert u heel de gemeente te betrekken bij het gemeentelijk leven?

7. Wat doet de gemeente aan evangelisatie? Is er een evangelisatiecommissie en hoe werkt deze? Wordt ook aandacht besteed aan gastarbeiders?

8. Welke activiteiten worden ontplooid ten dienste van zending en evangelieverkondiging onder Israël?

9. Schenkt u in uw vergaderingen en in uw pastorale arbeid ook aandacht aan het onderwijs? Laten de ouders indien mogelijk hun kinderen onderwijs volgen dat naar Schrift en belijdenis is en worden zij die in dit opzicht nalatig zijn vermaand? Spreekt u met de ouders over het christelijk karakter van het onderwijs en dringt u aan op het daadwerkelijk dragen van verantwoordelijkheid in dezen (lidmaatschap schoolvereniging, oudercommissie etc.)?

10. Onderhoudt u contacten met andere kerken van gereformeerde belijdenis ter plaatse? Zo ja, van welke aard zijn deze contacten? Zo nee, waarom niet?

VII: Breder kerkelijk leven.

1. Weet uw gemeente zich verbonden met de zusterkerken en op welke wijze probeert u die verbondenheid gestalte te geven?

2. Neemt u kennis van hetgeen in de kring der kerken verschijnt aan periodieken en boeken?

3. Worden de besluiten van classis en synoden nageleefd en houdt u zich aan al de bepalingen van de K.O.?

4. Worden de voorgeschreven collecten voor alle kerkelijke kassen gehouden en de afgesproken omslagen getrouw afgedragen?

Bewandelt u bij eventuele bezwaren tegen bepaalde facetten van de arbeid van een deputaatschap de kerkelijke weg?

VIII. Beheer en financiën.

1. Is er een behoorlijke offervaardigheid bij de gemeente voor de dienst des Heren en de diaconie? Hebt u hieromtrent iets bijzonders mee te delen?

2. Wordt de financiële administratie gevoerd door de kerkeraad of door een commissie van beheer? Is er in het laatste geval een reglement voor de verhouding tussen de kerkeraad en deze commissie?

3. Heeft de kerkeraad zodanige maatregelen getroffen, dat het beheer van de gelden van de kerk en diaconie afzonderlijk wordt gehouden van het privé-bezit van de respectievelijke penningmeesters?

4. Worden de gelden en bewijzen van eigendom op een veilige plaats zo bewaard, dat er geen aanleiding kan bestaan tot wantrouwen, noch moeilijkheden zich kunnen voordoen bij aftreden of overlijden?

5. Volgt u wat het levensonderhoud van uw predikant(en) betreft op z’n minst het advies van deputaten voor financiële zaken?

6. Wordt een financieel overzicht betreffende kerk en diaconie geregeld ter kennis gebracht van de leden der gemeente?

7. Worden de namen en voornamen van de gedoopten en van hun ouders alsook de datum van geboorte en doop nauwkeurig in het daarvoor bestemde boek en/of kaartsysteem opgetekend?

8. Is er een nauwkeurige ledenadministratie? Kunt u bij alle veranderingen die zich voordoen door doop, belijdenis, inkomst en vertrek steeds het juiste aantal doop-en belijdende leden noemen?

Verstrekt u nauwgezet alle gegevens zoals die jaarlijks gevraagd worden voor de statistiek van het kerkelijk jaarboek?

9. Wordt het archief geregeld bijgehouden en op een veilige plaats bewaard? Wie is hiervoor verantwoordelijk? Vindt er regelmatig controle plaats? (Zie bijlage 54 K.O.).

Slotbepalingen.

1. Na afloop van de gewone kerkvisitatie zullen de visitatoren vragen of er ook moeilijkheden zijn waarin het advies van de visitatoren verlangd wordt. Dit advies is niet bindend. De beslissing in dergelijke zaken blijft aan kerkeraad en classis.

2. Hierna controleren de visitatoren of de boeken geregeld worden nagezien en door de kerkeraad of een commissie uit de kerkeraad voor akkoord zijn getekend. De visitatoren kunnen advies geven over de inrichting der boeken. Na afloop van dit onderzoek worden de boeken door hen getekend.

3. Tenslotte worden de notulen van de vergadering, vermeldende het resultaat der visitatie, in het notulenboek van de kerkeraad geschreven, voorgelezen en, na goedkeuring, door voorzitter en scriba van de kerkeraad en door beide visitatoren ondertekend.

4. De visitatoren zullen een verslag van hun bevindingen en handelingen opmaken en dit in de eerstvolgende classisvergadering voorlezen.

2. Reglement voor het deputaatschap kerkelijke archieven (nieuwe bijlage 28).

Artikel 1.

Dit reglement verstaat onder:

a. kerkelijke archieven: het geheel van alle geschreven, getypte, gedrukte, gestencilde, getekende of op andere wijze vervaardigde bescheiden (waaronder ook registers, acta, notulenboeken e.d. zijn begrepen), die door een kerkelijke vergadering bij de uitoefening van haar functie zijn ontvangen of opgemaakt en bestemd zijn daaronder te berusten;

b. kerkelijke vergadering: de vergaderingen als bedoeld in artikel 29 van de Kerkorde, alsmede de door die vergaderingen benoemde deputaatschappen en commissies; tevens worden hieronder begrepen de door een kerkelijke vergadering benoemde functionarissen met een speciale opdracht;

c. semi -kerkelijk archief: een archief als onder a. omschreven van kerkelijke verenigingen, verenigingsverbanden en andere semi-kerkelijke organisaties.

Artikel 2.

Er is een deputaatschap voor de kerkelijke archieven.

Dit deputaatschap bestaat uit tenminste vijf leden. Deze leden worden door de generale synode benoemd, die tevens de voorzitter en de secretaris aanwijst.

Twee leden van het deputaatschap worden nadrukkelijk aangewezen als archivarissen, terwijl de overige leden een controlerende functie hebben.

Artikel 3.

Het deputaatschap heeft tot taak:

a. het beheer en het toezicht op het beheer van het archief van de generale synode en de door haar benoemde deputaatschappen, commissies en aangestelde functionarissen;

b. het toezicht op het beheer bij de kerkelijke vergaderingen waarop ingevolge het bepaalde in artikel 45 van de Kerkorde de generale synode het toezicht dient uit te oefenen;

c. het bevorderen van een goed archiefbeheer bij de overige kerkelijke vergaderingen;

d. het bevorderen van de bewaring van semi -kerkelijke archieven.

Artikel 4.

Deputaten staan met betrekking tot alle zaken die in comité zijn behandeld en die hun uit hoofde van hun werkzaamheden ter kennis komen, onder verplichting van geheimhouding.

Artikel 5.

Gelet op de juridische en historische waarde van kerkelijke archieven is het deputaatschap bevoegd — onder goedkeuring van de generale synode — richtlijnen op te stellen met betrekking tot de zorg voor en het beheer van de archieven van de kerkelijke vergaderingen en adviezen te geven of aanbevelingen te doen die het in het belang acht voor het archiefwezen van de kerken.

Artikel 6.

Het deputaatschap is bevoegd aanbevelingen te doen en adviezen te geven voor het beheer en de bewaring van semi-kerkelijke archieven, voorzover de bescheiden uit historisch oogpunt van belang zijn voor de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland en de ontwikkeling van het verenigingsleven binnen deze kerken.

Artikel 7.

Voor de bewaring van haar archiefbescheiden en voor de archiefbescheiden van haar deputaatschappen, commissies en functionarissen wijst de generale synode één van de kerken aan als archiefbewarende kerk volgens redelijk gestelde c.q. nader te stellen voorwaarden en aanwijzingen.

Bij wijziging van de bewaarplaats of van de voorwaarden en aanwijzingen zal steeds aan deputaten advies worden gevraagd.

Artikel 8.

De archieven van de door de generale synode benoemde deputaatschappen, commissies en functionarissen, waaronder ook begrepen het archief van het deputaatschap voor de kerkelijke archieven, dienen in de bewaarplaats van het archief van de generale synode te worden ondergebracht terstond na de ontheffing van de opdracht of zodra dit mogelijk is met het oog op de continuiteit van de werkzaamheden, doch in elk geval na een termijn van zes jaren. In voorkomend geval kan na overleg met de deputaten voor de kerkelijke archieven van deze termijn worden afgeweken.

Indien een deputaatschap toestemming krijgt zelf zijn archief te beheren en te bewaren, zal in de instructie voor het desbetreffende deputaatschap van deze toestemming uitdrukkelijk melding worden gemaakt.

Deputaten geven aanwijzingen omtrent het beheer en de bewaring van (nog) niet overgedragen archieven van de door de generale synode ingestelde deputaatschappen, commissies en benoemde functionarissen. Bij verschil van mening over een bepaalde aanwijzing leggen zij dit aan de generale synode voor.

Artikel 9.

De beide archivarissen zijn belast met het beheer van het archief van de generale synode. Zij regelen onderling hun werkzaamheden.

Artikel 10.

Onder het beheer dat de archivarissen voeren, wordt verstaan:

a. de daadwerkelijke verzorging van het synodale archief;

b. het aanleggen van deugdelijke inventarissen van alle archiefbescheiden en van alle bescheiden die nog aan het archief worden toegevoegd;

c. het opstellen van een lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, welke lijst door het deputaatschap moet worden goedgekeurd, eventueel na voorafgaand overleg met het deputaatschap, de commissie of de functionaris die het archief heeft gevormd.

Artikel 11.

De archivarissen plegen ten aanzien van hun specifieke taak steeds overleg met de overige leden van het deputaatschap. Ingrijpende wijzigingen in hun beheer mogen alleen plaatsvinden als hiertoe in een vergadering van het deputaatschap is besloten.

Artikel 12.

Bij de indeling van het archief, de inventaris en de uitlening van bescheiden dient duidelijk onderscheid te worden gemaakt tussen stukken die in comité zijn behandeld en de overige stukken. In voorkomende gevallen dienen verwijzingen te worden gemaakt ten einde de toegankelijkheid van het archief te vergroten.

Artikel 13.

Het is de archivarissen niet toegestaan stukken die behoren tot de geheime dossiers uit te lenen of te doen raadplegen. Alleen in zeer bijzondere gevallen, ter beoordeling van deputaten, kan toestemming tot het uitlenen of raadplegen van dergelijke stukken worden verleend onder door hen te stellen voorwaarden.

Artikel 14.

Met inachtneming van het gestelde in artikel 13 mogen de archivarissen daarvoor in aanmerking komende bescheiden uit het archief in bruikleen geven onder voorwaarde dat:

a. de uitlening slechts plaatsvindt tegen een bewijs van ontvangst, uit welk bewijs duidelijk de naam en het adres van degene aan wie de bescheiden zijn uitgeleend, moeten blijken;

b. de termijn van uitlening ten hoogste vier weken bedraagt; deze termijn kan in een bijzonder geval met toestemming van deputaten belast met de controle ten hoogste met vier weken worden verlengd;

c. de archivarissen na het verstrijken van de onder b. genoemde termijnen een aanmaning sturen om de in bruikleen ontvangen archiefbescheiden onverwijld terug te sturen;

d. indien aan de aanmaning als bedoeld onder c. geen gevolg wordt gegeven, de archivarissen hiervan ten spoedigste mededeling doen aan de deputaten belast met de controle, ten einde daarna gezamenlijk de vereiste maatregelen te treffen om de bescheiden weer te doen terugkeren in het archief;

e. geen bescheiden worden uitgeleend die van grote waarde of onvervangbaar zijn; in voorkomende gevallen kan worden toegestaan dergelijke bescheiden ter plaatse in het bijzijn van één der archivarissen te raadplegen;

f. alleen in zeer bijzondere gevallen, zulk ter beoordeling van deputaten, bescheiden mogen worden uitgeleend aan niet-leden van de Christelijke Gereformeerde Kerken; naast de gewone voorwaarden kunnen in zo’n geval door deputaten bijzondere voorwaarden worden gesteld;

g. geen bescheiden worden uitgeleend, indien de archivarissen van oordeel zijn dat de materiële toestand ervan zich daartegen verzet, of indien ze de aanvrager om redenen van algemeen kerkelijk belang of wegens andere deugdelijke redenen niet ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 15.

In geen geval mogen van de kerkelijke archieven die door een deputaatschap als bedoeld in artikel 8 zelf worden beheerd, bescheiden worden vernietigd zonder dat hieromtrent met het deputaatschap voor de kerkelijke archieven overleg is gepleegd; ditzelfde geldt ten aanzien van archiefgedeelten die zodanige ouderdom bezitten, dat het aanbeveling verdient deze gedeelten over te brengen naar het centrale archief ten einde ze uit historisch oogpunt daar te bewaren.

Artikel 16.

De deputaten die belast zijn met de controle als bedoeld in artikel 2 van dit reglement, houden geregeld toezicht op het beheer dat de archivarissen ten aanzien van het archief van de generale synode plegen.

Artikel 17.

Voor het uitoefenen van het toezicht als bedoeld in artikel 3 onder a. van dit reglement dragen de deputaatschappen die toestemming hebben zelf hun archief te beheren en te bewaren, er steeds zorg voor dat bij de secretaris van het deputaatschap voor de kerkelijke archieven bekend is wie belast is met het beheer van deze archieven en waar deze worden bewaard.

Artikel 18.

Het toezicht op het beheer van de archieven van de particuliere synoden wordt door deputaten zelf geregeld in overleg met de betrokken archivaris van de particuliere synode.

Artikel 19.

Deputaten rapporteren aan de generale synode betreffende hun werkzaamheden en de toestand waarin de archieven zich bevinden, waarop zij ingevolge het bepaalde in de artikelen 16, 17 en 18 toezicht uitoefenen.

De archivarissen voegen bij dit rapport een aanvullend rapport omtrent het door hen gevoerde beheer.

3. Regeling voor het beheer van de archiefbescheiden van een kerkelijke vergadering (k.v.) (nieuwe bijlage 54).

Algemeen.

Artikel 1.

In deze regeling worden onder archiefbescheiden (-stukken) verstaan:

a. bescheiden die door de k.v. zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd om onder de k.v. te berusten;

b. bescheiden met overeenkomstige bestemming, ontvangen of opgemaakt door instellingen, verenigingen of personen, wier rechten of functies op de k.v. zijn overgegaan;

c. bescheiden die ingevolge overeenkomsten met of besluiten van instellingen, verenigingen of personen, dan wel uit anderen hoofde in de archiefruimte van de k.v. zijn opgenomen om daar te berusten;

d. reprodukties die in de plaats zijn gesteld van de onder a., b. of c. bedoelde archiefbescheiden.

Artikel 2.

Voor de bewaring van de archiefbescheiden wijst de k.v. een archiefruimte aan.

Artikel 3.

Omtrent plannen betreffende de aanschaf, bouw, verbouwing, inrichting of verandering van inrichting van de kerkelijke archiefruimte worden de richtlijnen van het deputaatschap voor de kerkelijke archieven in acht genomen.

Beheer recent archief.

Artikel 4.

De scriba/secretaris van de k.v. is belast met het beheer van de onder de k.v. berustende archiefbescheiden, die niet ouder zijn dan 5 jaren (het recente archief).

Hij kan hierbij gebruikmaken van de richtlijnen die door het deputaatschap voor de kerkelijke archieven zijn vervaardigd.

Artikel 5.

Inkomende stukken worden dadelijk na ontvangst in een los- of vastbladig inschrijvingsregister ingeschreven, zodat hun ontvangst kan worden vastgesteld.

De inschrijving in het register dient zodanig te zijn, dat op eenvoudige wijze ieder archiefstuk kan worden gevonden, waarvan slechts bekend is:

— hetzij de inhoud van het stuk;

— hetzij de afzender of geadresseerde, alsmede de datum en het kenmerk (nummer) bij verzending of ontvangst aan het stuk gegeven;

— hetzij de datum waarop het stuk is behandeld op enige vergadering van de k.v..

Artikel 6.

De scriba/secretaris van de k.v. draagt er zorg voor dat de vervaardiging van archiefbescheiden geschiedt op zodanige wijze en met gebruik van zodanige materialen dat deze bescheiden een voldoende houdbaarheid bezitten.

Beheer ouder archief.

Artikel 7.

Door de k.v. wordt een archivaris benoemd die belast wordt met het beheer van de onder de k.v. berustende archiefbescheiden, die ouder zijn dan 5 jaren (het oudere archief).

Hij maakt hierbij gebruik van de richtlijnen die door het deputaatschap voor de kerkelijke archieven zijn vervaardigd.

Artikel 8.

De archivaris staat in betrekking tot alle zaken die hem uit hoofde van het beheer van de archiefbescheiden ter kennis komen onder verplichting van strikte geheimhouding.

Artikel 9.

a. De archivaris dient te bevorderen dat archiefbescheiden, ouder dan 5 jaren, van deputaatschappen, commissies en verenigingen, die ingevolge hun reglementen dienen te worden overgedragen aan de beheerder van de kerkelijke archiefruimte, regelmatig worden overgebracht.

b. Omtrent de regeling van de overdracht van de in de artikelen 4 en 9a bedoelde archiefbescheiden kan de archivaris voorstellen doen aan de k.v., deputaatschappen, commissies of verenigingen.

Artikel 10.

leder overgedragen archief dient zodanig in een archiefoverzicht of anderszins te zijn beschreven en van ingangen te zijn voorzien, dat te allen tijde op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld welke archiefeenheden in de archiefruimte behoren te berusten en waar deze zich bevinden.

Artikel 11.

Het raadplegen van archiefbescheiden door anderen dan de leden der k.v., deputaatschap, commissie of vereniging, die met de behandeling van de zaken, waarop de stukken betrekking hebben, zijn belast, is slechts geoorloofd met toestemming van het moderamen van de k.v.

Artikel 12.

a. Voor uitlening van archiefbescheiden aan derden is de toestemming vereist van het moderamen van de k.v..

b. De archivaris houdt aantekening van de uitlening en controleert of het uitgeleende tijdig wordt terugontvangen.

c. Bij de uitlening worden de richtlijnen in acht genomen die daarvoor door het deputaatschap voor de kerkelijke archieven zijn opgesteld.

Artikel 13.

a. De archivaris kan voorstellen doen aan de k.v. omtrent het in bewaring geven van archiefbescheiden die ouder zijn dan 50 jaren, aan een archiefbewaarplaats die beheerd wordt door een gemeentelijke, streek- of rijksarchivaris.

b. De k.v. beslist over deze voorstellen nadat zij daaromtrent advies heeft gevraagd aan het deputaatschap voor de kerkelijke archieven.

Artikel 14.

a. Tenminste eenmaal in de 5 jaren wordt door de archivaris overgegaan tot vernieti ging van daarvoor, krachtens een door het deputaatschap voor de kerkelijke archieven opgemaakte vernietigingslijst, in aanmerking komende archiefbescheiden.

b. Van de vernietiging, die slechts plaatsvindt met machtiging van het moderamen van de k.v., wordt een verklaring opgemaakt waarin vermeld wordt welke bescheiden vernietigd zijn en wanneer.

Artikel 15.

a. Bij opheffing, splitsing of fusie van de k.v. wordt advies gevraagd aan het deputaatschap voor de kerkelijke archieven omtrent de zorg en het beheer van de archiefbescheiden en de aanwijzing van een archiefruimte.

b. Het besluit of de overeenkomst van de k.v. hierover wordt schriftelijk vastgelegd en aan het deputaatschap meegedeeld.

C. TOEVOEGINGEN EN WIJZIGINGEN IN BIJLAGEN

1. Bijlage 3 -

Instructie voor de deputaten voor de geestelijke verzorging van gehandicapten en de behartiging van het ziekenhuispastoraat.

Artikel 2 aan te vullen met:

f. het behartigen van de belangen van het ziekenhuispastoraat;

g. het zoeken van wegen en mogelijkheden tot bezinning op de theologische, medische en ethische vragen met betrekking tot genoemde werkgebieden.

2. Bijlage 8 -

Instructie voor de deputaten voor het beheer van de algemene kas tot steun aan de kerken ten behoeve van de verzorging van emeriti predikanten, predikantsweduwen en -wezen.

In de artikelen 8, 9 en 14 dienen de woorden „de uitkeringsgrondslag” vervangen te worden door: het aanvaardbare minimumtraktement van predikanten met tien dienstjaren.

Artikel 5 wordt:

De uitkeringen uit de kas aan de emeriti predikanten en de predikantsweduwen worden afgeleid van een door de generale synode vast te stellen uitkeringsgrondslag. Deze bedraagt thans 135 procent van het aanvaardbare minimumtraktement voor predikanten met tien dienstjaren.

Elke generale synode besluit of de koppeling van de uitkeringsgrondslag aan het in de vorige alinea genoemde minimumtraktement tot de eerstvolgende synode gehandhaafd blijft.

De eerste twee alinea’s van artikel 7 worden:

Een gehuwde of ongehuwde emeritus predikant ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze te zamen met zijn eventuele AOW- of AWW-uitkering gelijk is aan de som van 70 procent van de uitkeringsgrondslag en 20 procent van de AOW-uitkering van een gehuwde respectievelijk ongehuwde ingezetene.

In plaats van de eerste drie alinea’s in artikel 12 wordt nu gelezen:

Een predikantsechtgenote die weduwe geworden is op de leeftijd van 40 jaar of ouder en geen kinderen heeft te verzorgen, ontvangt een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze te zamen met haar eventuele AWW- of AOW-uitkering gelijk is aan de som van 50 procent van de uitkeringsgrondslag en 20 procent van de AOW-uitkering van een ongehuwde ingezetene.

Indien zij één kind dan wel twee of meer kinderen te verzorgen heeft, ontvangt zij een zodanige uitkering uit de emeritikas, dat deze te zamen met haar eventuele AWW- of AOW-uitkering gelijk is aan de som van 60 procent respectievelijk 70 procent van de uitkeringsgrondslag en 20 procent van de AOW-uitkering van een gehuwde ingezetene.

In geval van twee of meer kinderen ontvangt zij bovendien een toelage van 70 procent van de helft van het bedrag waarmee de door haar verschuldigde premie van de ziektekostenverzekering het bedrag van f. 4.000,— overschrijdt.

In artikel 13, vierde regel van boven, na „percentage”:

genoemd in de eerste alinea van artikel 12.

Artikel 19 krijgt als begin:

Bij overlijden van een emeritus predikant die geen weduwe nalaat, ………

Artikel 20, blz. 71, tweede regel van boven:

De totale opbrengst daarvan voor een jaar zal tenminste gelijk moeten zijn aan 21,5 procent van het totaalbedrag van het aanvaardbare minimumtraktement van predikanten met tien dienstjaren ………

3. Bijlage 9 -

Voorlopige regeling voor het gestalte geven aan eenheid met kerken van gereformeerd belijden.

Artikel 1 luidt thans:

a. Het aanvankelijk gestalte geven aan eenheid tussen plaatselijke kerken van gereformeerd belijden die tot verschillende kerkverbanden behoren, door nauwer samenleven, kan alleen geschieden met kerken die behoren tot een kerkverband waarvan de synode van de eigen kerken heeft geconstateerd, dat het zich in alles wil stellen op de grondslag van Gods heilig Woord en de gereformeerde belijdenis, en met welk kerkverband contacten worden onderhouden door wederzijdse deputaten.

b. Het nauwer samenleven kan uitkomen in de toelating van elkanders ongecensureerde leden tot elkanders avondmaalsviering, het aanvaarden van elkanders attestaties en het van tijd tot tijd in de dienst des Woords laten voorgaan van elkanders plaatselijke predikanten.

c. In het kader van deze regeling kunnen onze kerkeraden ook predikanten van andere plaatselijke kerken van eigen kerkverband uitnodigen, die daartoe de bewilliging van hun eigen kerkeraad behoeven.

4. Bijlage 21 -

Regeling voor de Evangelieverkondiging onder Israël.

De derde alinea van artikel 16 wordt:

De generale synode benoemt een eerste secretaris en een tweede secretaris, eveneens een eerste penningmeester en een tweede penningmeester. Dezen treden op elke generale synode af en zijn opnieuw herkiesbaar.

5. Bijlage 23 -

Regeling voor de buitenlandse zending.

De tweede alinea van artikel 3 luidt thans in haar geheel:

De generale synode benoemt een deputaat-voorzitter en een deputaat-secretaris wiens positie door de deputaten wordt geregeld onder verantwoordelijkheid aan de generale synode. Zij benoemt tevens een deputaat-eerste en een deputaat-tweede penningmeester met een secundus, die op elke generale synode aftreden en direct herkiesbaar zijn.

D. BELANGRIJKE UITSPRAKEN VIA INSTRUCTIES

1. Begraven en cremeren.

De generale synode

constaterende

dat in onze samenleving, uit welke overweging en onder invloed van welke maatschappelijke stimulansen dan ook, naast het begraven steeds sterker de praktijk van crematie opkomt;

dat de keuze voor deze laatste manier van lijkbezorging ook onder christenen steeds meer ingang vindt;

overtuigd

dat geen enkele wijze van lijkbezorging voor de almachtige God een belemmering is gestorvenen op de dag der opstanding uit de doden op te wekken;

voorts van oordeel

1. dat het geheel in overeenstemming met de in de Heilige Schrift gevolgde praktijk is om doden te begraven, temeer daar blijkens de boodschap van de heilige Schrift de Here Jezus Christus Zelf ons in begrafenis en opstanding uit de doden is voorgegaan;

2. dat er geen argumenten, overwegingen of redenen aanwijsbaar zijn die ertoe zouden dwingen om van de gewoonte van begraven af te wijken;

3. dat voor een ieder in de persoonlijke beslissing ten dezen het besef bepalend zal moeten zijn dat de Here ook over ons gestorven lichaam zeggenschap heeft;

spreekt uit

dat de kerken worden opgewekt de leden der gemeente in prediking en pastoraat aan te sporen blijvend te kiezen voor het begraven, als zijnde die vorm van lijkbezorging die in overeenstemming is met de aanwijzingen die de Heilige Schrift hieromtrent bevat.

2. Kerkelijk samenleven en gemeenschappelijk akkoord.

De generale synode sprak uit:

a. dat het van een goede kerkelijke opvatting en van een waarlijk christelijke instelling getuigt wanneer men in de kerken, bij de inrichting van het kerkelijke leven, de voorwaarden waaronder men in de kerkorde is overeengekomen samen kerk van Jezus Christus te zijn, respecteert door deze stipt na te leven;

b. dat in geval van evidente afwijking van de bepalingen van het gemeenschappelijk akkoord, classes gehouden zijn naar de achtergronden van deze afwijking een grondig onderzoek in te stellen en de betrokken kerkeraad, indien nodig, te vermanen het beleid bij te sturen;

c. dat het van gehoorzaamheid aan de eisen van het Evangelie getuigt wanneer men zich als kerken onderling wil richten naar vermaningen die als een broederlijk appel tot ons komen.

E. BETREFFENDE DEPUTAATSCHAPPEN

a. Emeritikas.

De synode besloot:

a. het door de generale synode 1965/66 aanvaarde systeem om de uitkeringen uit de emeritikas te koppelen aan het door deputaten financiële zaken jaarlijks vast te stellen minimumtraktement van predikanten met tien dienstjaren, voor de jaren 1984, 1985 en 1986 te handhaven;

b. de uitkeringsgrondslag voor de jaren 1984, 1985 en 1986 vast te stellen op 135 procent van het minimumtraktement van predikanten met tien dienstjaren;

c. met ingang van 1 januari 1984 de uitkeringspercentages te wijzigen:

— voor emeriti predikanten en voor weduwen met twee of meer kinderen beneden 18 jaar van 85 in 70,

— voor weduwen met één kind beneden 18 jaar van 73 in 60,

— voor weduwen zonder kinderen van 61 in 50;

d. vanaf 1 januari 1984 aan een emeritus predikant beneden de leeftijd van 65 jaar, die al of niet een AAW-uitkering geniet, een zodanige uitkering uit de kas te verlenen dat deze te zamen met zijn eventuele AAW-uitkering gelijk is aan de som van 70 procent van de uitkeringsgrondslag, vermeerderd met 20 procent van de AOW-uitkering welke de predikant zou hebben genoten indien hij reeds 65 jaar zou zijn geweest;

e. het percentage voor de berekening van de minimumbijdrage te handhaven op 21,5 procent;

f. deputaten gerechtigd te doen zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken te vertegenwoordigen in de Stichting Interkerkelijke Belangenbehartiging Afkoop (S.I.B.A.).

b. Theologische Hogeschool.

De synode besloot:

a. dankbaarheid uit te spreken voor de bereidheid van prof.dr. B.J. Oosterhoff om nog enkele jaren de Theologische Hogeschool als hoogleraar te dienen;

b. de emeritering van prof.dr. B.J. Oosterhoff te regelen op de volgende generale synode;

c. goedkeuring te hechten aan de herbenoeming van dr. T. Brienen, drs. W. van Heest, drs. J.W. Maris en drs. R.W.J. Soeters tot wetenschappelijke medewerkers aan de Theologische Hogeschool;

d. goedkeuring te hechten aan de benoeming van drs. L. van Dijk tot docent aan de Theologische Hogeschool voor de algemene pedagogiek en didactiek in het kader van een bijvak binnen een doctorale studie;

e. goedkeuring te hechten aan de benoeming van drs. W. Meijer tot docent in de vakken Hebreeuws, Tekstcritiek Oude Testament, Historia Revelationis Oude Testament I en Bijbelse Oudheidkunde;

f. goedkeuring te hechten aan de benoeming van prof.dr. M. Boertien tot studiebegeleider voor het bijvak Judaica.

c. Evangelieverkondiging onder Israël.

De synode besloot:

a. aan deputaten op te dragen vooral aandacht te geven aan de bijbelse en theologische bezinning op de relatie kerk — Israël, juist met het oog op een mogelijke uitzending van een werker naar Israël;

b. aan deputaten op te dragen hun kritiek op en vrees voor allerlei bedenkelijke theologische ontwikkelingen met betrekking tot Israël op dezelfde wijze in “Vrede over Israël” te laten doorklinken als de voorzitter van deputaten dit heeft gedaan in de vergadering van de generale synode;

c. goed te keuren dat deputaten deelnemen aan het Overlegorgaan van Joden en Christenen (OJEC);

d. aan deputaten op te dragen naar wegen te zoeken om jongeren uit de kerken die in Israël en in het bijzonder in Nes Ammin gaan werken, zoveel mogelijk voor te lichten en toe te rusten.

d. Buitenlandse zending.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen — in verband met het naderend emeritaat van de huidige zendingssecretaris ds. M. Drayer — de benoeming van een opvolger voor te bereiden en een voorstel te doen aan de volgende generale synode;

b. instemming te betuigen met de voorlopige conclusie van het onderzoek door deputaten: dat samenwerking met particuliere zendingsinstanties alleen is toegestaan wanneer 1e instemming met grondslag en doelstelling van deze instanties mogelijk is, en wanneer 2e reële ruimte gegeven wordt tot inspraak in en verantwoordelijkheid voor het beleid;

c. deputaten op te dragen de mogelijkheid en wenselijkheid van aansluiting bij de Nederlandse Zendingsraad te onderzoeken en met betrekking tot deze aansluiting een voorstel te doen aan de volgende synode;

d. zo mogelijk aansluiting bij de Europese Arbeitsgemeinschaft für oikumenische Beziehungen mit Indonesien te realiseren;

e. aan deputaten op te dragen deel te nemen in de „Stichting tot verbreiding van het evangelie onder Moslims in Nederland”, met dien verstande dat de financiële verantwoordelijkheid van onze kerken ten opzichte van deze stichting blijft bij het deputaatschap voor de evangelisatie;

f. aan deputaten buitenlandse zending en deputaten kerkelijk-administratief bureau op te dragen op korte termijn samen te onderzoeken hoe de zendingsadministratie op doeltreffende wijze kan worden gevoerd.

e. Evangelisatie.

De synode besloot:

deputaten op te dragen zich opnieuw te bezinnen op het wezen van de evangelisatie, rekening houdend met wat ter synode over deze bezinning is gezegd en van deze hernieuwde bezinning te rapporteren op de volgende synode. Inzake België werd besloten:

a. te aanvaarden dat de drie bestaande posten blijven bestaan:

Antwerpen, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad van Eindhoven;

Gent, onder verantwoordelijkheid van de kerkeraad van Zaamslag;

Eeklo, onder verantwoordelijkheid van één van de kerken in declassis Middelburg;

b. aan de verantwoordelijke kerkeraden te verzoeken geregeld rapport uit te brengen aan deputaten voor evangelisatie;

c. aan de kerken vertegenwoordigd in de commissie Oost-Vlaanderen, dringend te verzoeken hun steun aan het project Gent via deputaten voor de evangelisatie te doen plaatsvinden;

d. aan de vereniging „Filippus” te verzoeken zichzelf op te heffen;

e. uit te spreken dat deputaten voor evangelisatie niet gehouden zijn steun te verlenen aan evangelisatie-projecten in België die zonder hun voorkennis en advies in het leven worden geroepen en er bij de kerken op aan te dringen dergelijke projecten niet zelfstandig aan te vangen;

f. bij de vaststelling van de minimumbijdragen voor 1984, 1985 en 1986 aan deputaten evangelisatie nu reeds de financiële ruimte te geven om voortaan de kerken in de classis Middelburg te steunen met het oog op het werk in Eeklo, waarbij deputaten het recht hebben, indien dit nodig blijkt te zijn, tussentijds de minimum-bijdrage te verhogen, uiteraard slechts na overleg met en instemming van deputaten voor financiële zaken;

g. aan evangelisatie-deputaten op te dragen te bevorderen dat steeds meer samenwerking komt tussen de kerken die bij het evangelisatiewerk in België betrokken zijn;

h. aan evangelisatie-deputaten mede op te dragen zich met de kerken die in België evangelie-arbeid verrichten te bezinnen op de wenselijkheid en mogelijkheid een deputaatschap voor de evangelieverkondiging in België in het leven te roepen en aan de synode van 1986 dienaangaande eventueel voorstellen te doen.

f. Steunverlening aan de kerken in de polders rond het | Jsselmeer.

De synode besloot:

a. overtuigd van de noodzakelijkheid van een goede regeling met betrekking tot gemeentevorming in Zeewolde aan de classes Amersfoort en Zwolle te verzoeken elk drie leden voor een commissie te benoemen, die in gemeenschappelijk overleg met deputaten steunverlening kerken lJsselmeerpolders, in de lijn van artikel 38 sub 3 K.O., de grenzen vaststelt van de toekomstige gemeente Zeewolde met het oog op een concretisering van de instructie 5a van deputaten steunverlening (Acta 1980, artikel 185 sub 5a);

b. deputaten mandaat te geven ten aanzien van het werk in Zeewolde om op dit terrein een werker aan te stellen, zodra de ontwikkelingen dat nodig maken.

g. Kerkbouwaangelegenheden.

De synode besloot:

deputaten op te dragen in de jaren 1984–1986 nieuwe steuntoezeggingen te beperken tot ten hoogste f. 400.000,— per jaar.

h. Geestelijke verzorging van de militairen.

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen zich te bezinnen over de moderne bewapeningsproblematiek en hierover aan de volgende synode te rapporteren;

b. idem bij de werving van legerpredikanten de visie van kandidaten voor deze functie op de plaats en de betekenis van de krijgsmacht in ons staatsbestel grondig na te trekken en in gevallen waarin het aan duidelijke loyaliteit ten opzichte van doel en functionering van onze krijgsmacht ontbreekt, niet tot voordracht over te gaan;

c. er bij de kerkeraden op aan te dringen de aanstaande rekruut mede te wijzen op zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de protestantse geestelijke verzorging.

i. Contact met de kerkjeugd.

De synode besloot:

a. de kerken op te roepen in eenheid des Geestes en oog hebbend voor elkaar, gestalte te geven aan haar gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de jeugd der kerk en voor alle arbeid ten dienste van die totale kerkjeugd verricht, tot uitdrukking komend in een voorgaan van de jeugd, in het op een verantwoord christelijke wijze omgaan met en aanvaarden van elkaar;

b. de kerken op te roepen onverkort hun bijdragen aan het Jeugdsteunfonds te geven en te blijven geven;

c. deputaten op te dragen:

1. met verwijzing naar de opdracht door de generale synode 1980 hun gegeven, al het mogelijke te blijven doen om een verder uiteengroeien van de jeugd van onze kerken tegen te gaan en de eenheid van het jeugdwerk landelijk en regionaal te bevorderen;

2. met de CGJO te spreken over de mogelijkheden om de totale kerkjeugd zich te laten herkennen in het geheel van de CGJO;

3. contacten te blijven onderhouden met de jeugd die op dit moment buiten de CJGO staat, de bezwaren die bij hen leven tegen de landelijke organisatie door te spreken en deze zo mogelijk weg te nemen;

4. het geheel van het jeugdwerk te blijven omringen met warme belangstelling, het pastoraal te begeleiden, waar nodig te corrigeren en het financieel te steunen naar analogie van artikel 6 van de instructie;

5. zich nader te bezinnen op de vraag of de benoeming van een studentenwerker noodzakelijk, wenselijk en mogelijk is;

6. aandacht te blijven geven aan het werk van de Werkgroep Contact Studerenden, en dit werk te stimuleren en te steunen;

7. de subsidiëring van het blad „Dia” uiterlijk te beëindigen per 31 december 1984;

8. in overleg met deputaten voor correspondentie met de Hoge Overheid, de deputaten ADMA en de Christelijke Gereformeerde Vereniging voor Jeugdwelzijn te Utrecht na te gaan of en hoe gekomen kan worden tot de benoeming van een deputaat in de Commissie voor Bijzonder Jeugdwerk van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken;

9. op een bescheidener schaal dan deputaten voorstellen door te gaan met een onderzoek naar de leef- en denkwereld van de jeugd van onze kerken en slechts tot publikatie van de verkregen gegevens over te gaan als een volgende synode daarvoor toestemming heeft gegeven.

j. Kerk en onderwijs.

De synode besloot deputaten op te dragen:

1. zich in te zetten voor het beleggen van ontmoetingsdagen of bijeenkomsten voor allen die bij het onderwijs betrokken zijn;

2. te trachten een conferentie te beleggen voor docenten godsdienstonderwijs, waarbij het mogelijk is een themadag te organiseren over de relatie catechese — godsdienstonderwijs;

3. zich te bezinnen op de plaats van het christelijk onderwijs in een samenleving waarin de Islamitische cultuur en godsdienst steeds sterker vertegenwoordigd zijn;

4. zich bezig te houden met vragen rond het behoud van het christelijk karakter van een school, in verband met het verschijnsel van de samenwerkingsschool.

k. Geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging van het ziekenhuispastoraat.

De synode besloot:

de rente van het saldo „Beekbergen” jaarlijks beschikbaar te stellen aan de Werkgroep Recreatie Gehandicapten door middel van een Fonds Vakantieweken Gehandicapten, waarvoor de volgende regels gelden:

a. Het fonds wordt beheerd door deputaten die de gelden op gunstige voorwaarden beleggen, na overleg met deputaten financiële zaken.

b. Deputaten stellen jaarlijks de interest van de belegde gelden ter beschikking van de Werkgroep Recreatie Gehandicapten, ten behoeve van gehandicapte deelnemers aan de onder verantwoordelijkheid van deputaten georganiseerde vakantieweken voor gehandicapten.

c. De uit de rente verkregen gelden dienen als tegemoetkoming in de met de handicap verband houdende meerkosten.

d. Administratieve handelingen die het fonds betreffen, worden verzorgd door het kerkelijk bureau.

I. Algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden (ADMA).

Inzake de afbakening van taken tussen deputaten geestelijke verzorging van gehandicapten en behartiging ziekenhuispastoraat en deputaten ADMA kwam de synode tot de volgende uitspraak:

De deputaten ADMA wijzen de diaconieën op de taken die de diakenen kunnen verrichten met het oog op de plaats van de gehandicapte in de gemeente. Elk ander werk met het oog op de gehandicapte — met name wat de interkerkelijke vakantieweken betreft — wordt niet verricht dan na en in goed overleg met deputaten geestelijke verzorging gehandicapten.

Op de eerstvolgende synode zal deze voorlopige regeling nader op zijn waarde worden bezien.

m. Hulpverlening in binnen- en buitenland.

De synode besloot:

goed te keuren dat deputaten een waarnemer afvaardigen naar de Eukumindo-con-ferentie (uitgaande van de Europäische Arbeitsgemeinschaft für oikumenische Be-ziehungen mit Indonesien), in samenwerking met deputaten voor de buitenlandse zending.

n. De Wekker.

De synode besloot:

a. de redactie te vragen mogelijkheden te zoeken om aandacht aan jongeren te geven;

b. de redactie opnieuw in overweging te geven een rubriek bijbelbesprekingen op te nemen.

o. Uitgave van de kerkorde.

De synode besloot:

deputaten te machtigen tot het opnieuw uitgeven van de kerkorde met de wijzigingen en aanvullingen van de synoden van 1980 en 1983.

p. Kerkelijk-administratief bureau (K.A.B.).

De synode besloot:

a. deputaten op te dragen een begroting samen te stellen waaruit de taak, de omvang van de werkzaamheden en de financiële consequenties van een Centraal Bureau blijken en deze bij de generale synode van 1986 in te dienen;

b. uit te spreken dat elk deputaatschap desgevraagd zijn medewerking dient te verlenen aan deputaten K.A.B. teneinde tot de onder a. genoemde taakomschrijving en begroting te komen;

c. uit te spreken dat elk deputaatschap bij wijziging van de personele en/of zakelijke situatie samenwerking zal zoeken met deputaten K.A.B.

q. Kerkelijke archieven.

De synode besloot:

a. een nieuw deputaatschap voor de kerkelijke archieven in te stellen;

b. deputaten mandaat te verlenen

1. passende maatregelen te nemen die kunnen leiden tot verbetering van de huidige archiefruimte;

2. in de commissie tot registratie van de protestantse kerkelijke en semi-kerkelij-ke archieven te participeren en daartoe één hunner tot lid van deze commissie te benoemen;

3. in overleg te treden met het college van hoogleraren voor nader beraad inzake het stichten van een documentatiecentrum voor de Christelijke Gereformeerde Kerken.

F. LITURGICA

1. Het kerklied.

De synode kwam tot de volgende uitspraak:

De generale synode

kennis genomen hebbend

van het rapport van deputaten voor het onderzoek naar het kerkelijk lied;

constaterende

1. dat deputaten rapporteren dat uit de reacties uit de kerken blijkt dat de nodige eenparigheid om tot het vrijgeven van een eigen bundel schriftgetrouwe liederen te komen, ontbreekt;

2. dat het feit dat twee particuliere synoden een instructie indienden met de strekking te blijven bij de huidige redactie van artikel 69 K.O., eveneens te kennen geeft dat er geen eenparigheid in de kerken bestaat ten aanzien van het overgaan tot het zingen van schriftgetrouwe liederen naast de Psalmen en berijmde Schriftgedeelten;

overwegende

1. dat het naar de Schrift de roeping der kerk is om de eenheid, ook in het kerkverband, te bewaren (1 Cor. 4 : 17; 11 : 2, 16; 14 : 33), zeker ook in zaken de liturgie betreffende (Rom. 15 :6; 1 Cor. 1 :10);

2. dat het besluit van de generale synode van 1980 „dat de Heilige Schrift het zingen van liederen die niet rechtstreeks berijmde Schriftgedeelten zijn, niet verbiedt” verschillend wordt getaxeerd, maar dat deze synode ook uitsprak dat het toch ook eis van Gods Woord is om in het licht van de uitspraken der kerk grote voorzichtigheid te betrachten, en daarom het nemen van een definitieve beslissing in belangrijke mate afhankelijk stelde van de eenheid der kerken;

3. dat de generale synode van 1974 dringend opriep om alles te doen om de eenheid van de kerken te bevorderen en alle symptomen van verwijdering tegen te gaan en weg te nemen (Acta 1974, art. 195);

van oordeel

1. dat het „niet verbieden” niet per consequentie inhoudt dat het naar de Schrift is om het wel te doen;

2. dat de beslissing om iets dat niet verboden wordt toch niet in te voeren, naar eis van de Schrift mede bepaald wordt door de verantwoordelijkheid voor het geheel der kerken;

3. dat een dergelijke beslissing, in verantwoordelijkheid tegenover het Woord van God, ten aanzien van een bestaande kerkelijke bepaling genomen, niet gezien kan en mag worden als een aantasting van de vrijheid der kerken;

voorts van oordeel

1. dat het gebruik maken van de bundel, die door deputaten is samengesteld, de eenheid der kerken niet zal bevorderen, maar de verwijdering zal vergroten, hetgeen met bovenstaande overwegingen in strijd moet worden geacht;

2. dat door de generale synode van 1980 de mogelijkheid is opengehouden om tot een zodanige beslissing te komen, dat de kerken blijven bij het standpunt dat in de eredienst die liederen gezongen zullen worden die berijmingen zijn van ouden nieuwtestamentische Schriftgedeelten (Acta 1980, pag. 208/209);

3. dat de daarbij genoemde argumenten a — e van grote betekenis zijn, namelijk:

a. de Heilige Schrift verplicht ons niet tot het nemen van een andere beslissing;

b. dit standpunt sluit het meest aan bij wat door de kerken, in wier traditie wij staan, in het verleden is bepaald;

c. de Psalmen zijn voor de nieuwtestamentische gemeente van onvervangbare waarde; zij bezingen in profetische taal het heilshandelen Gods in Christus;

d. aan de roeping tot het bewaren van het Woord van God wordt zo op de meest strikte wijze gestalte gegeven;

e. zo worden in ieder geval niet via het zingen van liederen die geen berijmde Schriftgedeelten zijn, dwalingen verbreid;

4. dat op grond van het rapport van deputaten voor het onderzoek naar het kerkelijk lied, uitgebracht aan de generale synode van 1980, gezegd kan worden dat, wanneer de gemeente de oudtestamentische Psalmen zingt, zij daarin bezingt het volle heil van God in Christus, in Wie immers ook de Psalmen hun vervulling hebben gevonden, en daarmee ook de nieuwtestamentische heilsopenbaring niet wordt veronachtzaamd;

5. dat wat in de eredienst gezongen wordt kerkordelijk is geregeld, waaruit het grote belang van deze zaak blijkt, en dat generale synoden in het verleden één en andermaal hebben uitgesproken te blijven bij het bepaalde in artikel 69 K.O., waardoor het belang van deze zaak opnieuw is onderstreept;

6. dat het betrachten van de eenheid, in liefde en waarheid, de bereidheid behoort mee te brengen om van zaken, die op zichzelf met Gods Woord niet in strijd geacht behoeven te worden, geen gebruik te maken;

7. dat de kerken naar kerkelijke stijl en christelijke inzetting zich zullen houden aan wat bij gemeenschappelijk akkoord is en wordt bepaald;

besluit

1. deputaten hartelijk dank te zeggen voor hun omvangrijke en moeitevolle arbeid en uit te spreken dat door deze arbeid voldaan is aan de opdracht van de generale synode van 1980 (Acta, art. 144);

2. te blijven bij het bepaalde in artikel 69 K.O.: „In de eredienst zullen de 150 Psalmen gezongen worden, alsmede berijmde Schriftgedeelten, door de generale synode vast te stellen”;

3. opnieuw deputaten te benoemen met de opdracht om in overeenstemming met het bepaalde in artikel 69 K.O. te zoeken naar een uitbreiding van het aantal door de generale synode vast te stellen berijmde Schriftgedeelten, waarbij onder „berijmd Schriftgedeelte” dient te worden verstaan wat de generale synode van 1980 heeft uitgesproken (Acta, art. 144 sub 3): „een bewerking in liedvorm van een aaneengesloten passage uit de Heilige Schrift, waarin de oorspronkelijke tekst getrouw wordt gevolgd”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.