+ Meer informatie

Oorlog en verzet in de poëzie

9 minuten leestijd

,,Nederland had sinds mensenheugenis niet beseft, wat vrijheid en dwingelandij betekenen, al zong het er lustig van in iedere school en al kon men er iets van vernemen in ieder geschiedenisboek, en het speelde nog vrolijk het spel der kosteloze vaderlandsliefde, toen de oorlog uitbrak." Uit: „Geuzenliedboek" (Inleiding) (Anoniem)

Het carillon
En één tusschen die naamloos velen, gedrongen aan de huizenkant stond ik te luist'ren naar dit spelen dat zong van mijn geschonden land.

Nooit heb ik wat ons werd ontnomen zo bitter, bitter liefgehad.

Ida G, M. Gerhardt (Oorlogsjaar 1941)

„Ontberen doet waarderen". Dit gezegde gold in wel zeer sterke mate voor het Nederlandse volk, dat in mei 1940 zo bruut door de Duitse bezetter onder de voet gelopen werd.

Dodenmars voor Rotterdam
Ik waag mij haast niet in die straat waar gloeiend puin in 't donker staat. De wind loeit om een bouwvaltop, een schelle vlam schiet suizend op, belichtend, als in spotternij, de resten van wat huisgerei. Hier vond wie daaglijks nam en gaf een ruw en eindloos massagraf Het werk van hersens, hand en lust is even grondig uitgeblust. Ik wend mij naar de waterkant, de schepen liggen leeggebrand, het water, d'eeuwenoude baan, voert bloed en roet naar d'oceaan. Daar staat de dood nog op de brug, een zwarte schaduw, recht van rug. Och broeders, hij bleef ongedeerd, terwijl uw schim hier langs marcheert. Links, rechts... Maar als die stad weer is herbouwd van staal en glas en steen en hout, die kleine wereld is hersteld, bolwerk van koopwaar, zee en geld, als er gewerkt weer wordt op de as van wie voor kort hier werkend was. dan zullen nog bij nieuwe maan uw schimmen door de straten gaan. Links, rechts...

Anoniem/Clara Eggink

In slechts luttele dagen was de ongelijke strijd beslist en had Nederland een bezettingsleger binnen zijn grenzen. Wat dat feitelijk inhield drong nog lang niet tot iedereen door. Langzamerhand zou blijken wat het betekende zijn vrijheid kwijt te zijn. Pas toen de bezetter ertoe overging door middel van onverbiddelijke decreten van lieverlede de zaken hier te gaan regelen naar het model van „das Deutsche Reich", kwam het verzet op. Nadat dit proces op gang was gekomen, ontwikkelde zich een ongelijke krachtmeting die met meedogenloze wreedheid enerzijds en met taaie volharding en heldhaftige vastberadenheid anderzijds werd voortgezet. Op elk terrein waar de vijand zijn tirannieke macht ontplooide, ontmoette hij dit onzichtbare leger van mannen en vrouwen die hem in zijn snode plannen dwarsboomden.

Geweld roept geweld op en escaleert onherroepelijk naar een climax. Jodenvervolging, razzia's, onderduiken, concentratiekampen, executies bepalen het trieste beeld van een onderdrukte natie.

Uitlaatklep

Tot de velerhande wapens waarvan het verzet zich bediende, behoorde ook het vers. Niet iedereen was geschikt om daadwerkelijk deel te nemen aan gewelddadige acties. Maar wel was er de algemene haat tegen en afkeer van het Duitse regime. De gevoelens van afschuw en diepe verontwaardiging over het schenden van Goddelijke en menselijke wetten vonden een uitweg en het anonieme gedicht dat op de illegale persen werd gedrukt en als „vliegend blaadje" van hand tot hand ging. Dit verschijnsel is niet nieuw. Tijdens de Spaanse overheersing, een periode die in vele opzichten doet denken aan die van '40-'45, was het niet anders. Ook toen, net als nu onderde Duitse'rs, zochten het opgekropt verdriet, de verbeten ergernis en de machteloze woede een uitlaatklep. Nu eens in meer literaire vorm, vaak ook in stuntelig rijm, maar altijd gedreven door oprechte toorn of innige medelijden, gaven de onbekende dichters aan hun diepste gevoelens gestalte in het vers. Het was de stem van de gemeenschap. Men verstond elkaar. Men herkende in het gekwetste rechtvaardigheidsgevoel van de dichter eigen schrijnend leed om wat de verdrukkers ons hele volk aandeden.

Afscheid der Joden van Nederland
De trein raast in de nacht, door vale heiden; hoe sleurt ons zijn geweld over een brug. Wij zien de donk're bossen langs ons glijden. Een slapend dorp... Keren wij ooit terug? De grens. Een laatste blik naar onz'landouwen, - en niemand staat ons bij in deze noodVaarwel, vaarwel, het vaderland getrouwe zijn wij tot in den dood.

De Bruin/Sem Davids

In het bovenstaand fragment horen we over het massaal wegvoeren van onze Joodse landgenoten naar de gaskamers. Ook in het ontroerende Een lentemorgen trad je uit ons huis wordt ons een tipje opgelicht van de sluier die er over het leed der Joden lag gespreid.

Een lentemorgen trad je uit ons huis, in een dun bloesje, zonnig en tevreden, en geen van beiden hoorde 't zacht geruis, of zag de vale schaduw neergegleden.

van 'noodlot wiekend boven 't jonge hoofd, dat glimlachend zich eens nog naar me wende... Ik heb een ganse nacht en dag geloofd, dat ik die vlotte, lichte tred herkende en toen niet meer. Toen kwam het formulier met naam en stempel, nummer van barak, verzoek om warme kleren. Ach, toen brak mijn hart natuurlijk niet. Mijn ogen zagen jou ergens ver, heel ver, aan een rivier van Babyion de slavenketen dragen.

Anoniem/J. van Wageningen (Dr. J. Presser)

O merel, die aan *t venster floot...
O merel, die aan 't venster floot... Vlakbij mijn dichte deur En zingende voor mij ontsloot Een tuin in volle fleur. Die onbewust daar alles ziet Wat aan hem is ontzegd Die op het kleinste grondgebied Zich hier te rusten legt, Hoe hebt gij mij den grauwen dag Van eindelozen duur Weer goedgemaakt met heldren slag In één kort avonduur, O merel die daar ziende blind Maakt dat de blinde ziet En wat hij zich ontnomen vindt Terugvindt in zijn lied.

Geschreven 1942 in de Duitse gevangenis te Scheveningen Anthonie Donker

Op schrijnende wijze wordt ons in dit gedicht de werkelijkheid binnen en buiten de gevangenis geschetst en tevens hoe de tegenstelling tussen die beide het hart van de dichter beroert.

Bombardement
Toen de machines uit de wolken kwamen liepen de kinderen den kelder in en gingen met elkaar een spel beramen en speelden het, maar 't was met tegenzin. Boven hun hoofden rinkelden de ramen, maar een van hen zette een liedje in, dat, wijl ze 't kenden, allen overnamen, en daarmee bezig sloeg de treffer in Het werd heel donker, maar één stem zingen, bleef het werd nog donkerder, er vielen dingen snel achtereen, want telkens klonk een plof. Toen woei in 't mondje, dat nog zong stof, wat en dat bemoeilijkte blijkbaar het zingen, wat, het klonk zacht en tenslotte dof.

Ed Hoornik

In bovenstaand gedicht lezen we hoe ook 't gevaar tenslotte een gewoonte wordt, maar dat op een gegeven ogenblik het onheil in al zijn gruwelijkheid zich aan ons voltrekt.

Naarmate de ooriog voortduurde ende ansen voor de Duitsers zich keerden, namen dezen allerlei maatregelen om onze kust te versterken tegen een mogelijke invasie. Voor de bewoners bracht dit nare consequenties mee: afbraak van huizen, en evacuatie naar het binnenland, binnenland.

Den Haag 1943
De wind waait aan door de verlaten straten, en zoekt en vindt de oude huizen niet, en zoekt en vindt slechts steenkoude gelaten, starend in ziel-beklemmend stom verdriet. Waar mensen woonden staan geschonden muren, en zwarte gaten blakeren de grond,hoe lang, o God, moet deze schennis duren, waarvoor ons murwe hart geen woorden vond?

Anoniem/Josselin de Jong

Het lot van de bewoners wordt op aandoenlijke wijze verbeeld in het onderstaand gedicht (fragment):

De vlucht
De deur valt dicht - voor goed. Het huis blijft doelloos, niet meer beveil'gend lang vertrouwd bezit. Zij staat er buiten, star, en als gevoelloos, bij 't wagentje, waarin haar jongste zit tusschen wat dekens en een tas met kleeren. Ze denkt verward aan haar gevangen man: „Geen brief komt door... en als hij weer zal keeren, is alles weg en hij weet nergens van..." Haar oudste kijkt zo ernstig, zonder vragen; hij zeult een mandje met de oude poes. Ze weifelt: „Zou je 't heus wel kunnen draeen?" Hij knikt haar toe, een man. „Natuurlijk Moes." Zoo staan ze een ogenblik, klein en verlaten. Dan gaan ze en duiken in den dichten drom van vluchtenden, die voorttrekt door de straten, weg van de stad, die brandt, -en ze kijkt niet meer om,

Anoniem/Rie Cramer

Executies

Tot de schrikkelijkste terreurdaden waaraan de Duitsers zich tegenover ons volk schuldig hebben gemaakt, behoren de executies van hen die op een of andere wijze zich in woord of daad tegen de willekeur van de vijand hadden verzet. Op 13 maart 1941 had voor de eerste keer zulk een wandaad plaats. Jan Campert wijdde aan de nagedachtenis der slachtoffers het overbekende Het lied der achttien doden. Het illegale vers is uiteraard anoniem. Pas na de bevrijding werd soms bekend wie de dichter was geweest (zie geciteerde verzen). Over het algemeen heeft deze poëzie het karakter van het volkslied: eenvoudig van woordkeus, directe zegging enz.

Het Geuzenliedboek

De aanvankelijk clandestien verspreide gedichten op losse blaadjes werden tenslotte gebundeld uitgegeven onder de naam Geuzenliedboek. Geen toevallige naam! In menig opzicht doet deze del inderdaad denken aan een am bundel met dezelfde titel: Geuzenl boek (oudst bekende druk 1581). ' schillende parallellen tussen het oudi het nieuwe Geuzenliedboek vallen op. Geen wonder: in wezen waren ze der gelijksoortige omstandigheden i staan. De gedichten in beide bundels ven bekendheid aan actuele gebeurte sen en becommentariëren deze. In opzicht hadden de geuzenliederen ir 16e eeuw een functie die in onze door de pi'bliciteitsmedia als pers, enz. wordt vervuld. Tijdens de Du bezetting kwamen deze media niel aanmerking voor die feiten welke i bijzonder de belangstelling van ons \ hadden, aangezien de bezetter alle richten censureerde en de nieuwsvi ziening daardoor onvolledig en zeer betrouwbaar was.

Wapen van de spot

Reeds Jacob Cats dichtte: „Het pu van een gauwe pen, is 't felste wapen ik ken". De kracht van het geschre woord,' vooral wanneer dit geladei met scherpe spot, is inderdaad een pen dat niets en niemand ontziet. Zi Filips II, Alva, Bossu e.a. het in de o geuzenliederen moesten ontgelden, heeft de in gal gedoopte pen van son; ge nieuwe geuzenliederen Hitler, Si Inquart, Mussert enz. weten te tref Over Mussert: Toen Mussert nog een musje was. Was hij nog heel gedwee. Maar toen de Ad'laar binnenkwam riep hij luidkeels: Hou zee! De mus kreeg praatjes, werd brutaal, maar 't bleef bij veel geschreeuw. En door dat mooie zwarte hemd, leek hij precies een spreeuw.

Anoniem/Jan H. de Gi

Godsdienstig element

Eén ding mis ik in de verzetspoi van de laatste wereldoorlog. Ofschhet godsdienstig element niet geheel i breekt en sommige dichters blijk ge rekening te houden met Gods leidin; het leven van volk en individu, is er r welijks sprake van een verootmoedij voor de Heere vanwege zowel natioi als persoonlijke schuld. In soortgel omstandigheden van Israels volk Ie we in de Bijbel hoe de Godsmannen Ezra, Jeremia e.a. temidden van de r pen die hun volk troffen, zich met volk één voelden in belijdenis van sch en vragen om vergeving.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.