+ Meer informatie

Balthasar Bekker stootte niet af door zijn tronie maar door zijn redegeloof

Predikant geschorst vanwege Schriftkritiek en ontkenning macht van satan

6 minuten leestijd

„Had Balthasar geleefd in 't kluis van St. Anthonie, daar quam geen spook omtrent, uit schrik voor zulk een tronie". Ziehier een van de vele, lang niet altijd aardige en kiese zinspelingen die op het uiterlijk van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse predikant Balthasar Bekker gemaakt zijn tijdens zijn leven en daarna.

Wie zijn portret met aandacht bekijkt, zal inderdaad moeten toegeven dat er in de geschiedenis wel mannen geweest zijn die er voordeliger uitzagen. Maar om de man daar nu een verwijt voor te maken, dat is ook zo wat. Niet de „tronie" maar de opvattingen van Bekker hebben —met heel wat meer recht— tijdgenoten en nageslacht aanstoot gegeven.

Afkeer

Menigmaal behoefde men zijn naam maar te noemen en er rees bij velen een gevoel van afkeer. Bekker heeft de laatste zes jaren van zijn leven het brandmerk van een 'ketter' gedragen. Men kende hem in het hele land. Van Friesland tot Zeeland en in alle uithoeken van de Republiek.

Zijn vader was een uit Duitsland afkomstige Friese dominee. In de pastorie van Metslawier zag op 20 maart 1634 de zoon Balthasar het levenslicht. Friesland is hem blijven trekken; hij is er ook begraven, in Jelsum, nadat hij op 11 juni 1698 te Amsterdam overleden was.

Zijn studiejaren bracht hij door, te Groningen en te Franeker. In 1657 werd hij predikant te Oosterlittens. Hij trouwde toen met een Friese predikantsdochter, Elske Walkens. Maar kort heeft hij haar mogen hebben, in 1664 ontviel zij hem door de dood. Een paar jaar later kwam hij tot een tweede huwelijk, met een rijke jonge weduwe, Frouwje Fullenius. Zij liet er een baron die naar haar hand gedongen had voor schieten. Haar heeft Bekkers uiterlijk in ieder geval niet afgestoten.

Na nog in Franeker, Loenen aan de Vecht en Weesp de gemeenten te hebben gediend, kwam Bekker in 1679 te Amsterdam terecht.

Reputatie

Hij had toen al een bepaalde reputatie. Hij was gepromoveerd, dus geleerd, maar of hij ook wel geheel rechtzinnig was, was de vraag. In Friesland had menigeen daar grote vraagtekens achter gezet.

Hij was nog maar ongeveer een jaar in Amsterdam werkzaam of er verschenen kometen aan het firmament. Zij leverden, zoals zo menigmaal al het geval was geweest, ruimschoots gespreksstof op. Ook wel gevoelens van angst en vrees. Bekker ging zich er ook mee bemoeien. Hij zette een geleerde bril op en bekeek de zaak 'wetenschappelijk'. Wat zijn eigenlijk kometen? vroeg hij in een boekje dat hij het licht deed zien. Zijn antwoord was: Niemand weet het, althans, niet met zekerheid. In ieder geval: Men kan niet op grond van kometen voorspellingen doen, er is geen enkele reden om het verschijnen van een staartster voor goed of kwaad te houden.

Toen Jacobus Koelman dit las, klom hij in de pen. Een eerste confrontatie tussen twee vertegenwoordigers van totaal verschillende geestesrichtingen. Maar het was nog maar een voorspel.

"Betoverde wereld"

Een paar jaar later begon het eigenlijke lieve leven. Bekker begon aan het schrijven en uitgeven van een boek dat hem tot op de dag van vandaag beroemd heeft gemaakt, "De Betoverde Wereld".

Overal meende Bekker het bijgeloof te zien. Hij kon er tientallen bladzijden over verhalen. En niet alleen onder het gewone volk, maar ook wel onder de beschaafden, zelfs de theologen. Tegen zo goed als alle haren werd door Bekker, die een stoutmoedigheid had die aan brutaliteit grensde, ingestreken.

Het valt niet te ontkennen dat er ook inderdaad wel bijgeloof was. Historische studies over de zeventiende eeuw hebben in onze tijd dat onomstotelijk bewezen. Wij durven ook niet beweren dat elke theoloog er geheel vrij van was. Hekserij, toverij, duivelverschijningen, verhalen over vrouwen die door de duivel beslapen werden en 'duivelskinderen' voortbrachten, soms ook het harde en negatieve oordeel over geesteszieken — daar werd door menigeen maar al te gretig geloof aan gehecht.

Bekker heeft dus een bepaalde functie gehad, wij mogen het niet ontkennen. Maar daar is het niet bij gebleven.

Invloed Cartesius

Bekker is, al vrij jong, in de ban geraakt van Cartesius, de Franse filosoof met wie Voetsius, Koelman, Melchior Leydekker en vele andere verdedigers van de ware gereformeerde leer zoveel te stellen hebben gehad.

Bekker ging verdedigen dat „geesten zonder lichaam" geen inwerking kunnen hebben op andere geesten en op lichamen; een typisch cartesiaanse stelling. Bij „geesten zonder lichaam" moet men denken aan engelen en duivelen. Vooral wat hij noemde het „duivelgeloof heeft het bij Bekker zwaar moeten ontgelden.

Hij ontkende activiteiten van de duivel. De duivel zat volgens hem opgesloten in de hel en kon niets meer doen. Terstond na zijn val zou de duivel in deze gevangenis geworpen zijn. Maar ook van de werkzaamheid van engelen wilde Bekker niet veel weten. Nu ja, als God het wil, dan kunnen ze iets bij ons uitrichten, maar dat zou tot de zeldzaamheden behoren.

Rede als leidsman

In al deze redeneringen liet Bekker zich leiden door de menselijke rede. Had niet Cartesius de menselijke rede gesteld naast de goddelijke openbaring?

Maar als theoloog moest Bekker natuurlijk toch ook wel met het getuigenis van de Schrift in het reine zien te komen. Op twee cruciale punten spitste zich al spoedig de polemiek tussen Bekker en zijn tegenstanders toe. Genesis 3 leert ons dat de slang Eva verleid heeft, en de slang was instrument van de duivel. Bekker wist er niet goed raad mee. Zat de duivel al niet sinds zijn val veilig en wel opgesloten in de hel, en hoe kon hij dan toch Eva verleiden? En bovendien, de duivel is toch een „geest zonder lichaam", en volgens het boekje kon hij dus niet inwerken op Eva's geest. Bekker is hier nooit geheel uitgekomen. Hij kronkelde als een slang om de „slang" weg te werken.

Maar nog erger maakte hij het ten aanzien van Jezus' verzoeking in de woestijn. Wie kan ontkennen dat de Heere Christus door de duivel verzocht is? Bekker wilde er niet aan. Het zou volgens hem niet écht gebeurd zijn, maar alleen in Jezus' verbeelding. Het klinkt ons als moderne Schriftkritiek in de oren.

Geschorst

Bekker is aangevallen, bestreden. Orthodox gereformeerd Nederland liep tegen hem te hoop. Ten slotte is hij als predikant geschorst en afgezet. Uiteindelijk niet om zijn strijd tegen het bijgeloof. Maar om zijn ontkenning van de macht van de boze en om zijn Schriftverdraaiing. Wij kunnen aan de duivel te veel toeschrijven. Maar even gevaarlijk is het, aan hem te weinig toe te schrijven.

In latere tijd, ook de onze, heeft men Bekker een man van „verlichting" genoemd. Met veel meer recht kan men zeggen dat hij om het bijgeloof te bestrijden het ongeloof een weg baande. De bede „Verlos ons van den boze" behoudt, ondanks Bekker, haar actualiteit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.