+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

4

Op de vraag: En wat doet ons nu denken, dat deze voorslag de gewenste uitwerking zal hebben?, wordt door Legio geantwoord: Dat het volk in Mensziel eenvoudig, oprecht, vroom en waarachtig is en nog niet weet, wat het is met bedrog, veinzerij en huichelarij aangevallen te worden. Dit volk is onbekend met bedriegelijke en leugenachtige lippen. Dus kan het ons niet doorzien, hoe wij ze ook misleiden, onze leugens zullen voor waarachtige woorden doorgaan en onze bedriegerijen voor oprechte handelingen. De lieden zullen ons geloven in alles, wat we beloven, zo we in onze leugenachtigc en valse woorden grote liefde tot hen voorwenden en zeggen, dat we alleen hun eer en welvaart beogen.

Hier viel geen woord tegenin te brengen. Het ging er ook zo glad door als een waterval, die van de steilte nederschiet. Dus kwam het nu maar op het vierde aan, nl. of het niet raadzaam was aan enigen uit het gezelschap order te geven om een of meer van de voornaamsten in Mensziel neder te werpen en of zij oordelen dat dit hun zaak bevorderen zou.

Deze voorslag werd met ingenomenheid begroet en de man die men door deze krijgslist wilde orabrengen, was een Mr. Tegenstand, of anders: Kapitein Tegenstand, een groot man in Mensziel, die de reus Diabolus meer vreesde dan al de anderen, die in de stad waren. Want met Tegenstand kwam de gehele stad in actie om tegenstand te bieden. Maar zodra hij kwam te verzwakken en toegefelijk werd, dan zonk de gehele stad in.

Doch wie zou hier handelend optreden om Kapitein Tegenstand om te brengen? Een vraag, die met emst in behandeling kwam, want het helse plan mocht niet mislukken. En zie, men wees na rijp beraad daartoe aan Abaddon, een der geesten uit de poel des vuurs.

Nadat zij aldus de krijgsraad geeindigd hadden, rezen zij op en marcheerden op Mensziel aan, doch alien op een onzichtbare wijs, uitgenomen een. Hoewel ook deze de stad niet naderde in zijn eigen gedaante, maar onder de schaduw en het lichaam van een slang.

Genaderd zijnde, zetten zij zich neder voor de Oorpoort, want dat was de plaats des gehoors voor alles, wat buiten de stad was, gelijk de Oogpoort de plaats des gezichts was.

Tcrwijl nu de reus het heir, dat hem volgde, in cen hinderlaag leide, omtrent een boogschot van de stad en ook van Kapitein Tegenstand, trad hij zelf dicht aan de poort en riep tot de inwoners om gehoor.

Hij had nu niemand bij zich dan Al-in-ruste, die hij tot zijn woordaanvoerder in alle moeilijke zaken bij zich had genomen. En zo voor de poort staande, blies hij (naar de gewoonte van die tijd) de bazuin, om stilte en gehoor te krijgen. Op welk geluid de grote stad Mensziel, zoals de heer Oprecht, de heer Wiile, de heer Majoor Verstand, de heer registreerder Conscience en Kapitein Tegenstand afkwamen op de muur, wie daar was en wat er te zeggen viel.

De heer Wiile, over de wallen bukkende, om te zien wie voor de poort stond, vraagde hem wie hij was, waar hij vandaan kwam, wat hij verlangde en waarom hij de stad met zulk een ongewoon geluid beroerde.

Diabolus, also! hij een lam was geweest, begon nu een redevoering en zeide: Gij Edelen der beroemde stad Mensziel, ik ben, gelijk gij wel kunt vermoeden, niet ver van u afgelegen, en een die door de Koning verplicht is, u hulde en alle mogelijke dienst aan te bieden. Derhalve, opdat ik voor mijzelf en aan u getrouw zij, heb ik u iets van belang mede te delen. Gunt mij daarom uw aandacht en hoort mij een weinig met geduld.

Vooraf wil ik u verzekeren dat ik niet mijzelf maar u, niet mijn maar uw bevordering zoek, in ’t geen ik nu doe; gelijk genoegzaam en ten voile zal blijken, als ik u mijn mening zal opengelegd hebben.

Want Edele Heren, (opdat ik rechtuit spreek) ik ben hier gekomen om u aan te wijzen hoe gij groot kunt worden en verlossing bekomen van uw siavernij, waarmede gij, zonder het te merken, gevangen zijt.

Dat deed de lieden uit Mensziel de oren spitsen en denken: Lieve, wat is dit toch? Maar hij voortgaande zeide: Ik heb u iets te zeggen aangaande uw Koning en aangaande Zijn wet, en zo ook iets dat uzelf belangt.

Aangaande uw Koning, ik weet dat Hij groot en niacnug is. Maar toch is niet alles wat Hij u gezegd heelt, waar of tot uw voordeel. ’t Is niet waarachtig, want’t geen waarmede Hij u tot liiertoe beiast heeft, zal met geschieden, noch zijn vervulling hebben, al deedt gij’t geen Hij u verboden heeft.

Maar zo er al gevaar was, welk een slavernij is het geourig te leven in de vreze van de grootste straf om het doen van een kleine of gemene zaak, als het eien van een kleine vrucht. Belangende Zijn wet zeg ik verder, dat die beide onredeiijk en ondragehjk is. Onredeiijk, omdat straf niet berekend is naar de misdaad. Daar is een groot verschil, een onevenredigheid tussen het leven van de mens en een vrucht van de boom. En evenwel moet dit ene volgen op het andere voigens de wet van uw El-Schaddai.

Doch het dient ook maar om te verschrikken, wijl Hij eerst zegt: Gij zult eten van alles en daarna ’t eten van ene vrucht verbiedt. Eindelijk, ’t moet op de duur voor u noodwendig ondragelijk zijn. Want de vrucht die u verboden is, is juist degene die bekwaam is, maar ook alleen bekwaam, om u een goed te geven dat u tot nog toe onbekend is. Dit is blijkbaar uit de naam van de boom zelf, hij heet de Boom der kennis des goeds en des kwaads, en hcbt gij die kennis nog wel? Neen, neen, en’t is u ook niet mogelijk te begrijpen hoe goed, hoe vermakkelijk en hoe begeerlijk zij is om wijs te maken, zolang gij u aan uws Konings bevel houdt.

Waarom zoudt ge niet toenemen in kennis en ver-stand? Lees aandachtig en het zal u ten voile duidelijk zijn uit dit woord dat de Boze bedoelde. Maar God weet dat ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden en 'gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.” God moest het naar het oordeel van satan, niet langer voor ons uitmaken wat goed en wat kwaad is, dat moest de mens zelf doen en daarmede bedoeldc-satan dat hij het dan zou doen. Was het niet recht en redelijk zich te houden, kindcrlijk te houden aan het proefgcbod, om staande te blijven in de beproeving, opdat wij in gehoorzaamheid aan God met Hem in de eeuwige zaligheid leven zouden, om Hem te loven en te prijzen. Ach Heere, leer ons wenen over de dwaasheid van onze ongerechtigheid.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.