+ Meer informatie

KERKENRAAD EN KERKORDE

10 minuten leestijd

Het is een bekende uitspraak: als Chr. Geref. Kerken leven we naar Schrift, belijdenis en kerkorde. Maar hoe staat het met de praktijk van dat laatste gegeven, de kerkorde? Ongetwijfeld is er bij de genoemde trits sprake van een aflopende orde: de Schrift staat boven de belijdenis en deze is weer van hogere orde dan de kerkorde. Maar daarmee is die kerkorde nog niet uit het beeld verdwenen.

Een vermoeden

Toch bestaat het vermoeden dat onze kerkorde op veel kerkenraden slechts een marginale rol vervult. Nu hoeft dat op zich ogenschijnlijk nog niet direct een probleem te zijn. Het is net zo als met statuten en een huishoudelijk reglement van een stichting of een vereniging: zolang alles goed gaat, hoeft men het stof er niet vanaf te halen. Maar o wee, wanneer het eens mis gaat! Dan zijn die statuten en dat huishoudelijk reglement dringend noodzakelijk. Alleen… dan blijkt het ook wel noodzakelijk te zijn dat er leden van de vergadering zijn die e.e.a. kunnen lezen en er in thuis zijn om de juiste lijnen eruit te trekken en zo de betrokkenen weer uit het moeras te trekken. Als de kerkorde pas voor het eerst bekeken gaat worden op het moment dat men er bepaalde lijnen in moet ontdekken om vervolgens conclusies voor behandeling te trekken, wordt het een riskante situatie: niemand is immers op dat moment ‘geoefend’?

Even tussendoor, net buiten het bestek van dit artikel: hetzelfde kan men zeggen van classicale vergaderingen; ook daar is het angstig wanneer er (te) weinig kerkrechtelijke kennis is bij de afgevaardigden. Meer en meer komen er immers precaire zaken op de classicale tafels met soms vergaande consequenties…

Kennen onze broeders kerkenraadsleden de kerkorde? Men zou het positief kunnen benaderen: zo om de negen jaar (ongeveer) blijkt onze kerkorde, uitgegeven bij Buijten & Schipperheijn in Amsterdam, uitverkocht te zijn; deputaten voor uitgave van de kerkorde krijgen een seintje en maken de kopij voor een nieuwe uitgave persklaar. En daarbij gaat het, zo bleek bij navraag, nog altijd om een oplage van 2000 exemplaren. Daarbij zorgen de deputaten ervoor dat de besluiten van de tussenliggende generale synoden verwerkt worden, zodat de kerkorde weer helemaal ‘up to date’ is. Waar blijven al die gloednieuwe exemplaren? In ieder geval niet bij alle dominees, te oordelen aan de verouderde uitgaven die men soms op de tafels van de classicale vergaderingen kan aantreffen. Sommige kerkenraden hebben de loffelijke gewoonte om nieuw aangetreden broeders een exemplaar te schenken bij hun in diensttreding binnen de kerkenraad. Studenten in Apeldoorn kopen een exemplaar voor het volgen van de colleges kerkrecht. Zo raakt de voorraad in Amsterdam in ieder geval op. Maar verder…? Het is bekend dat vele kerkenraden hun vergaderingen beginnen met een meditatief gedeelte. Daartoe wordt een gedeelte uit de Schrift behandeld. Ook leest men bij ker-kenraadsverslagen wel van de behandeling van een gedeelte uit onze belijdenisgeschriften. En dat is een goede zaak. Zelden leest men dat de kerkorde cursorisch eens wordt doorgenomen; ik weet dat althans slechts van een enkele kerkenraad.

Een langzaam ingeslopen gewoonte

Hoe komt het toch dat de kerkorde ons zo weinig zegt? Ik denk dat dit een lange voorgeschiedenis heeft. Ik begin dan bij de peremptoire examens op de classicale vergaderingen: telkens wanneer een kandidaat door de classis geëxamineerd wordt, wordt door de classis zijn kennis van de kerkorde gepeild. Dat gebeurt als laatste onderdeel van het examen, na de kennis van OT/NT, de belijdenis en de prediking. Dat laatste gedeelte, kennis van de kerkorde, wil qua tijd nog wel eens mager afsteken tegen de andere onderdelen. Ook kan men ter vergadering nog wel eens waarnemen dat de broeders dit onderdeel nog ‘even’ meenemen; het belangrijkste hebben ze gehad — zo is blijkbaar dan de gedachte. Het is dan geen wonder dat men gaat denken dat dit gedeelte slechts een (noodzakelijk?) aanhangsel is.

Ik meen dat er ook nog iets anders speelt. Te vaak komt de kerkorde bij ons slechts ter sprake wanneer ‘er iets niet klopt’. Broeders kerkenraadsleden die op de classis komen, horen een andere gemeente terechtgewezen worden: daar handelt men in strijd met (de letter van) een bepaald artikel. Men ruikt het opgeheven vingertje en zonder naar de diepere achtergronden te vorsen, vat de gedachte post: de kerkorde wordt gebruikt om ‘de puntjes op de i te zetten’. Heel puntig hoorde ik dat eens door iemand verwoorden die zei: ‘De kerkorde is toch dat boekje waarin staat wat we niet mogen zingen (en wat we toch zo graag willen)?’ Te vrezen is dat deze gedachte bij meerderen heerst: de kerkorde stelt de grenzen van ons kerkelijk samenleven vast, en o wee als je er overheen gaat.

Het principe

Hoe zeer van belang het ook is dat op deze wijze de kerkorde een functie in onze kerken vervult, wanneer dat in de praktijk alles is, moet gezegd worden dat we het principe toch niet echt gepeild hebben. Vergelijkt u het met de bijbel: we zijn er toch niet wanneer we elkaar aan het verstand brengen dat een aantal zaken volgens de tien geboden verboden zijn? Wanneer we bij onze omgang met de Heilige Schrift daarin blijven steken, komen we hopeloos tekort. En wanneer de belijdenis slechts opengaat om een ander er op te wijzen dat we de Schrift van Gen. 1 tot Openb. 22 als Gods Woord dienen te erkennen — hoe belangrijk op zichzelf ook -, dan komt het nooit tot het lied dat bij die belijdenis gezongen mag worden (Van Ruler).

Kan het zijn dat ons gebruik van de kerkorde te vaak een kwestie is geworden van het noemen van artikelen waar een probleem mee is? Dat we heel druk zijn met art. 37 als het gaat om het presidium van de kerkenraad, en met art. 69 als het gaat om de liederen tijdens de eredienst, en met art. 31 rond het appel op kerkelijke vergaderingen…, maar dat we nooit met elkaar de kerkorde in positieve, principiële zin laten spreken? In dat geval blijft die orde een afstandelijke zaak, waar het hart niet bij open gaat. En dat kan, naar mijn vaste overtuiging nooit de bedoeling geweest zijn.

De geestelijke zin

Men hoort het wel eens zeggen: de kerkorde is geestelijk van aard. En het is waar, maar het klinkt vaak op een moment waarop het niet ‘landt’, namelijk wanneer men aan de letter van die orde wil ontkomen. Natuurlijk is de kerkorde geen wetboek van strafrecht, met alle consequenties vandien. Anderzijds is zij ook geen vrijblijvend boekje, waar men al dan niet gebruik van kan maken.

De gedachte dat de kerkorde geestelijk van aard is, dient men tot op de bodem serieus te nemen. Men ontdekt dan dat allerlei uitspraken die onder ons opgeld doen, ineens hoogst twijfelachtig worden. Mag ik er enkele noemen?

Te denken is aan de vaak gehoorde opmerking, dat de kerkenraad autonoom is; soms wordt zelfs naar de kerkorde verwezen om een dergelijke uitspraak kracht bij te zetten. Er zit natuurlijk een goede bedoeling achter, maar uiteindelijk is het toch ‘te kort door de bocht’. Onze kerken bestaat uit ruim 180 zelfstandige kerken (inderdaad). De kerkenraad is het belangrijkste orgaan van de plaatselijke gemeenten, en men kan zelfs verdedigen: van het kerkverband. Daarbij mag men echter niet vergeten dat al die 180 kerkenraden zich vrijwillig ertoe gezet hebben toe te treden tot het kerkverband van de Chr. Geref. Kerken. En dat zij vrijwillig beloofd hebben samen een aantal regels te zullen onderhouden, om dat onderling samenleven gestalte te geven. En dat dit alles te maken heeft met het ernst maken van de eenheid van Gods Kerk, waarvan men de wortels in de Schrift kan vinden.

Anderzijds hoort men soms van de generale synode als ‘het eind van alle tegenspraak’. De hoogste vergadering heeft gesproken, zo zegt men dan. En ongeacht (opnieuw) de ongetwijfeld goede bedoelingen moet men toch zeggen: zo zit ons kerkverband niet in elkaar. Natuurlijk eindigen heel veel kerkelijke gesprekken, discussies en plannen op de tafel van de generale synode. Maar dat heeft niets te maken met een machtswoord of iets dergelijks, maar alles met onze kerkelijke structuur.

U voelt wel: bij de eerste uitspraak worden de kerkrechtliefhebbers gekieteld om de waarde van het kerkverband te accentueren; bij de tweede uitspraak gebeurt het omgekeerde: men laat dan weer graag iets zien van de principiële plaats van de plaatselijke kerkenraad. En dat is precies wat er bij onze kerkorde aan de hand is. Met een duur woord noemen wij het de ‘presbyteriaal-synodale’ structuur van onze kerkrechtelijke inrichting. In gewoon Nederlands: wij zoeken een geestelijk-verantwoord, bijbels evenwicht tussen de plaatselijke gemeente en het landelijke verband. En dat is altijd zoeken en tasten. Maar het is in wezen niet anders dan wat we in het Nieuwe Testament al vinden: brieven van Paulus en andere apostelen aan plaatselijke gemeenten, met aanwijzingen die plaatselijk gelden, maar ook met gedachten die voor de kerk van alle tijden en plaatsen van belang zijn. Het gaat erom, zoals art. 1 van de kerkorde al zegt, dat we in de gemeente van Christus naar de vereiste orde leren leven, en dat we daarin (zoals art. 85 zegt) geen heerschappij voeren over elkaar, maar elkaar aanvaarden in het licht van de Schrift, en zo elkaar ook helpen in dat spoor te blijven.

De praktijk

Natuurlijk zorgt die — soms ingewikkelde — verhouding tussen de gemeente en het kerkverband zo nu en dan voor spanning. Maar veel vaker is zij hulpmiddel om op een verantwoorde wijze gemeente en kerk te zijn. Zó, en niet anders, komen in de kerkorde de zaken van de weg tot het predikantschap ter sprake. Zo ook de wijze van verkiezing van ambtsdragers, de vormgeving van de kerkelijke vergaderingen (van kerkenraad via classis tot particuliere/generale synode); zo ook de zaken van de opleiding tot dienaar van het Woord in Apeldoorn, zo ook de zaken van kerkdiensten, sacramenten en kerkelijke tucht.

Het zou werkelijk de moeite waard zijn, wanneer onze kerkenraden zich de moeite getroosten om iets van die (en andere) principiële lijnen onder de aandacht te krijgen, bijv. via een bezinnend gedeelte tijdens de kerkenraadsvergaderingen. Zoals boven al gesignaleerd werd: dat voorkomt dat de kerkorde alleen erbij gepakt wordt wanneer er een probleem opgelost moet worden, waarbij een artikel — al of niet terecht — opgediept wordt om de zaak rustig te krijgen. Dat bewerkt dat de broeders iets van de rijkdom (ik meen het echt) van dit kleine boekje gaan herkennen. Wanneer dat gebeurt, kan de laatste zinsnede uit het ondertekeningsformulier voor ouderlingen en diakenen meer inhoud krijgen dan nu vaak het geval is. Daar staat immers: ‘Tenslotte beloven wij in alles te handelen naar de geldende kerkorde en verdere bepalingen en besluiten van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland’. Dat kan ook zo’n zin met een bepaalde dreiging worden, en nogmaals: zo is het niet bedoeld. Dat heeft een recent onderzoek binnen de classis Zwolle onlangs nog eens uitgewezen.

Het zou mooi zijn als uw gedachten door het hierboven opgeworpene zó op gang zijn gekomen, dat u zegt: daar wil ik wel meer van weten. Uw predikant (of consulent) zal vast en zeker bereid zijn aan het bezinnende gedeelte van de kerkenraadsvergadering zijn deel te geven. Op het gebied van kerkrecht en kerkorde heeft hij het een en ander in zijn geestelijke en wetenschappelijke bagage. En anders is er in de buurt vast wel iemand te vinden die dat graag doet. En als u van mening bent dat die plaatselijke bezinning een breder vervolg zou moeten hebben, dan staat het u vrij daartoe eens een tip te geven aan een commissie voor classicale ambtsdragersconferenties, die in de meeste classes wel functioneren.

Wie weet zal dat nog bewerken, dat de kerkorde in de praktijk minder opengeslagen hoeft te worden bij allerlei incidenten dan nu het geval is!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.