+ Meer informatie

Zending onzer vaderen in de Oost

5 minuten leestijd

Het zal ons misschien wel verbazen, als we horen, clat Erasmus, die wel een voorloper van de hervorming wordt genoemd, maar voor de „goede zaak" zijn hoofd niet over had, clat deze Erasmus een jaar voor zijn dood een werk uitgaf, getiteld „Predikkunst", waarin hij pleitte voor cle zending. We zullen wellicht ook staan te kijken, clat de remonstrant Ilugo de Groot een pleidooi hield voor het zendingswerk. Na zijn vlucht uit Loevestein, schreef Grotius een boek op rijm, clat tot titel droeg „Bewijs van cle ware Godsdienst." In clat werk beschrijft cle grote geleerde, dat men niet moet afwijken aan het bestaan van God; hij bewijst, clat de ziel onsterfelijk is; clat de enig ware godsdienst de christelijke is en clat de Heilige Schrift van God is ingegeven. Verder wordt door hem de godsdienst cler Mohammedanen, de Joden en de heidenen bestreden. Dit werk van het „wonder van Holland" wercl zelfs in het arabisch vertaald en menig zendeling heeft het gebruikt als handboek voor het zendingswerk.

Meer en langere tijd wercl door de zendelingen het boek ter hand genomen van prof. Joh. Hoornbeek, een leerling van cle vermaarde Voetius. Het werk van Hoornbeek was getiteld „De bekering der heidenen".

Hoornbeek had van Voetius veel geleerd over het nut en doel van cle zending. Hoornbeeks leermeester wordt wel de vader van de Gereformeerde zendingswetenschap genoemd. In een verhandeling over cle zending schrijft hij over: Wie zijn het die zenden; tot wie moeten ze gezonden worden; waartoe moeten ze gezonden worden; wie moeten gezonden worden; hoe moeten ze gezonden worden en hoe moeten deze gezondenen hun werk volbrengen?

Bij onze vaderen bleef het evenwel niet bij schrijven van geleerde boeken, maar ze poogden ook metterdaad het zendingswerk te behartigen. Vooral de scheepvaart heeft onze vaderen daartoe gedrongen. De Hollanders werden cle vrachtvaarders van Europa, maar ze kwamen ook verder dan ons werelddeel: ze gingen handel drijven op Oost-Indië. De „Compagnieën van Verre" smolten samen tot de machtige Oost-Indische Compagnie. Deze O.I.C., in 1602 opgericht, wercl bestuurd door cle Heren Zeventien en deze

Heren besloten een jaar na de oprichting reeds: „om te zien naar twee bekwame mannen om den volkeren in Indië Gods Woord voor te dragen en hen tegen alle superstitiën der Moren en Atheïsten uit de Heilige Schrift te vermanen."

De beroemde Synode van Dordrecht deed ook het hare hiertoe, toen ze op 27 mei 1619 aan cle Staten-Generaal schreef: „En aangezien alle oprechte christenen vanwege de liefde, die ze schuldig zijn tot harer naasten zaligheid en vanwege cle ijver om Gods eer onder de mensen te verbreiden, gehouden zijn, alle middelen aan te wenden, die daar toe dienen; en God ons in deze landen een weg geopend heeft tot verscheiden ver afgelegen landen in cle Indiën en elders, die van cle kennis des waren Gods geheel ontbloot zijn; verzoekt de voorgezeide Synode ook ootmoediglijk, clat u Hoog. Mog. met een christelijke ijver deze heilige zaak gelieve ter harte te nemen en met alle ernst daarop toe te leggen en tot die einde zodanige middelen te ordineren en te bezorgen, die allerprofijtelijkst en bekwaamst zijn tot voortplanting des H. Evangelies in die landen."

Onze grootste Gouverneur-Generaal jan Pieterszoon Coen is een trouwe beschermer van de Kerk in Indië gew; eest; ook zijn opvolger Carpentier. Op cle derde januari van het jaar 1621 bediende ds. Hulzebos het Heilig Avondmaal in een fort ergens op het eiland Java. Er was dus een gemeente, niet bestaande uit inlanders, maar Nederlanders. De inlanders zouden bewerkt kunnen worden vanuit deze gemeente. De eerste ouderlingen van deze javaanse gemeente waren Wijnand Raaf en Gomarus Stain en cle eerste Hollandse schoolmeester was Jan van den Broek.

Men ging behoefte gevoelen om jongemannen op te leiden voor de dienst des Woords in Indië. De Leidse professor Walaeus werd aangesteld als hoofd van het Seminarium Indicum, clat beoogde studenten klaar te maken om uitgezonden te worden naar de Oost. De professor nam zelf studenten in zijn woning om onder zijn toezicht hun cle nodige kennis bij te brengen. Na twaalf jaren werd deze inrichting opgeheven en kwamen er dergelijke scholen op Ceylon en te Batavia.

Verscheidene predikanten, ziekentroosters en schoolmeesters werden naar Indië uitgezonden, in de eerste plaats om dienst te doen onder cle blanken, en daarnaast met het Woord de heidenen te bearbeiden.

Nu was alles geen goud wat er blonk: er waren huurlingen bij, die geen trouwe zorg besteedden aan de kudde, waarover ze gesteld waren; er waren predikanten, die een ergerlijk leven leidden en met bijoogmerken naar de Oost waren vertrokken. Maar gelukkig kon clat niet van allen gezegd worden, En wonderlijk, zij die het hart op cle kudde stelden, arbeidden ook het meest onder cle heidenen. Zij konden niet zwijgen van de rijkdom, die er in Christus is en zij moesten uitdragers zijn van het Licht, clat ook ontstoken is geworden voor het heidendom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.