+ Meer informatie

Wonen en zitten in een Mondriaan

5 minuten leestijd

"Het leven van den huidigen, gecultiveerden mensch keert zich langzamerhand van het natuurlijke af: het wordt al meer en meer een abstract leven." Piet Mondriaan zette in het eerste nummer van het tijdschrift "De Stijl", in oktober 1917, uitvoerig uiteen hoe de "nieuwe beelding" in de kunst de natuur kan beconcurreren. Gemeentemuseum Den Haag laat zien wat dat opleverde.

Aanvankelijk zou het blad "De rechte lijn" heten. Oprichter Theo van Doesburg (1883-1931) wilde een podium bieden waarop gelijkgestemde kunstenaars hun ideeën voor een nieuwe kunststijl konden ventileren. De titel moest uitdrukken wat hem voor ogen stond: heldere lijnen, eenvoud, het gebruik van de primaire kleuren rood, geel en blauw, aangevuld met grijs en wit, het vermijden van sentimentaliteit.

De ambities van de betrokken kunstenaars -Piet Mondriaan, Bart van der Leck, Jan Wils, Gerrit Rietveld en J. J. Oud- reikten echter verder. Uit de chaos van de Eerste Wereldoorlog wilden zij een nieuwe, betere wereld laten verrijzen en daaraan zou de abstracte kunst met haar strakke ordening bijdragen. De naam "De Stijl" paste beter bij de opvatting dat nu eindelijk een definitieve formule voor de kunst was gevonden. "De werkelijk moderne kunstenaar voelt de abstractie der schoonheidsontroering bewust: hij erkent bewust, dat de schoonheidsontroering cosmisch, universeel is", schreef Mondriaan in het eerste nummer van het blad. "De nieuwe beelding kan dus niet verschijnen in (natuurlijke) concrete voorstelling, welke -ook zelfs bij universeele ziening- steeds min of meer op het individueele wijst, althans het universeele in zich verbergt. Zij kan niet gehuld zijn in dàtgene wat het individueele karakteriseert: den natuurlijken vorm en kleur, maar zij moet tot uitdrukking komen in de abstractie van den vorm en de kleur - in de rechte lijn en in de tot bepaaldheid gestelde primaire kleur."

Beeldenstormers

Het ging De Stijl-aanhangers dus om een algemeen geldende kunst, waarin de perfecte harmonie tot uitdrukking kwam. En die kon alleen worden bereikt door de natuurlijke voorstelling uit de kunst te bannen en de abstractie tot het uiterste door te voeren. In de woorden van Mondriaan: "Als het individueele niet meer in de weg staat, kan het universele zich eerst zuiver beelden. Dan eerst kan het universeel bewustzijn (intuïtie) -de oorsprong aller kunst- zich rechtstreeks uiten; een zuivere kunstuiting ontstaat." Of hierbij ook sprake was van calvinistische soberheid (er zijn zelfs mensen die een verband leggen tussen De Stijl en de Beeldenstorm van 1566), valt moeilijk uit te maken. Feit is wel dat veel aanhangers van De Stijl een protestants-christelijke achtergrond hadden en geïnteresseerd waren in spirituele en mystieke zaken.

Het aardige van de door Mondriaan beoogde ontwikkeling was dat de toepasbaarheid van De Stijl gaandeweg breder werd. Behalve kunstschilders konden ook architecten en ontwerpers met De Stijl in zijn meest elementaire vorm uit de voeten. Zo ontwierp Gerrit Rietveld (1888-1964) de rood-blauwe stoel en het al even beroemde Schröder-huis, dat in Utrecht staat. Het pand oogt als een driedimensionale Mondriaan, als een abstracte compositie van met elkaar verbonden kleurvlakken. De rechthoek heerst tot in het detail. Rietveld voerde de principes van De Stijl zo ver door, dat de openslaande ramen slechts in één positie open konden: in een hoek van 90 graden ten opzichte van de gevel

Overbodig

De brede toepasbaarheid van De Stijl was trouwens een van de uitgangspunten van de beweging. Zeker Mondriaan werkte tussen 1917 en 1944 onverstoorbaar aan zijn visioen van een Nieuwe Beelding, die er uiteindelijk toe moest leiden dat de kunst met het (dagelijks) leven zou versmelten. Als in de werkelijkheid de harmonie -rust en evenwicht- was bereikt, zou kunst overbodig zijn geworden.

De tentoonstelling in het Gemeentemuseum in Den Haag laat zien dat De Stijl inderdaad grote invloed heeft gehad op architectuur, reclame en design. Zowel in Nederland als daarbuiten. Het vertrekpunt van de beweging ligt echter onmiskenbaar bij de schilderkunst. Juist op dat terrein had immers de worsteling plaats om te ontsnappen aan de zichtbare werkelijkheid. Want abstracte kunst wortelt in het figuratieve. Theo van Doesburg illustreerde dat in 1925 in zijn boek "Principes van neoplastische kunst" treffend aan de hand van een foto van een koe. Door het dier steeds verder te abstraheren kon uiteindelijk een 'beeld' ontstaan dat was opgebouwd uit louter kleurvlakken. Van Doesburg sprak van "doorbeelding."

Dat de zichtbare werkelijkheid zich niet gemakkelijk laat verdringen uit de beeldende kunst, blijkt uit het feit dat veel "composities" tóch verwijzen naar iets concreets: "De schaatsenrijders" van de Hongaar Vilmos Huszár, "Portret van Lena Milius" van Theo van Doesburg, "Bloeiende appelboom" van Mondriaan zijn maar enkele voorbeelden die dat onderstrepen. Blijkbaar is het zelfs voor visionaire kunstenaars erg lastig om het stoffelijke te ontstijgen.

Geen eindpunt

Anders dan Mondriaan verwachtte, is ook De Stijl niet het eindpunt van de kunstgeschiedenis geweest. Perfecte harmonie heeft in deze aardse bedeling trouwens altijd iets onbevredigends. Als kunst slechts gaat over een onbereikbaar ideaal, mist ze de aansluiting bij de weerbarstige werkelijkheid van vandaag. Kunst die wel de zinnen streelt maar het hart onberoerd laat, kan niet het laatste woord hebben.

De tentoonstelling "Mondriaan en de Stijl" is tot en met 27 februari te zien in Gemeentemuseum Den Haag. Informatie: 070-3381111 of www.gemeentemuseum.nl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.