+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

30.

„Nu zag ik in mijn droom hoe de pelgrim zich voortspoedde om, indien het mogelijk was, daar een onderkomen voor de nacht te vinden”.

Een donkere nacht met veel verschrikkingen komt met steeds meer kracht en vaart op hem aan. Het staan onder de blote hemel drukt de arme reiziger, die zoveel tijd verloren liet gaan.

Daar is in zijn hart een innig verlangen naar een gastvrij onderkomen in het Paleis Liefelijkheid, in de woning van de huisgenoten Gods, die roemen in de genade van de Heere Jezus. En dat deed hem met des te meer spoed gaan in de richting van het Paleis, dat voor hem een lichtpunt was in de duisternis.

„Maar hij was nog niet ver, toen hij in een zeer nauwe gang kwam, op een honderdtal schreden afstands van de portierswoning. Toen hij zeer opmerkzaam voor zich uitkeek, bespeurde hij twee leeuwen op de weg.

In het zien van de portierswoning was een heerlijke verkwikking, want bij het kloppen aan de poort is hij altijd nog verrast met een hartelijke ontvangst. Maar tegenover deze heerlijke verkwikking staat hij hier in eens voor de vreselijke verschrikking van twee leeuwen die op hem loeren.

Nu ziet de Pelgrim het gevaar waarvoor de ongeloofspredikers op de vlucht geslagen zijn. Dat werkte de redenering van het ongeloof in de hand en deed hem bevreesd zuchten. Het deed hem zelfs tot de gedachte komen van terug te keren, daar hij niets dan de dood voor ogen zag. U kunt er zeker van zijn dat de Pelgrim in het gezicht van het Paleis nog doodsangsten heeft doorworsteld, en dat tot bezwijkens toe. Dat doet ons komen tot de vraag: Zou dat nu niet anders gekund hebben? Gedurig kwamen toch reizigers naar Sion aan deze plaats om enige rust te mogen bekomen in dit zo vermaarde Paleis. Naar het oordeel van allen die daar mochten vernachten was het een liefelijk tehuis voor vermoeide reizigers. Door niet één is het tegengesproken, nimmer werd het in verdenking gesteld. Maar de entree die het Paleis de reizigers biedt, is in tegenstelling van al die liefelijkheid, een grote verschrikking. Aan de buitenkant van het Paleis is niet de minste liefelijkheid te bespeuren. Een lantaarn ziet u niet, de poort is gesloten en de gordijnen zijn dicht. Alles wijst er op dat men hier geen gasten meer verwacht, alsof dat alles dient om reizigers op de vlucht te jagen. Het is in één woord bij de wereld geheel anders.

Zo iets houdt de wereld er niet op na. Een hotel is van alle kanten verlicht en aantrekkelijk. De deur staat voor u open en de gezelligheid treedt u tegemoet. Tot in het holle van de nacht wordt u vriendelijk ontvangen. Maar in het Paleis Liefelijkheid komt u echt zo maar niet binnen, dat gaat door veel verschrikkingen heen.

Maar weet u dan niet dat die wereldse aantrekkelijkheid niet behoort tot de aard van het Paleis Liefelijkheid. De gemeenschap der heiligen is niet door alle reizigers naar Sion onderhouden, al waren zij er nog zo godsdienstig bij. Al behoren wij tot het instituut der kerk, dan maken wij nog geen deel uit van het organisme. De gemeenschap der heiligen kan toch alleen maar door levende lidmaten beoefend worden. En nu is bij de entree van het vorstelijk Paleis alles er op ingesteld hypocrieten er buiten te houden. Voor de verschrikkingen van al die doodsgevaren slaan zij op de vlucht en daar is het nu precies om begonnen.

Maar voor de hypocrieten zou het toch nog wel profijtelijk kunnen zijn de onderhouding van de gemeenschap der heiligen bij te wonen. Mogelijk werd het die mensen dan recht duidelijk wat zij missen.

Inderdaad, dat zou kunnen zo zij daar kwamen om te luisteren. Maar dat doet een hypocriet nu net niet. Waar u dat geslacht ook aantreft, doet niet ter zake, zij hebben het grootste woord en willen dat een ieder naar hen luistert.

Maar nu moet u niet denken dat de entree naar het Paleis Liefelijkheid door de bewoners is vastgesteld. Tot op de dag van heden komt de Heere de onderhouding van de gemeenschap der heiligen met leeuwen en beren te bezwaren tot de beveiliging van die gemeenschap. En dat roofgedierte is nu eenmaal niet uit te roeien. Als het er op aankomt, gaan al die hypocrieten er voor op de loop, want niet één van hen weet dat zij vastliggen aan de ketting van de overwinning die Christus heeft behaald. En dat weten zij niet daar zij de innerlijke geloofsgemeenschap met Christus niet deelachtig zijn.

Maar met dat alles staat de Pelgrim nog in de duisternis en dat in de nabijheid van de leeuwen die dorsten naar zijn bloed. Dat doet hem hier als aan de grond genageld staan. Hij weet niet wat te doen, gaat niet verder, het is alsof de leeuwen hem vasthouden. Maar hij gaat ook niet achteruit om op de vlucht te slaan. Maar wat zal de man het bang hebben.

Het enige waaruit wij iets op kunnen maken omtrent de gesteldheid van zijn hart, is vanuit zijn houding, want daaruit blijkt enige geneigdheid om terug te gaan. De gedachte dat een leeuw hem elk ogenblik aan kan vallen houdt hem in spanning. En het schijnt dat hij aanstalten maakt om terug te keren. Hij durft geen stap verder te gaan.

Ja, het is heel ver met hem gekomen, het kon niet erger, en wat zijn verwachting betreft is het heel droevig met hem gesteld. Maar wat denkt u, zoudt u het er beter afbrengen? Ik vrees, dat ik, als ik stond waar.de Pelgrim nu staat, zou bezwijken. Ik durf in geen geval boven hem te gaan staan.

Hier staat de man alleen tegenover satan die rond gaat als een briesende leeuw. En In die bange tijden zucht elk kind des Heeren: als er geen hulp komt van Hem bij Wie hulp besteld is, dan bezwijk ik. Want in mij is geen kracht tegen die grote menigte.

En zie, al kan de Pelgrim het niet bezien, er wordt over hem gewaakt. Het oog van Waakzaam is op hem gevestigd. Het zal hem duidelijk worden dat de Wachter Israëls niet slaapt, noch sluimert. De belofte: „Mijn oog zal op u zijn”, behoudt haar kracht.

Maar worden wij in de diepte van de beproeving geschud door vele vertwijfelingen, dan is het alsof de Heere ons vergeet, alsof Hij Zijn hand van ons heeft afgetrokken. Hoe machteloos en krachteloos staan wij dan, vanuit onszelf gedacht, tegenover deze bergen van bezwaren. De Heere alleen kan bergen vlak en zeeën droog maken.

Vanuit het Paleis Liefelijkheid wordt aan de Pelgrim gedacht, hij wordt er zelfs verwacht. De portier Waakzaamheid heeft hem wel tot de einde toe beproefd, maar hij is Gode zij dank, niet op de vlucht geslagen. Liefelijk klinkt hem de stem vanuit het Paleis inde oren. Vanuit het vriendelijk vragen: „Is uw kracht zo klein?” bekomt hij een blijk van medeleven. De perzoon die tot hem spreekt, beseft dat hij het zwaar heeft te verantwoorden, en dat verkwikt, het doet hem weldadig aan. In zijn hart zegt hij ja, duizend maal ja, mijn kracht is zo klein, ik heb hulp nodig om niet te bezwijken. Ik kan er niet doorkomen, ik ben tegen al die tegenstand niet opgewassen. Maar nee, hij behoeft niet te vrezen voor de leeuwen, daar zij geketend zijn. De leeuw uit Juda’s stam heeft op satan de overwinning behaald. De leeuwen staan vast, kunnen niet doen wat zij wel zouden willen vanwege hun haat tegen het levende volk.

Maar met dit alles werd de situatie waarin de Pelgrim zich bevond niet veranderd. Wel kwam er enige verandering in zijn hart, zodat zijn aanstalte om terug te keren veranderde tot een aanstalte om verder te gaan. Als vanzelf spitste hij zijn oor en richtte zijn aangezicht naar het Paleis vanwaar die spraak tot hem kwam, want dat raakte zijn hart. Onze Pelgrim heeft weer hoop, moed en kracht gekregen om verder te gaan door onderwijzing vanuit het Woord. En zo wil de Heere het ons leren onze sterkte te zoeken in het Woord, dat geschreven is vanuit Zijn mond, door de inspiratie van de Heilige Geest. De kracht van het geloof is alleen in Zijn Boek te vinden. Het geloof is uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. Aan dit woord: „Vrees niet voor de leeuwen, want zij zijn geketend”, is nog deze onderwijzing toegevoegd: „De leeuwen dienen slechts om het geloof te beproeven, waar dit aanwezig is, en om degenen, bij wie het slechts in schijn gevonden wordt, te ontmaskeren”. En met dit woord werd het hem betuigd dat zijn geloof een waar geloof was, een geloof dat de Heere aankleefde. Een geloof dat door de liefde van Christus is werkende tot Zijn eer. Maar wordt dat innig geloofsleven in ons hart gemist, dan is men slechts een schijngelovige. En die reizigers worden door de leeuwen ontmaskerd, opdat zij door deze Goddelijke waarschuwing tot de bekentenis zouden komen het leven der genade te missen, om de waarachtige bekering als nog te zoeken. Want de Schrift zegt tot de hypocrieten: ”Bekeer u dan van deze uw boosheid en bid God of misschien u deze overlegging uws harten vergeven werd”.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.