+ Meer informatie

Gemeente als gemeenschap

11 minuten leestijd

Hoe kan volgens het Nieuwe Testament de gemeente als gemeenschap functioneren?

Wie gevraagd wordt hierover iets te schrijven, komt al snel tot de slotsom dat zo’n onderwerp, met al zijn facetten, onmogelijk in één artikel te behandelen is. Beperking is dus geboden. We willen daarom trachten, aan de hand van één brief van Paulus, nl. I Corinthiërs, na te gaan hoe daarin de gemeenschap en haar functionering tot uiting komen. Wie deze brief wat doorbladert (neemt u uw Bijbel er bij?) doet een merkwaardige ontdekking. Wij brengen een gemis aan gemeenschapsbeleving in de gemeente dikwijls in verband met een tekort aan aandacht voor de Heilige Geest en zijn werk. Maar van zo’n tekort was in de gemeente van Corinthe geen sprake! Integendeel: de Geest en zijn uitingen stonden er in het centrum van de belangstelling. Toch stond het er in Corinthe met de gemeenschapsoefening op heel wat punten niet best voor. Hoe is dat mogelijk?

Men was in Corinthe onder invloed gekomen van mensen die zich er graag op beriepen dat zij de Heilige Geest bezaten, en die ook de gemeenteleden opwekten daarnaar te streven. Daarbij was dan met name het hebben van bijzondere, indrukwekkende geestelijke gaven en ervaringen hét kenmerk van het delen in de Geest. Naarmate men dáárvan meer blijk gaf, was men duidelijker een „geestelijk mens”, die behoorde tot de àndere, goddelijke wereld. Daardoor stond men in feite bóven dit lichamelijke, aardse leven, en … ook bóven anderen die dit „geestelijk leven” en déze geestelijke uitingen zo niet kenden. Het is duidelijk dat waar zó over Geest en „geestelijk leven” gesproken wordt, dit de gemeenschap niet bouwt, maar juist schade doet. Dan wordt het delen in de Geest immers niet een motief om zich met de ander verbonden te weten en zich in liefde aan hem te geven, maar een motief om zich van de ander onderscheiden te voelen, en zich van hem te verwijderen. Het is deze achtergrond, die we in rekening moeten brengen bij Paulus’ spreken over de gemeenschap en haar functionering in de gemeente van Corinthe.

Het valt al dadelijk in 1 : 4-9 op, dat Paulus bij zijn motieven tot dankzegging voor de gemeente véél goeds kan noemen, met name het delen in de genadegaven (vers 7; charismata, hetzelfde woord als in 12 : 4) — maar de gemeenschap noemt hij in een bijzin waarin het gaat over de roeping van de gemeente (vers 9): „God is getrouw, door wie gij zijt geroepen tot gemeenschap …”. Maar dan bedoelt hij deze roeping toch niet in de eerste plaats als „opdracht” maar als geschonken genade. Gód roept in zijn evangelie zondaars tot een leven dat gekenmerkt wordt door gemeenschap.

Daarmee is iets wezenlijks gezegd over de vraag: hoe benaderen we storingen en breuken in de gemeenschap? Begin altijd weer bij de genade. Gemeenschap is niet in de eerste plaats iets dat wij moeten (waar)maken, maar iets dat God geeft, waartoe God ons genadig roept. De gemeenschap der heiligen hoort bij de beloften van het evangelie (antw. 22 H.C.) die door het geloof worden beërfd. Naarmate de gemeente zich méér onder het beslag laat brengen van Gods genadig roepen in het evangelie, zal ze ook méér de gemeenschap vinden.

Verder valt het op, dat Paulus deze gemeenschap direct herleidt tot haar kern, nl. de „gemeenschap met zijn Zoon Jezus Christus”, 1 : 9. Dat doet hij óók, als hij direct daarna, in 1:10-17 de gemeente gaat vermanen over de scheuren in haar gemeenschap. Er was groepsvorming ontstaan, die zich concentreerde rondom bepaalde mensen, wier naam als een leus werd aangeheven: „ik ben van ………”. Weer dringt Paulus direct door tot de kern: „is Christus gedeeld?” (vers 13). Daarmee toont hij in drie woorden aan hoe onbestaanbaar tweespalt in de gemeente is. De gemeente moet voortdurend beseffen dat haar eenheid ligt in het toebehoren aan Christus. Waar, zoals dat in Corinthe het geval was, de geestelijke mens zo sterk in het middelpunt staat, komen ook gemakkelijk ménsen op de voorgrond als degenen rond wie men zich verzamelt en zijn eenheid beleeft. Maar de gemeente heeft haar eenheid alleen in Christus. En als Hij onze verbinding is kan en mag er geen mens, geen standpunt, geen verschil van inzicht of nuancering van beleving zijn. die ons nog weer uit elkander haalt, en maakt dat we ons tegenover elkander opstellen. Gemeenschap aan Christus overwint elke polarisatie.

En waar toch groepsvorming en polarisatie scherper worden? Daar wordt men niet beheerst door de Geest (hoezeer men meent Hem en zijn werk te kennen) maar door het vlees, het eigen zondige ik, zo maakt de apostel duidelijk in 3: 1-3. Het zal voor de Corinthiërs die zichzelf erg geestelijk achtten, heel wat zijn geweest dat Paulus moest schrijven: ik kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen … Men kan eigen identiteit en specialiteit zoeken in kennis van het werk van de Geest — maar waar de onderlinge verhoudingen zich kenmerken door „nijd en twist” (3: 3), ontbreekt een belangrijk kenmerk van de Geest. Dat is nl. de geestelijke groei die uitkomt in het liefdevol vasthouden van elkander. Overigens leidt Paulus zijn vermaning op dit punt in met het woord „breeders” (3:1; verg. 1:10; 1:26). Zijn vermaning is niet als een zweep die neerdaalt op de rug van de gemeente, maar als een liefdekoord dat hij om de gemeente legt om haar samen te binden rond Christus, en haar te doen groeien in zijn gemeenschap. „Broeders!” — dat woord, in al zijn diepte verstaan, moet de basis zijn van al ons vermaan op het punt van de gemeenschap. Wij hóren toch bij elkander!!

Toch kan juist het leven-uit-Christus óók betekenen, dat er scheiding moet komen binnen de gemeente. Dat is het thema en de conclusie van 5: 1-13: „doet. wie niet deugt uit uw midden weg!”; zie ook de texten uit Deut. waarnaar bij dit vers verwezen wordt. Door de sterke en scheefgetrokken nadruk op het „gééstelijke” leven was men in Corinthe laks en slordig geworden t.a.v. het christen-zijn in het aardse, lichamelijke, sexuele leven. Men liet zonden, zelfs in grove vorm, in de gemeente geworden. Maar gemeenschap met Christus sluit gemeenschap met de zonde uit. Daarom is de christelijke tucht, die het behoud van de zondaar bedoelt (5: 5), een belangrijke vorm van gemeenschapsbeleving in de gemeente.

Een ander aspect van het gemeenteleven, waarin de gemeenschap een beslissende rol moet speien is dat van de levenswandel en de daarbij behorende christelijke vrijheid. Paulus stelt het aan de orde in hoofdstuk 8 en 10 i.v.m. het eten van offervlees. Het gaat daarbij om vlees, dat gebruikt was bij het offeren aan afgoden, en daarna òf bij een offermaal in de tempel werd gegeten (8: 10) òf in de markthal verkocht werd (10: 25). Paulus heeft over deze beide situaties een verschillend oordeel (verg. 10: 18-21 met 10: 25-27). maar dat onderscheid kan nu buiten beschouwing blijven. Want voor beide situaties geeft hij, als regel waar men zijn gedrag naar moet richten, aan: het rekening houden met de broeder.

Er waren nl. gemeenteleden die voor de door hen genomen vrijheid tot het eten van offervlees zich beriepen op het hun geschonken geestelijk inzicht „dat er geen afgod in de wereld bestaat” (8:4) — en dat er dus geen enkel verschil is tussen offervlees en gewoon vlees. Paulus acht dat inzicht (die „kennis”, 8:1) juist, zie 8: 4-6. Hij noemt degenen die zich nog niet aan dit inzicht gewonnen durven geven in dit opzicht „zwak”. Maar hij vermaant de sterken, omdat zij de neiging hebben, hun gedragslijn alleen te laten bepalen door hun kennis, en op grond daarvan zich in het gebruik van hun christelijke vrijheid niet willen laten beperken. Want zó reken je alleen met jezelf en je vergeet de broeder die in geestelijk inzicht nog niet zo sterk staat. Door onbekommerd in christelijke vrijheid te doen wat krachtens je „kennis” geoorloofd is, geef je wellicht die broeder „ergernis”, „aanstoot”. Daarmee is niet bedoeld, dat hij zich er aan ergert of zich er aan stoot, en dat dát altijd een reden zou zijn om iets na te laten. De bedoeling van het hier gebruikte woord is, dat ik iemand „ten val breng”, door hem nl. (via mijn voorbeeld) te verleiden tot een daad die hij in zijn geweten nog als zonde beleeft en die voor hem dan ook zonde is.

Dan handel ik nl. wel overeenkomstig de kennis, maar niet overeenkomstig de liefde. En kennis zonder liefde maakt „opgeblazen”, maakt mij tot een mens die zich verheft op z’n door de Geest geschonken kennis, en daar een liefdeloos gebruik van maakt. Terwijl de ware kennis die de Geest ons leert juist doordrenkt is van de liefde. De christelijke vrijheid vindt dan ook haar beperking en grens in de liefde. Want het is er de Geest niet om te doen, dat ik, als „geestelijk” mens, maar mijn vrijheid zal kunnen beleven, maar dat de broeder, de gemeente, wordt „gesticht”, gebouwd in het geloof. Daaraan moeten alle geestelijke gaven dan ook ondergeschikt worden gemaakt. En christelijke vrijheid betekent

óók: de innerlijke vrijheid om iets dat wel geoorloofd is, terwille van de opbouw van de ander uit liefde na te laten!

Dat de Geest in de gemeente gericht is op al wat de liefde en de opbouw dient, en dat alle geestelijke gaven en ervaringen daaraan ondergeschikt moeten zijn, is dan verder het grote thema van I Corinthiërs 12 t.e.m. 14. Paulus tekent daar de gemeente onder het onvergelijkelijk mooie beeld van het lichaam, het éne lichaam met zijn véle leden. Daarmee is de eenheid van de gemeente aangegeven als het grote doel waarvoor de Geest zijn werk aan ieder gemeentelid wil doen. Ieder bijzonder werk en iedere speciale gave van de Geest moet daarop zijn gericht. Dat kan alleen als het gebruik van alle gaven wordt gevat in het kader van de in hoofdstuk 13 bezongen liefde — die in Christus vlees en bloed geworden is, maar die door de Geest ook in de gemeente gestalte wil krijgen.

Anderzijds laat het beeld van het lichaam zien dat de vereiste eenheid van het lichaam geen gevaar oplevert voor de ontplooiing van ieders eigen gave, maar daar juist de mogelijkheid toe schept. Alleen binnen het éne lichaam, en gericht op de goede functionering daarvan komt ieders afzonderlijke gave tot haar volle recht en is ze zelfs onmisbaar. Onder deze gaven nemen, wat wij nu de ambten noemen, een belangrijke plaats in, maar geen dominerende plaats. Want aan ieder wordt de openbaring van de Geest gegeven tot welzijn van allen (12: 7). Dáárom is in de gemeente iedereen onmisbaar. In het raam van dit artikel kan dit alles niet breder worden uitgewerkt. De wijze waarop Paulus het beeld van het lichaam in hoofdstuk 12 benut spreekt ook voor zichzelf. En: is de praktijk van het gemeenteleven niet dé plaats waar dit alles zijn uitwerking moet krijgen!?

Het verdient nog speciale aandacht dat Paulus de functionering van het lichaam in zijn eenheid èn verscheidenheid zich ook ziet voltrekken in de samenkomsten van de gemeente, zie hoofdstuk 14. Ook daar weer dezelfde accenten. Wie in de samenkomst eigen (bij voorkeur opvallende) gave op de voorgrond wil stellen, miskent het doel: de stichting (opbouw) van de gemeente (14: 12). Daarom beteugelt Paulus ook het gebruik van de gaven in de samenkomst. „Alles moet … in goede orde geschieden”, 14: 40. Maar deze orde is er niet een waarbij de verscheidenheid van gaven en de uiting ervan tijdens de eredienst onderdrukt worden! Integendeel: „telkens als gij samenkomt heeft ieder iets” (14 :26). De orde die Paulus bedoelt is de orde van de vrede, waarbij je elkaar niet verdringt en wegduwt. Daarom zegt hij in 14: 33: „God is geen God van wanorde maar van vrede”. Het gaat om de orde van de liefde, waarbij ieder „aan bod komt” maar steeds om de opbouw van de ander te dienen.

Dat de gemeente gemeenschap is moet (dit tenslotte) zijn diepste uitdrukking vinden in het vieren van de maaltijd des Heren. I Cor. 11: 17-34 is daaraan gewijd. We vinden er de bekende woorden die ook in ons formulier zijn opgenomen: de dood des Heren verkondigen, op onwaardige wijze eten en drinken; zichzelf beproeven; tot eigen oordeel eten en drinken. Maar terwijl deze woorden bij ons in hoofdzaak functioneren i.v.m. de persoonlijke verhouding tot God, gebruikt Paulus ze in verband met de gemeenschap. Het avondmaal werd in Corinthe gevierd in het raam van een complete maaltijd. Maar daarbij had men niet het geduld, op elkander te wachten; men was er alleen op bedacht, zelf z’n portie te krijgen. En in die sfeer, waar het ontbrak aan wezenlijke zorg, aandacht en liefde voor elkander, vierde men dan de maaltijd die spreekt van Christus grote liefde. Dat vloekt toch! zegt Paulus. „Onwaardig” is in dit verband dus: zonder daadwerkelijke liefde tot de broeder. En op dát punt met name is dan ook de toetsing van eigen leven en … de bekéring nodig. Want: „saraen te leven heeft Hij ons geboden — wie niet bemint leeft in gestorven staat …”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.