+ Meer informatie

Uit de spiegel van 40 jaar geleden

Stavenisse, het dorp der doden

9 minuten leestijd

Ik had gedacht dat het niet zo erg was. Na de ruïnes van geteisterd Nederland in 1945, na Indonesië en Korea vooral en na een bezoek aan verschillende plaatsen in het rampgebied dacht ik, dat Stavenisse geen bijzondere indruk op me zou kunnen maken. Want zelfs een ramp als deze went op den duur. Je went aan het water, aan de gure wind, aan de cadavers en aan de troosteloze vlaktes. Je went zélfs aan de verlieslijsten in de krant, aan het totaalcijfer van het aantal doden en aan de gestadige stijging van de miljoenen van het Rampenfonds, die -hoe hoog ze ook mogen komen- toch altijd een tekort zullen blijken te zijn. Maar ondanks dat alles ben ik in Stavenisse geschrokken. Ik ben er drie dagen geweest en heb er al die tijd gedwaald met het gevoel alsof ik ieder ogenblik zou gaan huilen Maar ik durfde niet. Omdat die mensen, die paar mensen die daar nog wonen, zo dapper zijn.

Erger dan in de oorlog
De oorlog is erg; maar dit is erger. Want in een oorlog wéét je van tevoren dat er iets kan gebeuren. In Stavenisse is het erger dan in een oorlog.
Men sliep. O ja, het waaide, het waaide hard, het stormde misschien, maar dat doet het zo vaak daar. Het water stond hoog. Het stond erg hoog, nou ja! Het zou heus wel zakken! Maar het zakte niet. Het steeg, langzaam en toen vlug. Het duurde eigenlijk maar een kwartier. Van niets tot een ramp in één kwartier. Van droog tot vier, vijf meter water in vijftien minuten.
Een dorp ging ten onder. Een dorp van meer dan zeventienhonderd inwoners. Huizen zijn weggevaagd, schuren honderden meters verschoven. Bazaltblokken van de dijk liggen in de polder. Tweehonderd mensen zijn zoek. Wat zegt ge? Stavenisse bestaat nog? Er staan nog huizen, hele en halve? Het lijkt nog heel wat? Ja, dat is zo. Maar meer dan de helft is verwoest en van de andere helft kun je de muren zo omtrappen. Het is ondermijnd, wankel, gescheurd. Stavenisse bestaat nog. Het bestaat uit planken, meubels, stro, cadavers, deuren en kozijnen. Het bestaat uit dozen, potten, pannen, haarden, kachels, buizen.

Dode mensen en dode koeien
Stavenisse bestaat nog: de naam staat op het bord, aan de ingang van het dorp. Over dat bord heen ziet ge de dijk, die daar afbreekt omdat er een enorme hap uit verdwenen is. Dat is de plaats waar vier of vijf kleine huisjes stonden waarin verscheidene mensen uit bedreigde plaatsen in het dorp een schuilplaats zochten. Ze zijn allen omgekomen. Ge ziet over dat bord heen het water. Het water met hier en daar een boerderij, of een overschot daarvan. Bootjes varen heen en weer, elke dag opnieuw, op zoek naar mensen en'cadavers. En elke dag opnieuw komen patrouilles binnen met dode mensen en dode koeien. Met tien, twintig, dertig, veertig dode mensen en koeien. Er moeten nog honderdzestig mensen en nog vele honderden koeien geborgen worden. Ergens anders is achttienhonderd meter dijk vernield, grondig vernield. En door drie grote gaten stroomt het water met alle kracht naar binnen of naar buiten, al naar gelang het vloed of eb is.

Vragen
En zo loop je daar in Stavenisse. De mensen zeggen altijd, dat wij zo'n mooi leven hebben. Altijd maar op reis en altijd maar weer nieuwe dingen zien. Een pracht leven: Met mensen praten die zesendertig familieden verloren hebben, trachten te begrijpen wat het betekent, je vrouw, je kinderen, je ouders of zuster voor je ogen te hebben zien verdrinken. Vragen hoe het allemaal is aan een militair, die bij zijn meisje in Tholen was en die nu vader, moeder en vijf broers mist, alsmede het huis met de grond gelijk vindt. Die dan onderdak zoekt bij een oom en tante, die óók verdronken zijn. Vragen aan de mensen in dat dorp, die met doffe ogen
kijken naar de troosteloze, eindeloos wijde vlakte van de Kerkweg, waarvan vrijwel alle huizen door een oceaan van water zijn weggevaagd.
Vragen aan de mensen in dit gelovige dorp, die tegen je zeggen: „Maar meneer, als God de mensen wil straffen voor hun zonden, waarom moeten wij dat dan toch zijn? Wat hebben de Zeeuwen gedaan dat zij drie keer achter elkaar gestraft moeten worden? Waarom worden dan niet die mensen gestraft die zoveel ellende over de wereld gebracht hebben en nóg brengen? Heeft mijn vrouw, die mij vijf kinderen schonk en mèt hen in de golven verdween, daar schuld aan? Meneer, jullie weten zoveel, waaróm is dat allemaal gebeurd?" Dat vragen ze je. Ik wou dat ik soldaat was geweest of polderwerker, dan had ik tenminste iets kunnen dóen. Nu niet. Ik heb alleen maar kunnen kijken, één, twee, drie dagen lang. Kunnen kijken en praten en heel langzaam aan kunnen vragen. Alleen maar vragen. Want een antwoord geven kon ik niet.

Ietwat in feeststemming
Geen mens heeft willen geloven, dat er iets zou kunnen gebeuren. Die grote, lange, brede en zware Scheldedijk lag immers als een ring om Stavenisse heen! Om meer dan drie kilometer afstand! Nog nooit was een storm, hoe hevig ook, daar overheen, laat staan er dóór gekomen! Zo was de toestand op die zaterdagavond, de 31ste januari, toen het dorp, het rustige dorp, ietwat in feeststemming was omdat er een prinses verjaarde. O, het waaide behoorlijk, maar toch niet overdreven hard. De waterhoogte in de haven gaf weliswaar zorgen, want om elf uur die avond was het eb en stond het water warempel hoger dan normaal bij vloed... de schippers, vaklui, keken elkaar al eens aan en dachten: „Jongens, wat moet dat worden..." Maar daar bleef het bij. De wind was Noordwest en stond dus pal op het dorp, gerekend vanuit zee. Hier en daar ontstond een storing, doordat het bovengrondse lichtnet het begaf, maar zelfs dat was wel eens meer gebeurd... Nee, de burgerij van Stavenisse ging nog tamelijk rustig naar bed. Velen sliepen al uren lang, want in die Streken staat men nu eenmaal vroeger op dan de mensen uit de Stad. Maar het water steeg en steeg. De vloedplanken, altijd aanwezig, werden door de daarvoor aangewezen mannen gezet, om te verhinderen dat het stijgende water over de kade zou lopen. Zekerheidshalve werden er nog wat zandzakken achter tegenaan gelegd en klaar was Kees! Maar het water bleef stijgen en toen werden sommige mensen toch wel wat ongerust.

Het licht uit
Er kwamen lieden kijken en sommigen staken de handen uit de mouwen bij het leggen van wat meer zandzakken. Maar het water steeg verder. Het liep óver de vloedplanken heen de kade op en vervolgens naar beneden de Voorstraat in. O, niet met grote stralen, maar het liep toch. Inmiddels was het twee uur in de nacht geworden en men besloot het zekere voor het onzekere te nemen: de sirene loeide, ten teken, dat er gevaar dreigde. In het dorp heeft men dat wel gehoord, tenminste voor zover het geluid door de wind meegenomen werd. Maar velen hoorden het niet en zéker niet diegenen, die in de polder woonden... Angstwekkend loeide de sirene, zoals we dat kennen uit de oorlog: het lang aanhoudende, „op en neer gaande" geluid... Men dacht dat er brand was, maar weldra was de ware reden bekend: gevaar voor overstroming! Mannen en jongens en zelfs vrouwen en meisjes kwamen inderhaast gekleed naar de haven. Langzaam steeg het water. Vrijwilligers haalden zand van de gemeenteopslagplaats.
Zakken werden gevuld en tegen de vloedplanken gelegd. Meer zakken, méér en nóg meer... Maar het water bleef stromen en liep nu in vrij grote hoeveelheid de Voorstraat in. De spanning steeg... Het werd drie uur toen het bericht kwam: een gat in Alsof de slager de dijk bij de sluis... Op binnen is... hetzelfde ogenblik ging het licht uit, doch er ontstond geen paniek.

Meters hoge golven
Sommigen gingen naar huis, brachten hun vrouwen in veiligheid en keerden daarna naar de haven -het critieke punt- terug. Het water stroomde sneller en sneller  over de kade en in de Voorstraat. Met angstige spanning zag men het verloop tegemoet... Toen, tegen vier uur, kwam er geen verdere stijging. Zou men het gewonnen hebben? Zou de  storm afnemen en daarmee  het grootste gevaar geweken. zijn? Men haalde verlicht adem:
het had er alle schijn van... Maar schijn bedriegt, zo ook hier. Ergens anders was een andere dijk doorgebroken, waardoor het water tijdelijk niet verder steeg. De geruststellende berichten, het verlicht ademhalen waren slechts een pauze. Een korte pauze zelfs, die voor velen, voor heel velen, de laatste pauze in hun leven is geweest. Want tussen vieren en kwart over vieren geschiedde, wat thans de hele wereld weet. Terwijl Nederland sliep, ot misschien wakker lag door de harde wind, gebeurde in weinige minuten dat wat ons honderden jaren van werken ontnam, kwam het water in al zijn kracht, in al zijn ontzetting en in al zijn overweldigende massa's over Zeeland, Zuid-Holland en Brabant. Meters hoge golven zwiepten over dijken het polderland in. Als een rollende muur van onverbreekbaar, alles vernietigend en alles meesleurend staal dreunde het water met een snelheid van meer dan honderd kilometer per uur voorwaarts. Honderd kilometer per uur en dan millioenen en nog eens millioenen liters water. Geen wal, geen dijk, geen bomen, geen huis kon dit tegenhouden, geen andere dijk, geen huizenblok of wat dan ook was in staat ook maar enige vertraging te brengen in de tomeloze vaart van het opgezweepte element. De wallen zijn weggespoeld, de dijken geknakt, de huizen weggevaagd of met donderend geweld in elkaar gestort. Hooibergen en pakken stro zijn bij tientallen meegesleurd, stallen weggespoeld, loeiend vee ten ondergegaan. Mensen hebben gillend een heenkomen gezocht, maar zelfs in een auto waren ze niet veilig: zó snel konden ze niet rijden of het water haalde hen in... In benedenhuizen steeg de kokende zee in enkele minuten evenzovele meters. En dat alles in een kwartier.

Waarom meneer...waarom...
Eén kwartier, dat van duizenden en nog eens duizenden hectaren vruchtbare grond een binnenzee maakte en honderden mensen deed verdrinken.
Een kwartier, dat Stavenisse in een puinhoop deed veranderen, een dorp waarin geen vierkante centimeter door het geweld werd gespaard.
Een kwartier, waarin families voor goed zijn uitgestorven, waarin één zoon, één vader, één grootmoeder het leven behielden.
Nu is het voorbij en staat ge daar, kijkend over die troosteloosheid. Het wrakhout en de cadavers. De dode mensen en de EHBO-ploeg. De dokter, de burgemeester, de kok-uit-de-Zaanstreek. En de boer die u vraagt: „Waarom meneer... waarom..."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.