+ Meer informatie

Kerkelijke financiën en kerkelijke verantwoordelijkheid

16 minuten leestijd

Bij een vergelijking van de door de synode vastgestelde minimum-bijdrage voor het jaar 1972 met de voor het jaar 1971 geldende omslag- en streefbedragen vallen enkele belangrijke verhogingen te constateren.

De bijdrage van de Theol. hogeschool steeg van ƒ 3,30 tot ƒ 3,90 per lid. Als oorzaken van deze stijging kunnen onder meer worden genoemd: a. het wegvallen van een belangrijk gedeelte van de bijdrage welke de Theol. hogeschool jaarlijks ontving uit het batig saldo van de Wekker. Door de sterk gestegen druk- en administratiekosten van de Wekker, welke niet door verhoging van de abonnementstarieven worden gecompenseerd, is het batig saldo van ons kerkelijk orgaan belangrijk afgenomen; b. de verhoging van het honorarium van de in actieve dienst zijnde hoogleraren, gepaard gaande met een evenredige aanpassing van de emeritaatsuitkeringen aan de niet meer in actieve dienst zijnde hoogleraren.

Het honorarium van de hoogleraren nam met eenzelfde percentage toe als waarmee de predikantstraktementen, op voorstel van de deputaten voor financiële zaken, met ingang van januari 1972’ zijn herzien.

Voor de emeritikas viel een stijging te constateren van ƒ 0,50. De minimum-bijdrage is voor 1972 vastgesteld op ƒ6,— per lid. De hiervoor reeds vermelde verhoging van de predikantstraktementen heeft eveneens invloed op de emeritaatsuitkeringen. Het is daarom begrijpelijk dat ook voor deze kas een grotere bijdrage moest worden gevraagd.

Voor de zendingskas werd voor het eerst een minimum-bijdrage vastgesteld, n.l. ƒ 6,50 per lid. Aangezien de zendingskas inkomsten uit verschillende bronnen heeft, is de minimum-bijdrage uit collecten, te weten Pinkster- en najaarscollecte, gesteld op ƒ2,— per lid. De rest ad ƒ 4,50 moet dan komen uit de opbrengst van busjes, zendingsdagen, zendingsavonden, giften etc.

Voor andere deputaatschappen viel een lichte stijging waar te nemen. Gelukkig bleek het mogelijk ook enkele bijdragen te verlagen. De kassen voor Israël en Studiefonds zullen het pas begonnen jaar een geringer bedrag ontvangen dan het daaraan voorafgaande jaar.

Het totaal van de vastgestelde bijdragen voor het jaar 1972 laat ons een bedrag zien van ƒ 20,40. Voor de berekening van het bedrag per lid hetwelk de kerken opbrengen voor de algemene kerkelijke arbeid kan de volgende opstelling dienen:

a. totaal van de vastgestelde minimum-bijdragen, zoals op het collecterooster vermeld ƒ 20,40

b. zendingskas, via busjes, zendingsdagen enz. „ 4,50

c. Theol. hogeschool en bibliotheekfonds via de busjes-opbrengst van het vrouwen-comité, plm. ƒ 40.000,— per jaar; is per lid ca. „ 0,60

d. bijdrage aan de generale kas, via part. syn. en classes „ 0,95 ƒ 26,45

Bij een ledental van rond 70.000 wordt voor het algemeen kerkelijk werk van de kerken een som gevraagd van ƒ 1.851.500,—.

Het vorenstaande overziende komt onwillekeurig de vraag op of ons kerkelijk leven niet te duur wordt en of met name de bijdragen die van de kerken voor het algemeen kerkelijk werk wordt gevraagd niet een zodanige druk uitoefenen op het financiële budget van de kerken dat er onvoldoende ruimte blijft voor de eigen taken van de plaatselijke kerk.

Om hierop antwoord te kunnen geven zou over een reeks van financiële gegevens van de plaatselijke kerken moeten worden beschikt. Weliswaar zijn wel enkele gegevens van een klein aantal kerken bekend doch dit aantal is te gering en de gegevens bovendien nog vaak te summier om daaruit verantwoorde conclusies te trekken. Om toch te trachten een antwoord te geven op de vraag of ons kerkelijk leven niet te duur is zijn we, wegens het ontbreken van voldoende gegevens over onze eigen kerken, genoodzaakt eens te zien hoe het gaat bij andere kerken. Misschien blijkt het dan mogelijk enkele vergelijkingen te trekken en op deze wijze toch nog een antwoord te vinden op de vraag die meerdere malen in onze kerken wordt gehoord.

Van de kosten in andere kerkverbanden van gereformeerde gezindte zijn ons alleen gegevens bekend van de gereformeerde kerken synodaal.

Wel is van de gereformeerde kerken vrijgemaakt algemeen bekend dat deze kerken zich grote offers getroosten voor de instandhouding van de Theol. hogeschool te Kampen en voor de diaconale en maatschappelijke taken. Ook voor eigen scholen wordt van de leden van deze kerken een bijdrage gevraagd. De indruk bestaat dat de kosten in dit kerkverband hoger liggen dan in de gereformeerde kerken synodaal en in onze kerken.

Uit het maandblad „Administratie en beheer”, uitgaande van de commissies van beheer der gereformeerde kerken synodaal en uit het jaarboek 1971 van deze kerken zijn de onderstaande gegevens ontleend:

Uit de verhoudingen tussen de opbrengsten bestemd voor de plaatselijke arbeid der kerken en die voor de algemene kerkelijke arbeid (inclusief de plaatselijke en landelijke diaconale arbeid) blijkt dat er een lichte fluctuatie valt waar te nemen in de percentages. Hieruit valt te concluderen, dat de kosten van de algemene kerkelijke arbeid in ongeveer gelijke mate zijn gestegen met die van de plaatselijke arbeid.

.

Het in onze kerken vaak gehoorde geluid dat de kosten van de algemene kerkelijke arbeid veel sterker stijgen dan de uitgaven voor de taken van de plaatselijk kerk gaat in de gereformeerde kerken synodaal blijkbaar niet op. Dit betekent niet dat de in onze kerken gehoorde opmerkingen ten aanzien van de stijging der kosten voor de algemene kerkelijke arbeid niet juist zijn. De kosten van onze Theol. hogeschool zijn de laatste jaren belangrijk gestegen als gevolg van de uitbreiding van de gebouwen en de benoeming van een vijfde hoogleraar en de aanpassing van het honorarium van de hoogleraren aan de algemene loonstijgingen.

Reeds werd opgemerkt, dat de aanvaarding van de voorstellen van de studiecommissie voor de emeritikas door de generale synode Hilversum 1968/1969 een verhoging van de bijdrage der kerken meebracht. Het vorenstaande in aanmerking nemende lijkt het niet onmogelijk dat de kosten voor de

Jaar: Totaal waarvan bestemd voor: Algem. kerk. arbeid opbrengst pi. arbeid incl. incl. pi. en 1. diaconaat per lid pi. evangelisatie bedrag in % bedrag in % algemene kerkelijke arbeid in onze kerken iets sterker zijn gestegen dan die van de plaatselijke arbeid. Anderzijds moet worden bedacht dat ook de predikantstraktementen de invloed van de algemene loonstijgingen hebben ondervonden en dat met name de laatste jaren daarin ook nog een extra verhoging was begrepen om de bestaande achterstand in te halen. De verhoging van de predikantstraktementen is uiteraard van invloed op de kosten van plaatselijke arbeid.

1963 ƒ 66,80 ƒ 47,50 71,1 ƒ 19,30 28,9

1964 ƒ 74,20 ƒ —,—? •-,-? ƒ -,—? -,-?

1965 ƒ 79,15 ƒ 58,25 73,6 ƒ 20,90 26,4

1966 ƒ 86,25 ƒ 63,50 73,6 ƒ 22,75 26,4

1967 ƒ 92,75 ƒ 69,20 74,6 ƒ 23,55 25,4

1968 ƒ 97,55 ƒ 71,60 73,4 ƒ 25,95 26,6

1969 ƒ 103,10 ƒ 75,60 73,3 ƒ 27,50 26,7

Wel dient erop te worden gewezen, dat in het hiervoor vermelde overzicht onder de kosten voor de plaatselijke kerk zijn begrepen de bedragen welke moeten worden opgebracht voor de emeriti-predikanten, predikantsweduwen en -wezen, terwijl in onze kerken de bijdragen hiervoor vallen onder de kosten van algemene kerkelijke arbeid.

Indien we aannemen dat de bijdrage per lid in de gereformeerde kerken even hoog ligt als in onze kerken dan dient voor een juiste vergelijking het totaal bedrag van de algemene kerkelijke arbeid met ƒ6,— te worden verhoogd en dat van de plaatselijke arbeid met eenzelfde bedrag te worden verlaagd.

Daar staat tegenover, dat in voornoemd overzicht onder de algemene kerkelijke arbeid ook zijn begrepen de uitgaven voor de plaatselijke diaconale arbeid. Uit de in het jaarboek 1971 opgenomen overzichten valt af te leiden, dat de gereformeerde kerken voor de plaatselijke diaconale arbeid ca. ƒ 8,— per lid opbrengen.

.

Voor de vergelijking zijn de kosten van de algemene kerkelijke arbeid in de gereformeerde kerken in het jaar 1969 te stellen op: ƒ 27,50 + ƒ 6,— ƒ 8S— = ƒ. 25,50, terwijl de kosten van de plaatselijke arbeid dan worden verhoogd met netto ƒ2,— en komen op ƒ 77,60.

Deze kosten hebben betrekking op het jaar 1969, terwijl de cijfers van onze kerken zijn gebaseerd op de door de synode vastgestelde begrotingen voor het jaar 1972. Ook in de gereformeerde kerken zijn sinds 1969 kostenverhogende factoren werkzaam geweest, zij het wellicht iets minder sterk dan in onze kerken het geval was. We zagen bijv. in onze kerken de kosten van de Theol. hogeschool belangrijk toenemen, terwijl daarvan geen sprake was bij de gereformeerde kerken. De Theol. hogeschool te Kampen ontvangt namelijk sinds kort een zeer belangrijke subsidie van de overheid. Hiervan is in onze kerken tot dusverre geen sprake.

.

Stellen we de kostenstijgingen voor de algemene kerkelijke arbeid in de gereformeerde kerken over de jaren 1970, 1971 en 1972’ in totaal op 20%, dan zal voor de algemene kerkelijke arbeid in deze kerken thans moeten worden opgebracht 1,20 x ƒ 25,50 = ƒ 30,60 per lid.

.

De kosten van de algemene kerkelijke arbeid in onze kerken bedragen voor het jaar 1972 ƒ 26,45.

Het is mogelijk, dat de beide kerkverbanden een enigszins andere rubricering kennen voor bepaalde kerkelijke activiteiten en dat in verband daarmede het geconstateerde verschil ad ƒ 4,15 iets geringer of iets hoger is. Aangenomen mag worden dat de correctie welke als gevolg van een andere indeling zou dienen te worden aangebracht het verschil niet zal overtreffen.

.

Het lijkt daarom gerechtvaardigd te stellen, dat de kosten per lid van de algemene kerkelijke arbeid in onze kerken die van de gereformeerde kerken niet overtreffen.

.

De vraag rijst of misschien hetzelfde gezegd kan worden van de kosten voor de plaatselijke taken der kerken? Reeds werd opgemerkt dat voor een exacte vergelijking de opbrengst-cijfers voor onze kerken ontbreken. Globaal wordt wel eens aangenomen dat de opbrengst voor de plaatselijke taken der kerk ca. ƒ 100,— per lid bedraagt. Er zijn wel kerken die hier bovenuit gaan en soms wel in belangrijke mate, doch daarbij dient te worden bedacht, dat het dan dikwijls kleine gemeenten betreft die zich belangrijke offers getroosten voor een eigen predikant. Andere kleine kerken, zonder een eigen predikant en ook de grote(re) kerken, met name in de steden blijven er wellicht beneden.

.

Indien we voor de gereformeerde kerken op de kosten voor de paatselijke arbeid ad ƒ 77,60 voor het jaar 1969 eveneens een correctie-factor toepassen van 20%, in verband met sindsdien opgetreden kostenstijgingen, dan komen we voor de gereformeerde kerken op een gemiddelde opbrengst van 1,20 x ƒ 77,60 = ƒ 93,12. Ook dit cijfer geeft geen belangrijk verschil te zien met de geschatte opbrengst in onze kerken voor de plaatselijke arbeid. Maar ook als we aannemen dat de kosten in de kerken van gereformeerde signatuur wel ongeveer gelijk liggen, is daarmede nog geen antwoord gegeven op de vraag of het kerkelijk leven niet te duur wordt.

.

Om dit te beoordelen zullen we moeten nagaan of de uitgaven van de kerken in sterkere mate zijn gestegen dan de welvaart is toegenomen.

Aan het reeds eerder genoemd maandblad ontleenden wij de volgende gegevens.

Jaar loonsom opbrengst

index: index:

1963 100 100

1964 124 111

1965 141 118.5

1966 156.5 129

1967 170 139

1968 183.5 146

1969 ? 154.3

Over de jaren 1969, 1970 en 1971 zijn geen index-cijfers opgenomen. Niettemin is wel algemeen bekend dat de genoemde drie jaren gemiddeld! zeker een loonstijging van 10% ten opzichte van een voorgaand jaar hebben laten zien.

.

De regelingslonen stegen n.l. in deze drie jaren resp. met ca. 8, 10 en 14 procent. De gemiddelde stijging van alle lonen en salarissen zal van deze percentages wel niet veel afwijken.

Het is de vraag of de kerkelijke ontvangsten in deze drie jaren eveneens met gemiddeld 10% zijn gestegen. Gezien de cijfers over de jaren 1963 t/m 1969 mag dit terecht worden betwijfeld.

.

Het vorenstaande laat ons duidelijk zien, dat de opbrengsten van de kerken geen gelijke tred houden met de loonontwikkeling. Toch kan worden aangenomen, dat de uitgaven der kerken voor een belangrijk deel verband houden met arbeid en derhalve met loon. De predikantstraktementen, de salarissen van kosters, de onderhoudswerkzaamheden enz. stijgen evenredig met de loonontwikkelingen in het bedrijfsleven en bij de overheid. Voor bepaalde verplichtingen van rente- en aflossing zal dit niet altijd het geval zijn.

Het is daarom begrijpelijk dat kerkeraden en commissies van beheer zich wel eens bezorgd afvragen of het kerkelijk leven niet te duur wordt.

Zij worden ieder jaar geconfronteerd met een stijging der kosten voor de uitvoering van de plaatselijke taken en voor de algemene kerkelijke arbeid. Ze constateren tevens, dat de opbrengsten geen gelijke tred houden met de uitgaven.

.

Het is ook verstaanbaar dat de plaatselijke arbeid, waarbij men zelf ten nauwste is betrokken, meer aanspreekt dan die arbeid, welke door de deputaatschappen wordt verricht en waarvan men verder afstaat. Dit houdt het gevaar in dat men bij het achterblijven van de kerkelijke opbrengsten de bijdrage voor de algemene kerkelijke arbeid als sluitpost gaat beschouwen. Daarbij wordt dan te weinig bedacht, dat deze arbeid in opdracht en voor gemeenschappelijke rekening van de kerken wordt verricht en dat bij het niet afdragen van de door de synode goedgekeurde bijdragen moeilijkheden ontstaan bij de uitvoering van de taken door de deputaatschappen.

Daarom is het goed om na te gaan wat de oorzaken zijn, dat de opbrengsten achterblijven bij de welvaartsstijging.

.

Het is mogelijk dat dit ten dele is te verklaren uit een afnemende liefde voor de kerk, hetgeen onder meer kan blijken uit een dalend kerkbezoek. Indien de liefde voor de Here en Zijn dienst afneemt vindt dit na verloop van kortere of langere tijd zijn weerslag in de opbrengsten van collecten, bijdragen en giften. Iedere kerke-raad zal moeten nagaan of daarvan in eigen gemeente sprake is. Toch mag dit niet als de enige oorzaak gezien worden. Wil men van de gemeente verwachten dat deze het bedrag opbrengt, hetwelk nodig is voor de plaatselijke en algemene kerkelijke taken, dan dient de gemeente hierover tijdig te worden ingelicht. Dit houdt in dat niet kan worden volstaan met het achteraf constateren van loon- en kostenstijgingen om daarna te trachten de collecten en bijdragen nog wat omhoog te krijgen. Indien men dit doet loopt men steeds achter de feiten aan; men is voortdurend een jaar achter. En dit geeft vanzelfsprekend zorgen. En waar deze spanningen zich voordoen wordt al vrij gauw de oorzaak van de moeilijkheden gezocht in de steeds stijgende kosten van de algemene kerkelijke arbeid.

Willen de kerkeraden en de commissies van beheer komen tot tijdige aanpassing van de ontvangsten dan is het noodzakelijk dat de gemeente vroegtijdig wordt geïnformeerd over de lasten voor het komende jaar en zo mogelijk voor de komende jaren. Het is gewenst, dat de kerkeraden en de commissies van beheer, evenals thans van de deputaatschappen wordt gevraagd, begrotingen maken voor enige jaren. Dan wordt gedaan aan planning. Dat hierbij schattenderwijze te werk moet worden gegaan is minder erg dan dat gewacht wordt tot vaststaat hoe de ontwikkeling zal zijn. In het laatste geval is men te laat om de kosten nog op te vangen, omdat het optrekken van de collecten en van de vaste bijdragen een regelmatige bearbeiding van de gemeente vraagt.

.

Daarbij is het noodzakelijk, dat een duidelijke informatie wordt gegeven over de aard en de omvang van de kostenstijgingen, opdat de gemeente de redelijkheid van de gevraagde offers kan beoordelen.

.

Maar dan mag van de gemeente ook worden gevraagd dat ze haar taak in dezen verstaat en mag ze gewezen worden op haar verantwoordelijkheid. Het behoort tot de taak van de kerkeraad, daarin eventueel bijgestaan door een commissie van beheer, de gemeente op te voeden en haar bewust te doen worden van eigen verantwoordelijkheid, welke zich ook uitstrekt in het brengen van financiële offers.

Deze verantwoordelijkheid, welke van ieder lid der gemeente mag worden gevraagd houdt uiteraard niet op bij dit lid, doch heeft ook consequenties voor de gemeente als geheel. De plaatselijke kerk zal zelf zijn verantwoordelijkheid moeten verstaan ten opzichte van de algemene kerkelijke arbeid. De kerkeraad heeft de gemeente op te roepen tot liefde tot de dienst des Heren, maar ook te wijzen op getrouwheid en verantwoordelijkheid.

Wat houdt deze verantwoordelijkheid voor ieder lid der kerk nu in? Betekent dit nu dat elk lid kan volstaan met het betalen van een bedrag hetwelk gevonden wordt door de totale uitgaven te delen door het aantal leden?

Met andere woorden kan ieder lid volstaan met betaling van het „gemiddeld per lid” gevraagd bedrag?

Sommige leden blijven beneden de „gemiddelde” welvaartsstijging, anderen komen daarboven. Doch indien ieder geeft naar de mate waarin hij van de Here stoffelijke weldaden ontvangen heeft zal het resultaat zijn dat de kerkelijke ontvangsten gelijke tred houden met de toeneming van de welvaart, hetgeen impliceert dat de opbrengsten voor de kerk niet langer achterblijven bij de stijging der uitgaven.

Het daarin tot uiting komende draagkrachtbeginsel behoort naar mijn mening te gaan boven het profijtbeginsel.

.

Wel komt in dit verband de vraag naar voren of hetgeen geldt voor de leden van de plaatselijke kerk ook betekenis heeft voor de kerken onderling.

.

Of speelt in dit verband de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, waarover op de laatst gehouden synode veel is gesproken en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid een rol? Geldt voor de kerken onderling meer of uitsluitend het profijtbeginsel boven dat van het draagkrachtbeginsel?

De geref. kerken hebben zich met dit vraagstuk ook bezig gehouden.

.

Daar wordt voor de eigen plaatselijke arbeid het profijtbeginsel gehuldigd, terwijl voor de algemene kerkelijke arbeid het draagkrachtbeginsel wordt toegepast. Aan de hand van het inkomen per hoofd van de bevolking in onderscheiden gebieden wordt voor de algemene kerkelijke arbeid een bijdrage gevraagd van de daarin wonende kerkleden.

Onze synode droeg de deputaten voor financiële zaken op aan het vraagstuk der kleine(re) kerken aandacht te schenken en de volgende synode over het resultaat van hun arbeid te rapporteren. Het is begrijpelijk, dat de kleine(re) kerken en zij niet alleen met belangstelling uitzien naar dit rapport.

Het vorenstaande samenvattende meen ik te mogen stellen:

a. dat de arbeid in onze kerken in vergelijking met de gereformeerde kerken niet uitzonderlijk duur is;

b. dat de kosten verbonden aan de plaatselijke en de algemene kerkelijke arbeid niet uitgaan boven de draagkracht der kerken en van haar leden, onder voorwaarde dat het draagkrachtbeginsel binnen onze kerken in meerdere of mindere mate toepassing vindt;

c. dat de kerken eenzelfde verantwoordelijkheid dragen voor het bijeen brengen van gelden welke nodig zijn voor de uitvoering van de algemene kerkelijke taken als voor de plaatselijke arbeid.

Groningen

P.S. In dit artikel is gepoogd enkele opmerkingen te maken over de kerkelijke financiën in de hoop daardoor bij de ambtsdragers meer belangstelling te wekken voor de financiële aspecten aan het kerkelijk leven verbonden. Wellicht zijn er andere scribenten die iets willen schrijven over bepaalde onderwerpen en daarbij meer naar de diepte afsteken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.