+ Meer informatie

II. Het Wezen Gods (j.)

De Heilige Geesi

5 minuten leestijd

Leer en Leven

De eerste Persoon in het aanbiddelijk Goddelijk Wezen is GOD, de VADER. De tweede Persoon is GOD, de ZOON en de derde Persoon wordt in de Heilige Schrift gewoonlijk genoemd: „De Heilige Geest!"

Hierbij dienen we wel in het oog te vatten, dat God-Drieënig, dus het gehele Goddelijke Wezen Geest is, want God is een Geest en die Hem aanbidden moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. (Joh. 4 : 24) Dus cie Vader en de Zoon zijn evengoed Geest als de derde Persoon, echter met dit verschil, dat de naam „Heilige Geest" de aanduiding is van een bepaald Persoon in het Goddelijk Wezen, onderscheiden van de Vader en van de Zoon.

Juist daarom wordt Hij in het bijzonder „Geest" genoemd, omdat Hij van de Vader en de Zoon uitgaat, en omdat Zijn gehele wijze van werken geestelijk, dus onzichtbaar en in het verborgen is. In Gods Woord wordt dan ook gesproken van: de Adem des Almachtigen" (Job 33 : 4) en van „de Geest Zijns monds" (Ps. 33 : 6.)

En wordt deze Geest de „Heilig e" genoemd, dan betekent dat niet, dat de Vader of de Zoon minder heilig zouden zijn. In geen geval! De Heere Jezus spreekt immers zelf over Zijn hemelse Vader in het Hogepriesterlijk gebed met de aanhef van: Heilige Vader!" (Joh. 17 : 11) En ook van de Zoon heet het in de boodschap aan Maria. Luk. 1' : 35: Dat H e i 1 i-g e, dat uit u geboren zal worden."

De Geest wordt dus niet „heilig" geheten in tegenstelling met de Vader en de Zoon, maar Hij draagt die naam wegens Zijn bijzonder werk en vanwege Zijn bijzondere en nauwe betrekking, waarmee Hij tot God staat. Hij is niet de geest van een mens of van enig schepsel, maar de Geest van God, Zelf God zijnde.

Aan alle schepsel geeft Hij het leven en in de herschepping geeft Hij als de Geest van Christus het nieuwe leven. Hij wederbaart, Hij vernieuwt, Hij heiligt de zondaar en herschept Hem naar Gods beeld.

Van deze Geest wordt ons in Gods Woord wel zoveel megedeeld, dat wij met stelligheid weten, dat Hij niet slechts een Kracht van, of een eigenschap i n God is, maar een Persoon, evenals ook de Vader en de Zoon Personen zijn. Hem worden dan ook persoonlijk eigenschappen toegeschreven, die een „kracht" niet kan bezitten, maar alleen een zelfbestaand, wezenlijk Persoon.

Hij onderzoekt alle dingen; Hij werkt de genadegaven; Hij deelt aan een iegelijk, gelijkerwijs Hij wil. Ook staat er van Hem, dat Hij leert, bidt, leidt, getuigt. Alles wordt Hem toegekend, wat aan een handelend en willend persoon eigen is.

De Heilige Geest is dus te zamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God. Tussen Hem enerzijds en de Vader en de Zoon anderzijds bestaat niet het minste verschil wat waardigheid en ere aangaat. Zij zijn alle dine waarachtig en eeuwig God. Aan de Heilige Geest nu wordt in het bijzonder het werk der heiligmaking toegeschreven; niet met uitsluiting, doch met insluiting van de Vader en de Zoon. Want gelijk cle Zoon niets heeft, niets doet, niets spreekt van Zichzelven, maar alles ontvangt van de Vader, zo neemt ook de Heilige Geest alles uit Christus en deelt het de zondaren mede. Niemand komt tot de Vader dan door de Zoon. Dat is de ene waarheid; maar de andere waarheid is deze: Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn (d.w.z. Hem toe te behoren) dan door de Heilige Geest.

Wel zijn de werkingen der drie Goddelijke Personen

in het verlossingswerk van elkander onderscheiden, maar ze zijn geen ogenblik van elkander afgescheiden. In dit werk zijn Vader, Zoon en Heilige Geest volmaakt één.

In deze Geest van God gelooft nu het kind van God. Hij stelt op de Heilige Geest zijn vertrouwen, evenals hij zijn vertrouwen stelt op de Vader en de Zoon; hij hangt de H. Geest aan, eert Hem, wendt zich biddend tot Hem en verwacht van Hem alle heil, gelijk hij dat verwacht van de Vader en de Zoon. En als de gelovige biddend opziet naar de H. Geest, wordt zijn biddend verlangen niet beschaamd, maar de H. Geest komt op Zijn tijd en wordt Hem door de Vader in Christus gegeven om zaligmakend in zijn hart te werken. Dan gelooft het kind van God, dat de Heilige Geest hem als een heerlijke en kostelijke gave van Godswege geschonken is, en wel met het doel, dat Hij hem door het geloof met Christus verenige, hem uit kracht van deze vereniging doe deel hebben aan al de weldaden door Christus verworven, hem onder alle tegenheden en rampen trooste en hem nimmer begeve en verlate.

En al degenen, die in beginsel levend gemaakt zijn, maar nog niet tot de volle verzekering zijn gekomen, kunnen tóch die Geest niet missen, maar zij bidden gedurig met de dichter: , , Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen Geest. Mocht Die mij op mijn paan ten leidsman strekken!"

J. KRAMP.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.