+ Meer informatie

Het water tot aan de lippen

5 minuten leestijd

Een neef van Vatéa, Thakombau genoemd, hoorde van de toenemende invloed van het Christendom op het eiland Viwa. Inplaats van zich hierover te verheugen, werd hij vervuld met nijdigheid. Een boos plan kwam in hem op: hij zou naar Viwa gaan om daar onrust te zaaien tussen de Christenen. Hij zou die mensen wel willen uitroeien.

Op Viwa gekomen, ontmoete hij zijn nicht Vatéa, waarover we de vorige maal iets gehoord hebben. Thabombau stond in die tijd op het toppunt van zijn macht en het was een vrouw verboden tot zo iemand het woord te richten zonder daartoe verlof gekregen te hebben. Toch stoorde Vatéa zich daar niet aan. Fier sprak ze tot haar neef: „Ik moet u dit zeggen: als u niet met uw zonden breekt en de enige, ware God gaat dienen, zult ge verloren gaan. Sinds lang is Hij om uw onboetvaardigheid op u vertoornd, maar Hij wil u vergeven, zo ge u bekeert en gelooft in de Heiland Jezus Christus. Neem 't van mij aan: de Fidsji-goden zijn valse goden en kunnen niets voor u doen."

Deze overtuigende woorden van zijn nicht hadden Thakombau overrompeld; hij wist niet goed wat hij moest antwoorden; hij voelde zich onzeker en vond maar het beste er vandoor te gaan. Hij verliet Viwa al heel spoedig en had niets kunnen uitrichten. Onderweg verwenste hij zich, dat hij zich door een vrouw uit het veld had laten slaan.

Om nu even de geschiedenis van Vatéa voort te zetten, het volgende:

In 1847 kreeg Hunt bezoek van een zendeling en ook Vatéa was van de partij. Vatéa. beminde de mensen, die de Heere dienden. Ze sprak met veel overtuiging tot de zendeling: „Ik wil zeggen wat ik op het hart heb. Zo ik met de Heere bedrogen was uitgekomen, ik zou 't niet verzwijgen, maar Hij heeft Zich trouw betoond. Elke dag is Ilij bij mij, met mij. Ik reken niet op lof van mensen. Ik zou zo graag de zonde uit mijn hart verdrijven, omdat zij God beledigt. Ik wil op Jezus vertrouwen en Hem liefhebben. Ik ben blij, zo dicht bij de zendelingen te wonen. Ik verheug er mij nu over naar Viwa gezonden te zijn, toen ik nog zo jong was, omdat ik hier Christus gevonden heb." Hoe kan echter het geloof een inzinking krijgen. David kan de ene dag door een bende dringen, maar de andere dag denkt hij om te komen door de hand van Saul. Zo verging het ook Vatéa.

Haar man was heiden gebleven, al noemde hij zich ook

Christen. Hij kon niet nalaten zijn vrouw te plagen en te bespotten. In zijn hart verwenste hij de volgelingen van Christus. Vatéa had heel veel met hem te stellen, maar tot nu toe had ze alles met lijdzaamheid gedragen. Op de duur ging dit echter niet meer. Haar overviel op zekere dag een grote moedeloosheid. Ze kon het niet meer uithouden in haar woning en vluchtte weg naar haar familie, die op een naburig eiland woonde, ten zuidoosten van Viwa. De hoofden van dit eiland waren op haar bezoek helemaal niet gesteld en dwongen Vatéa terug te keren. Wat moest de arme vrouw nu beginnen? Naar haar man terug ging niet. En toch moest ze van het eiland af. Toen wist ze geen raad meer. Ze scheen van iedereen verlaten. En als dat zo is en men geen lichtpunt meer ontwaart, dan gaan er erge dingen gebeuren. Zo ook met Vatéa. Ze beklom een rots en wilde zich zo van de steilte afwerpen. Vermorzeld zou ze dan opgenomen worden. Dan was het met haar ellende gedaan. Wat zijn velen van Gods volk op dat punt terecht gekomen, maar o gelukkig, dan is er nog een God die leeft en die nooit laat varen het werk Zijner handen.

Wat er in de weg kwam, is niet bekend. Maar dit is zeker, dat het schrikkelijke plan niet tot uitvoer werd gebracht. Vatéa keerde terug van haar dwaalweg. En niet alleen van haar dwaalweg, maar ze ging ook terug naar Viwa. Het was hard nodig, dat ze daar kwam. De gemeente was er niet op vooruit gegaan toen Vatéa de verkeerde kant was opgegaan. De vijanden hadden gejuicht en op een wijze geroepen van „waar is nu die God, waarop zij vertrouwde"?

Doch nu was de edele vrouw weergekeerd, en hoe? Haar geloof had de beproeving glansrijk doorstaan. Met overtuiging en ijver wees ze haar medemensen op het heil, dat in Christus te vinden is voor de diepst-gezonkene. Ze stierf in het jaar .1855, met gegronde hoop op het eeuwige leven. En wat gebeurde twee jaren na haar dood? We zouden het niet kunnen geloven. Toen werd de vrouw van de bittere vijand gedoopt, de vrouw van Thakombau. En welke naam werd haar gegeven, toen ze het sacrament ontving? Ze kreeg de naam Lydia, als een herinnering aan Lydia Vatéa, die zulk een lichtend voorbeeld voor de gemeente was geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.